Toen de vader van Joe ongeneeslijk ziek werd, groeiden ze niet naar elkaar toe, maar raakten ze juist verder van elkaar verwijderd. Echt met elkaar praten konden ze niet. ‘Zelfs in zijn laatste minuten heeft hij niets betekenisvols tegen me gezegd.’
interviewt nabestaanden voor haar rubriek Leven na de dood in Volkskrant Magazine
Joe Stam (32, radio-dj): ‘Als kind kijk je op naar je vader: hij is de slimste en de sterkste van de wereld, hij heeft altijd gelijk. Als tiener ga je een eigen mening vormen en dan gaat het botsen. Dat duurt een tijdje, tot je zelf kinderen krijgt en dan groei je weer naar elkaar toe – tenminste, zo gaat dat meestal, ik zie het bij vrienden om me heen. Maar bij mijn vader en mij gebeurde dat niet, dat naar elkaar toe groeien. We zijn de laatste jaren eigenlijk alleen maar meer van elkaar verwijderd geraakt, doordat hij ziek werd en we daar nauwelijks over konden praten. In april vorig jaar is hij overleden. Nu merk ik dat ik meer rouw om de vader die hij nooit is geweest, en die hij ook nooit meer zal worden, dan om de vader die ik had.’
‘Vier jaar geleden werd bij hem een tumor in de lever aangetroffen. Kanker, hij zou er niet van genezen, werd erbij gezegd. Maar dat leek bij hem niet helemaal binnen te komen. Hij ging aan de chemo’s, hij bleef gewoon werken en voor de rest stak hij zijn kop in het zand. Hij runde de koffiebar in een Van der Valk-hotel en daar kletste hij de gasten de oren van het hoofd. Maar écht praten – mij is het in elk geval niet gelukt. Ik heb het wel geprobeerd, hem gevraagd: hoe sta je erin? Ben je bang? Hij antwoordde altijd dat het ‘wel goed’ ging. Hij viel kilo’s af, kreeg een smal gezicht, er was weinig meer over van de man die ik kende. Maar met hem ging het prima, einde gesprek.
‘Ondertussen werd onze relatie ook steeds dunner. Mijn moeder zag het, zij zei: wat jammer dat jullie niet met elkaar kunnen praten. Maar mijn vader en ik leken op elkaar: we konden hoog in de emotie schieten als we met iets zaten. Dan clashte het, en dat wilde ik óók niet. De laatste keer dat dat gebeurde, was mijn zoontje Billy, die nu 2 is, nog geen half jaar oud. Je wordt als jonge ouders gek gemaakt met waarschuwingen voor virussen, dus met een loopneus kwam je toen bij ons niet binnen. Maar mijn ouders kwamen op bezoek terwijl mijn moeder snotterig was. Ik heb toen iets gezegd als: hoe haal je het in je hoofd om verkouden binnen te komen – mijn woordkeus was niet goed, dat geef ik toe. Maar mijn vader nam het persoonlijk. We hebben op de hoek van de straat ruzie staan maken.
‘Daarna dacht ik: dit wil ik niet meer. Ik ben vanaf toen elke confrontatie uit de weg gegaan om maar de lieve vrede te bewaren. Dat is gelukt, maar ons contact werd nog oppervlakkiger dan het al was.
‘Ik hou van je, ik ben trots op je, het spijt me en dankjewel – die vier dingen heb ik de afgelopen jaren van mijn vader nooit gehoord. Het sijpelde wel door in de verhalen van anderen; op de uitvaart zei een vrouw tegen me: ‘Hij was zo trots op je.’ Ik was niet mega-geëmotioneerd die dag, maar op dat moment brak ik. Ik had het zo graag van hem zélf gehoord. Ik ben zelfs op zoek gegaan in zijn computer, op zijn bureau, naar een brief of een kaart die hij misschien voor me had achtergelaten. Maar je stelt jezelf teleur, ik vond natuurlijk niets.
‘Begrijp me niet verkeerd, mijn broer en ik hebben een fijne jeugd gehad. Vakanties, speelgoed, het ontbrak ons aan niets. Maar toen ik me in mijn tienertijd van mijn vader ging losweken, ging het schuren, want hij wilde dat ik de dingen op zíjn manier deed. Hij had een middelbare school voor me in zijn hoofd – toen ik voor een andere school koos, liet hij duidelijk merken dat hij daar niet blij mee was. Haalde ik daar een 9,8 voor Frans, dan zei hij: waarom is het geen 10? Misschien was dat een geintje, maar onderliggend voelde ik dat het nooit goed genoeg was voor hem.
‘Toen ik op mijn 18de het huis uit ging – ik regelde gewoon een kamer en ik fixte het, ik ging behoorlijk mijn eigen gang – was hij daar niet over te spreken. Hij nam me apart in een koffietentje en zei: je hebt dit niet goed aangepakt, opeens ben je weg. Nu denk ik: misschien zei hij daar, wat verhuld: joh, ik mis je. Maar dát kreeg hij niet over zijn lippen. Ik voelde altijd reserves. Vlak voor zijn dood hebben mijn vriendin en ik een dijkhuis gekocht uit 1890, binnenkort trekken we erin. Mijn schoonvader zei meteen enthousiast: geweldig, mijn handen jeuken om te komen klussen. Kon mijn vader niet. Die zei: ‘Waarom nu al een ander huis? Jullie zitten hier pas net.’
‘Hij kwam zelf uit een boerengezin met vijf kinderen, heeft mijn moeder me uitgelegd, zijn moeder overleed toen hij 18 was. Hij moet daar een flinke knauw van hebben gekregen, maar je emoties uiten gebeurde niet in dat gezin. Ik snap dus wel waar het vandaan komt, maar mijzelf kost het geen enkele moeite om de hele dag door tegen Billy te zeggen hoeveel ik van hem hou. Dus dat argument vervalt voor mij. Ik heb het ook geleerd.
‘Vier jaar geleden, bij de diagnose, hadden artsen gezegd: u hebt nog een jaar. Maar hij is heel lang stabiel gebleven – stabiel slecht, al bleef hij dus wel werken, en naar de voetbalclub gaan waar hij vrijwilligerswerk deed. Ik zou die laatste tijd aan mijn kleinkind besteden, maar mijn vader stond de menukaarten voor de voetbalkantine uit te printen, daar was hij nodig, vond hij zelf. Half april vorig jaar belde mijn moeder: het ging opeens heel slecht. Toen ik thuiskwam, lag hij op de bank. Ik ben nog pijnstillers voor hem gaan halen bij de apotheek, en toen ik terugkwam, is hij na een kwartier overleden. En zelfs in die laatste minuten heeft hij niets betekenisvols tegen me gezegd. Ik zei steeds: ‘We zijn samen, het is oké’, maar ‘Ik hou van je, papa’ heb ik zelf ook niet gezegd. Het lukte gewoon niet.
‘Twee jaar geleden was ik met vakantie in Amerika en daar zei iemand die ik ontmoette over zijn vader: ‘I just didn’t like the guy.’ Dat was voor mij best wel een eyeopener: o ja, dat kan natuurlijk, dat je niet zo’n klik hebt, dat is niets om je voor je te schamen. Mijn vader en ik waren gewoon niet elkaars persoon. Maar ik mis hem wel.
‘Ik stap binnenkort voor mijn werk over naar een nieuwe radiozender en ik weet zeker dat hij dat machtig mooi zou hebben gevonden. Hij volgde alles wat ik deed op de voet, elke minuut van mij op de radio kon hij in geuren en kleuren aan anderen navertellen. Van de zomer mocht ik optreden bij Te land ter zee en in de lucht: als hij nog had geleefd, had ik de hele autorit van Kaatsheuvel terug naar Edam met hem aan de telefoon gehangen. Dan had hij alles willen weten: hoeveel productielui liepen er rond, dat soort dingen. Maar zeggen: goed gedaan jongen, nee, dat kon hij niet.’
Leven na de dood is een rubriek in Volkskrant Magazine over rouwen en leven. Reacties: e.vanveen@volkskrant.nl
Wilt u alle verhalen, columns en rubrieken uit het nieuwste nummer lezen? Dat kan hier.
Geselecteerd door de redactie
Lees hier alle artikelen over dit thema
Source: Volkskrant