Maatschappij We zijn elkaar enerzijds te nabij gekomen, terwijl we anderzijds juist in losse delen uiteen dreigen te vallen, schrijft Hans Schnitzler. Het café is de plek om deze paradox op te heffen.
Stel je een groep stekelvarkens voor die op een koude winterdag dicht tegen elkaar aankruipen om zich tegen bevriezing te beschermen. Al gauw moeten ze zich toch weer van elkaar verwijderen, omdat die stekels er een onaangename bedoening van maken. De behoefte aan verwarming maakt echter dat de beesten keer op keer te dicht tegen elkaar aanschurken, „zodat ze steeds van de ene narigheid in de andere belandden, totdat ze een middelgrote afstand tot elkaar hadden gevonden waarbij ze het nog het beste konden uithouden”.
Hans Schnitzler is filosoof en publicist.
Wie op zoek is naar de voorwaarden voor een leefbare samenleving zou deze ‘parabel van de stekelvarkens’, opgetekend door de filosofische brompot Arthur Schopenhauer in zijn Parerga en paralipomena (1851), erop na kunnen slaan. De boodschap ervan? Mensen mogen misschien sociale dieren zijn, om het met elkaar uit te houden, zullen ze enige afstand tot elkaar moeten bewaren.
Evengoed geldt het volgende: zodra de afstand tussen mensen té groot wordt, dreigt er een kil of zelfs ronduit guur samenlevingsklimaat te ontstaan. De kunst van het samenleven vraagt om een balanceeract tussen afstand en nabijheid, waarbij de opgave luidt: hoe elkaar naderbij te komen zonder elkaar te verstikken en hoe, tegelijkertijd, de juiste afstand te bewaken zonder onverschillig te worden.
Op het digitale dorpsplein wordt deze samenlevingsregel met voeten getreden. Genetwerkte sociale-media-mensen zitten elkaar dusdanig dicht op de huid, dat ze elkaar, net zoals kippen in een overvolle kippenstal, bij het minste of geringste naar het leven beginnen te staan.
Wat nog altijd onderschat wordt, is hoezeer het oververhitte online-ethos, mede aangejaagd door de giftige algoritmische receptuur, zich een weg naar buiten vreet, naar de fysieke realiteit. Digitale werkmieren die altijd ‘aan staan’ en elkaar voortdurend in de nek hijgen dan wel de maat nemen, lopen het risico op kortademigheid. En wie te vaak naar adem hapt, is niet meer in staat helder na te denken, om nog maar te zwijgen over het vermogen om tot tien te tellen – medewerkers van pakketpunten kunnen er inmiddels over meepraten.
Tegelijkertijd leven we in een ‘contactloos tijdperk’, zoals de Britse econoom Noreena Hertz dat in haar indringende bestseller De eenzame eeuw (2020) noemt. Dat is een tijdperk van geatomiseerde individuen die het veelal zonder gemeenschappelijk referentiepunt moeten stellen. Waar het in deze eenzame en vergaand gedigitaliseerde eeuw aan ontbreekt, is wat ook wel een sense of place wordt genoemd: een gevoel van verbondenheid met je omgeving. Dit gebrek aan verbondenheid is geen vrijblijvende kwestie, want hoe contactlozer de tijden, des te wijdverbreider de gevoelens van eenzaamheid, verwijdering en vijandschap.
En zo zijn we in de paradoxale situatie beland dat we elkaar enerzijds te nabij zijn gekomen en anderzijds in losse delen uiteen dreigen te vallen; de samenleving is zowel oververhit als onderkoeld geraakt.
Als antwoord hierop klinkt de roep om gemeenschapszin alom. Dat brengt me terug bij Schopenhauers ‘middelgrote afstand’. Want de verleiding is groot om, ter reanimatie van een wij-gevoel, een vermeende collectieve identiteit in stelling te brengen – zoals de hersenschim die ‘de hardwerkende Nederlander’ heet – met al het stekelige wij-zijdenken van dien.
Willen we de les van de parabel van de stekelvarkens serieus nemen, dan moeten we op zoek naar eigentijdse kraamkamers voor gemeenschapsvorming. Dat wil zeggen: naar plekken waar de kunst van het samenleven, begrepen als de precaire evenwichtsoefening tussen afstand houden en toenadering zoeken, tussen ‘ik’ en ‘wij’, in praktijk wordt gebracht.
Wie zich hierin wil oefenen, zou kunnen overwegen om een traditioneel (buurt)café te bezoeken. In de luchtige samenklontering van cafédieren zijn namelijk aanwijzingen te vinden voor een gunstig leefklimaat. Zo biedt de (buurt)kroeg een laagdrempelig ruimte waar je zonder verstikkingsgevaar nader tot elkaar kan komen. Je kunt er verwijlen achter een krant of kop koffie of verzeild raken in een spontaan gesprek. En wat je afkomst of maatschappelijke positie ook is, of je nu theoretisch of praktisch geschoold bent, wie het tochtgordijn opzij schuift, laat dergelijke kwaliteiten buiten – het café fungeert als een sociale gelijkmaker.
Zodra je het café binnen stapt, betreed je een sociale microkosmos waar je alleen kunt zijn temidden van anderen. Dat lijkt misschien een triviale constatering, totdat je beseft dat ‘temidden zijn’ in het Latijn vertaald wordt met inter-esse, waar ons woord ‘interesse’ van afstamt.
Nu is het uiteraard niet zo dat de tussenwereld van toog en tapkast het alleenrecht heeft op de functie van oefenruimte in samenlevingskunst – ik zou haast zeggen: gelukkig maar. De eigenschappen die ik aan het café toedicht, vertonen verwantschap met wat men onder sociologen ‘derde plekken’ noemt. Dat zijn informele en levendige (semi)publieke ruimtes tussen de privé-omgeving en de werkplek in, die belangrijk zijn als mogelijke kraamkamers voor gemeenschapsvorming en die bovendien bijdragen aan een sense of place. Denk hierbij aan bibliotheken en buurthuizen, boek- en buurtwinkels, theehuizen en kapsalons, aan volkstuinen, parken en pleinen.
In een samenleving die neigt naar kortademigheid en verkilling, waar een zekere disbalans bestaat tussen ‘ik’ en ‘wij’, is het geen overbodige luxe om ademruimtes te creëren waar men in gelijkheid en verscheidenheid bij elkaar kan komen. Laten we díe ruimtes koesteren en cultiveren waar de tijd mag verstillen en we even halt kunnen houden, waar we de ander aanhoren en in de ogen kunnen kijken, waar ruimte wordt gemaakt door ruimte te laten, waar je elkaar ziet door elkaar te ontzien, vriendelijk balancerend op het koord tussen afstand en nabijheid.
„De leefbaarheid van een samenleving is afleesbaar in de kwaliteit van haar kroegen”, stelde de socioloog Gerrit Jansen in het vierhonderd pagina’s tellende proefschrift dat hij in 1976 wijdde aan het instituut kroeg. Hoewel dat instituut tanende is, biedt het nog altijd een geschikte oefenruimte voor samenleven in het algemeen en de omgang met relatief onbekenden in het bijzonder. Kortom, wie nog om goede voornemens verlegen zit: ga in je eentje of in een klein gezelschap, laat je laptop thuis en je smartphone in je broekzak, haal diep adem, en stap er eens naar binnen.
Source: NRC