Voor Bob Weir, medeoprichter, gitarist en soms zanger van Grateful Dead, was de long strange trip van de Amerikaanse hippierockgroep nooit voorbij.
schrijft voor de Volkskrant over popmuziek.
Hoe voelt het, vroeg een journalist ooit aan Bob Weir, om je oude bandmaten te zien sterven? Jerry Garcia (1942-1995) natuurlijk, maar ook veel anderen die, lang of kort, meespeelden met Amerika’s beroemde hippierocklegende, Grateful Dead?
‘Ik denk dat de dood voor veel mensen meer betekent dan voor mij’, zei Weir, een van de bandoprichters. ‘De dood is voor mij helemaal niet zo’n harde grens tussen nu en het hiernamaals.’
Misschien moeten we Weirs eigen sterven ook maar zo bezien. Het overlijden van de slaggitarist, soms ook songschrijver en zanger van ‘The Dead’, werd zaterdag bekendgemaakt door zijn familie. In 2025 werd kanker bij hem geconstateerd. Hij genas, maar een onderliggende longkwaal is hem, op zijn 78ste, fataal geworden.
Een van zijn dochters, Chloe, schreef: ‘Dit is een vaarwel dat geen einde is maar een zegening, een beloning voor een leven dat het waard was om te leven.’
Op oudejaarsavond 1963 wandelde de 16-jarige Weir door Palo Alto in Californië, toen hij vanuit een muziekwinkel banjoklanken hoorde. Dat was Jerry Garcia. Ze jamden urenlang en besloten een band te beginnen: The Warlocks, vanaf 1965 Grateful Dead. De band betrok een huis aan Ashbury Street in San Francsico, in hippiewijk Haight-Ashbury.
Weir was jonger dan de rest, maar werd geluidsbepalend: hij kon zijn voorliefde voor rock-’n-roll en country kwijt in de uitgesponnen jamsessies van de band, die langs talloze genres meanderden.
Weir bracht vaak iets van een conventionele structuur aan in de grenzeloze experimenten van Garcia en zong dan regelmatig. The Dead was geen singlesband, maar áls een liedje in de hitlijsten opdook, was Weir er vaak (mede)afzender van: The Other One op de psychedelische klassieker Anthem of the Sun (1968), Sugar Magnolia en vooral Truckin’ van het album American Beauty (1970).
Weirs gitaarspel werd steeds belangrijker. Bassist Phil Lesh noemde het quirky and goofy: vol van gekke vondsten. En dan te bedenken dat Weir in 1968 kortstondig uit de band werd gezet omdat Garcia en Lesh niet tevreden waren over zijn spel. Ze kregen snel spijt.
The Dead werd een uniek fenomeen in de VS, een band die dertig jaar lang vrijwel non-stop op tournee was en lange, bedwelmende concerten gaf voor arena’s vol nomadische ‘Deadheads’. Drugs? Nou en of. Ook Weir raakte meermaals verslaafd aan harder spul, zoals heroïne.
De dood van Garcia (1995) betekende het einde van de band, maar eigenlijk ook weer niet: de bandleden kwamen elkaar sinds jaar en dag tegen in nevenprojecten en aan The Dead verwante constellaties, compleet met Dead-repertoire. Zo zou het ook blijven. The Other Ones, RatDog, Kingfish, Furthur, Bob Weir Band, Dead & Company: Deadheads konden hun hart altijd wel ergens ophalen. En Weir deed altijd mee.
Soloalbums maakte hij ook, maar nooit omdat hij wilde loskomen van het moederschip. Op zijn solodebuut Ace (1972) speelde de voltallige Dead mee. Songs als Playing in the Band en Cassidy werden, in uitgesponnen live-uitvoering, Dead-klassiekers.
Zelfs na zijn kankerdiagnose waren er nog drie grote concerten in Golden Gate Park in San Francisco waaraan al zijn muziekvrienden meededen, de levende en de dode. Geen afscheid, maar een viering.
Natuurlijk waren er soms conflicten en voelde hij, als ingetogen jongen, rivaliteit met Garcia, die flamboyanter was, maar persoonlijke successen kende hij genoeg: als autobiograaf, als gepubliceerd auteur van korte verhalen, als onderwerp van de documentaire The Other One: The Long Strange Trip of Bob Weir (2014) en als maker van een americana-soloalbum, Blue Mountain (2016), waarop hij jonge bewonderaars als Josh Ritter en leden van The National aan zijn zijde vond. De veertiende plaats in de Amerikaanse albumlijst was een onverwacht groot succes.
Blue Mountain gaat over Weirs maanden als hulpje op een boerderij in Wyoming, toen hij 15 was. Dat was aanvankelijk zijn droom, het boerenbestaan, maar toen hoorde hij die banjo en begon de long strange trip die volgens Weir driehonderd jaar zal duren. We hebben dus nog even.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant