Charlotte Mutsaers (83) heeft naar eigen zeggen nooit verwantschap gevoeld met de tijdgeest. Dat Moet dwalen, haar eerste roman sinds negen jaar, leest als behoorlijk masculien proza, vindt ze dan ook ‘een prachtig compliment’.
We hadden elkaar op geen slechter moment kunnen treffen. Want Lola is dood. Een dag voor onze afspraak is de hond van Charlotte Mutsaers (1942) gestorven. ‘Waarschijnlijk is ze vergiftigd’, zegt de schrijver. Ze had de Russische Gorki vier jaar. En ze waren onafscheidelijk. ‘We deden alles samen.’
Hier zat ze altijd, wijst Mutsaers, op het bontvachtje voor het raam. Maar dat zal vanaf nu akelig leeg blijven. ‘Ik ben er echt heel erg overstuur van. Ik heb de hele ochtend gehuild en ben er niet zeker van dat ik het nog trek.’ Lola werd ziek op nieuwjaarsdag. ‘Vlak voordat ze stierf, keek ze me heel indringend aan. Wel twee minuten. Ik voelde: ze wil me iets vertellen, ze komt afscheid nemen. Zo ontroerend.’
Kort daarna vond ze Lola in de slaapkamer. Haar pootjes staken onder het bed uit. ‘Eerst durfde ik die niet aan te raken. Ten slotte deed ik het wel, en voelde ik dat haar pootjes koud waren.’
‘Het was alsof ik zelf stierf’, schreef Mutsaers op Facebook. Zo voelde het ook echt, zegt ze. ‘Nog steeds. Zo’n hond is je levenspartnertje.’
Mutsaers heeft de afgelopen jaren al veel leed te verstouwen gehad: haar zus overleed, en vier jaar geleden stierf haar man, biograaf Jan Fontijn. En nu dus Lola. ‘Ik weet werkelijk niet of ik hier nog wel overheen kom. Ik ben het vertrouwen in mezelf nu een beetje kwijt.’
De dood van haar huisdier werpt ook een forse schaduw over de verschijning van haar nieuwe boek Moet dwalen. Al strijkt ze wel liefdevol over de omslag van haar roman: een serie boompjes, getekend door haarzelf. Die omslag sluit naadloos aan bij het onderwerp van het boek.
In Moet dwalen raken een man en een vrouw tijdens een wandeling in een Frans bos niet alleen hopeloos verdwaald, maar ook nog eens verstrikt in felle echtelijke twisten, die uiteindelijk grote gevolgen krijgen.
Het is voor het eerst sinds negen jaar dat er weer een boek van Mutsaers verschijnt. Dat lijkt lang, maar ze doet gemiddeld zeven jaar over een boek. Elke dag schrijft ze gemiddeld vier uur. Voordat ze ’s morgens begint, leest ze eerst het hele boek vanaf het begin door. ‘Elke keer dat je het leest, zijn er weer dingen waarvan je denkt: dit kan beter.’
Ze schrijft sowieso langzaam. ‘Ik kom nooit in een flow, zoals ze dat noemen. Ik moet mezelf iedere dag opnieuw weer in het verhaal plaatsen. Ik heb als ik schrijf het gevoel dat ik zelf deelneem aan het verhaal. Net als de lezer weet ook ik niet wat er gaat gebeuren. Van tevoren bedenk ik niet in extenso hoe het verhaal zal verlopen. Dat gebeurt al schrijvend en komt neer op avontuur.’
Je weet niet precies waar je naartoe schrijft?
‘Helemaal niet. Ik schrijf nergens naartoe. Ik maak natuurlijk wel een hoofdpersoon. Die schep je. In die zin ben je goddelijk bezig. Iemand die levensecht voor me wordt en met wie ik me kan identificeren.
‘Als ik schrijf ben ik totaal angstloos. Dan zit ik in een andere wereld, die ik zelf gecreëerd heb. Je eigen leven stopt gewoon.’
Moet dwalen kenmerkt zich door behoorlijk masculien proza. Als je het mensen laat lezen, zullen ze eerder denken dat het door een man van 40 is geschreven dan door een vrouw van 83.
‘O, echt? Dat vind ik een prachtig compliment. Waarop doel je?’
Ik citeer uit een passage: Soms ziet hij zichzelf als een damesloodgieter, een woord dat in hem opkwam tijdens een oeverloze discussie en sindsdien in zijn hoofd is blijven hangen. Hij moet er zowel om lachen als om huilen. Hetzelfde geldt bij Fleurs aanhoudende geteem als hij zijn best doet om bij haar binnen te gaan: ‘Ben ik wel vochtig genoeg, ben ik wel nat?’ (...) Hoe krankjorum moet je zijn om zoiets te denken. Doorgaans is Fleur nog droger dan een kurk….
Ze vult het meteen aan al schaterend. ‘O ja, precies! En dan nog niet eens een champagnekurk. Ja, ik ken mijn hele boek uit mijn hoofd.’
Dat zou je als man niet meer op durven schrijven.
Geagiteerd: ‘Mannen moeten zich niets gelegen laten liggen aan die rare mannenhaat die nu bij sommige vrouwen leeft. Het is echt te gek voor woorden. Ik heb in mijn leven zo veel klappen op mijn bil gehad. Stel je vóór dat ik daarvoor naar de directie was gelopen. Hou nou toch op! En dan die praatjes dat ze zich in een collegezaal onveilig voelen. Wees blij dat je daar mag zitten en een knipoogje van je hoogleraar krijgt…’
Je zei onlangs in een interview: ‘Die hele MeToobeweging zal de geschiedenis ingaan als waanzin.’
‘Dat is ook zo.’
Het is toch belangrijk dat je onder de aandacht brengt dat mannen hun handen thuis moeten houden?
‘Zeker. Maar vrouwen hebben ook handjes hoor, en doen ook zeer verkeerde dingen. Laten we niet doen alsof vrouwen heilig zijn.’
Voel jij je nog verwant met deze tijdgeest?
‘Verwantschap met de tijdgeest heb ik mijn hele leven nog niet gevoeld, nooit. Ik ken genoeg aardige mensen en dieren waarmee ik me verwant voel. Daar gaat het om. De tijdgeest waarop je nu doelt, leeft overigens nauwelijks bij het merendeel van de mensen. Het is maar een kleine groep die steeds problemen maakt, voornamelijk linkse intellectuelen.
‘Je hoort als intellectueel tegenwoordig links te zijn. Ik ben zelf links noch rechts. Het enige echt linkse in mij is dat ik vind dat de salarissen nog steeds veel te veel uiteenlopen. Ik vind: een uur hard werken is gewoon een uur hard werken. Of je nu vrouw bent of man. En vooral dat het daarbij niet moet uitmaken of je gestudeerd hebt. Waarom moet een academicus meer verdienen dan iemand die broeken perst of straten maakt? Omdat hij een studie heeft voltooid? Maar de meeste mensen vonden hun studententijd toch heel erg leuk?’
Word je nou steeds beter als schrijver?
‘Ik heb niet het idee. Ik heb altijd goed kunnen schrijven. Dat is zo’n gave die je al of niet in het leven meekrijgt. Net als schilderen.’
Schilder je nog weleens?
‘Nee, ik kan het niet allebei tegelijk doen. Het is voor mij het een of het ander. Omdat ik beide dingen kon, dacht ik: ik ga ongeveer tot mijn 40ste schilderen. Daarna begin ik met schrijven. Daardoor was ik als schrijfster een late debutante.’
Wat veranderde er toen je ging schrijven?
‘Als je aan het schilderen bent, kun je nog denken: wat ga ik vanavond eten? Dat kan onder het schrijven absoluut niet, omdat je zo totaal ondergedompeld bent in een andere wereld. Daarin is zelfs voor de kortetermijntoekomst geen plaats.’
Je kunt niet zeggen: mijn boek is af, ik ga vanaf morgen weer schilderen?
‘Nee. Zo werkt het niet. Ik dacht gewoon: ik ga twintig jaar als een leeuw schilderen en daarna ga ik als een leeuw schrijven. En zo is het gegaan.’
Adri van der Heijden zei ooit: ‘Wat heel kwellend is, is dat je later geen enkele herinnering hebt aan al die uren dat je hebt zitten schrijven. Hoe kun je je in godsnaam herinneren hoe je een bepaalde toets van je typemachine aansloeg?’
‘Je kunt je net zo goed afvragen of er van andere uren van de dag wel veel details zijn bijgebleven. Ik zie die schrijfuren als puur genot. Ik creëer een eigen wereld. Niemand heeft daarbij een vinger in de pap, behalve ik. Heerlijk toch?’
Opeens klinkt er een hard metaalachtig geluid, ergens vanuit de keuken. ‘Hoorde jij dat ook?’, vraagt Mutsaers. ‘Wat was dat nou? Heb jij soms magische krachten?’ Ze staat op om de keukenkastjes te inspecteren. Maar er is niets bijzonders te ontdekken. ‘Gek hè’, zegt ze dan, weer terug op haar stoel. ‘Een beetje Poltergeist-achtig. Ik vind het heel raar.’
Vind je het eng?
‘Nee, helemaal niet. Wel als ik alleen zou zijn in een huis dat ik niet ken. Maar dit moet iets vriendelijks zijn. Misschien is het Lola wel. Ik geloof best in dat soort dingen.’
Niet zo gek, voor iemand die een katholieke opvoeding kreeg, in een religie waarin heiligen en wonderen een vaste plaats hebben. ‘Als je toch een godsdienst mag kiezen, dan zijn de rituelen in de katholieke kerk toch wel het mooiste. Ik vond het allemaal zo prachtig. Mijn vader zei wel: ‘Na de katholieke lagere school gaan jullie gewoon naar het stedelijk gymnasium.’ En zo is het ook gegaan.’
Het geloof is ze allang kwijtgeraakt. Want van een geloof dat dieren de toegang tot het hiernamaals ontzegt, moest ze niets hebben. ‘Niet voor niets heb ik houtsneden gemaakt bij Maarten Biesheuvels boekje Hoe de dieren in de hemel kwamen. Maar ik ben wel sterk gefascineerd door zaken die doorgaan voor paranormaal.’
Denk je veel na over de dood?
‘Dat heb ik altijd al gedaan. En nu dit met Lola is gebeurd, krijg ik meteen weer onverteerbare gedachtes daarover. Vanmorgen dacht ik: het kan me eigenlijk niks schelen als het vandaag afgelopen is. Zoiets heb ik nooit eerder gedacht. Door het werken aan dat boek en de ziekte van Jan heb ik een flinke achterstand opgelopen in het regelen van dingen. Ik moet nog een goed testament maken. Maar daar heb ik tegelijk zo’n weerzin tegen, want dan ben je alweer met de dood bezig. Ik vind doodgaan een van de wreedste dingen van het hele bestaan. En ook de hoofdreden om nooit in God te geloven.’
Maar je was er vóór je geboorte ook miljoenen jaren niet. Daar had je toch ook geen last van?
Ze kijkt me verbijsterd aan. ‘Nou zeg, doe er niet zo luchtig over. Dat is toch iets heel anders? Ik hou zo immens veel van alles, van elk bloempje dat er uitkomt. En mijn liefde voor Lola was zó groot. Ik moet nu opnieuw zoeken naar de zin van mijn bestaan. Mijn boek is net af, dus daar kan ik ook al niet meer induiken. Ik vermoed wel dat ik weer aan een boek begin; of ik het afkrijg is nog maar de vraag.’
Heeft schrijven ook een helende werking?
Met een vies gezicht: ‘Ja, natuurlijk.’ Maar sorry hoor, aan dat woord helend heb ik toevallig een bloedhekel. Zeg dan nog maar liever therapeutisch.’
Schrijven heeft alles met vrijheid van denken te maken. En die vrijheid wordt steeds meer ingeperkt, heeft ze ervaren. ‘De laatste jaren staat alles enorm op scherp.’
Voel je je ook geremd als je schrijft? Dat je denkt: ik kan dat beter toch niet zo opschrijven?
‘Soms wel. Ik heb bijvoorbeeld onlangs op Facebook een bericht gezet dat ik erg aangegrepen was door de dood van Brigitte Bardot. Ik bewonderde haar enorm, haar filmrol in La verité en haar niet aflatende strijd voor dieren. Daar kwamen heel nare reacties op.’
Ze doelt op een bericht van literair agent Paul Sebes. Die merkte op dat Mutsaers wel heel makkelijk voorbijging aan de zwarte kanten van Bardot, die openlijk het gedachtegoed van Le Pen aanhing. ‘De vader van Charlotte Mutsaers was ooit lid van de NSB en daar heeft zij nooit afstand van genomen, dus hoeft het niemand te verbazen dat ze BB ook een prima mens vindt.’
Ze krimpt ineen wanneer ik Sebes’ woorden citeer. Zichtbaar onthutst: ‘Niet te geloven toch?’ Ze wil er liever geen woorden meer aan vuil maken. Of het haar raakt dat iemand het verleden van haar vader erbij haalt? ‘Niet echt. Alsof ik me daarvoor moet verantwoorden. Je hebt geen enkele plicht om waar dan ook mee voor de dag te komen. Dat maak ik helemaal zelf uit. Bovendien is het jaren geleden in een uitgebreid interview dat ik met Mischa Cohen had voor Vrij Nederland, wel degelijk ter sprake gekomen. Maar dat wist die dommerik niet eens. Geen mens heeft mij daar destijds trouwens op afgerekend. Stel je voor. Ik begreep totaal niet waarop die man mij wilde pakken vlak voordat mijn boek verscheen. Hoe gemeen kun je zijn.’
Sebes bood vervolgens in een volgende post zijn excuses aan.
‘Dat heb ik niet gezien. Hij werd natuurlijk bang dat zijn stompzinnigheid zich wel eens tegen hemzelf zou kunnen keren. Ik lig er verder niet wakker van. Het zou me pas raken als zoiets abjects gezegd werd door iemand voor wie ik respect heb.’
Maar remt dat dan toch als je iets schrijft? Want je zei een tijd geleden ook: ‘Elke schrijver heeft tegenwoordig het gevoel dat er over zijn schouder wordt meegelezen.’
‘Dat komt omdat mensen in deze tijd zo lichtgeraakt zijn. Ik voel een heel sterke censuur. Voor de eigenheimers onder de schrijvers is dat verre van prettig. Ik probeer er niet te veel rekening mee te houden. Ik krijg bij dit boek misschien allerlei vrouwen over me heen. Maar ik ben zoals ik ben. Je suis comme je suis, je suis faite comme ça, om Jacques Prévert even te citeren. Mág het?’
Jij bent nu 83. Hoe is het om oud te worden?
‘Nou, daar had ik wel voor gewaarschuwd willen worden. Het valt me niet mee. Ik heb me zeker tot mijn 78ste heel jong gevoeld. Daarna veranderde dat een beetje, mede door de ziekte en de dood van Jan. En statistisch gezien kom ik al gevaarlijk dicht in de buurt van de dood. Dat vind ik een rotgevoel. Dat betekent wel dat ik het leven kennelijk toch nog tamelijk leuk vind. Tegelijkertijd heb ik nu zo’n ontzettend verdriet om Lola.’
Is dat een ander verdriet dan om Jan?
‘Dat ga ik niet vergelijken. Het zijn verschillende dingen. Bedenk wel: ik ben lang getrouwd geweest. Eerst nog een jeugdhuwelijk vanaf school. Heel kort daarna heb ik Jan ontmoet. Dus ik ben eigenlijk nooit alleen geweest. Nu ben ik pas echt alleen, sinds een paar dagen.’
Reist Jan nog met je mee?
‘Nee. Zo voelt het niet. Ik heb wel heel veel mooie herinneringen, bijvoorbeeld aan onze wandelingen. Wandelen vonden wij allebei het absolute einde. Eindeloos de bossen in, paddenstoelen zoeken.’
Jullie waren 53 jaar samen. Als je zo lang samen bent, dan vergroei je ook met elkaar. Word je daarna dan toch weer die ene alleen?
‘Ik was met Lola helemaal nooit alleen. Zij gaf me moed.’
Waaruit put je nog meer moed?
‘Uit de vrienden die ik heb. En door veel te lezen.’ Ze wijst op een hoge stapel boeken naast de eettafel. ‘Al die boeken die daar liggen heb ik na Jans dood gekocht.’
Denk je na over de toekomst?
‘Waarom vraag je dat nou? Ik zeg net: statistisch kom je dicht bij de dood. Dus is het niet zo leuk om dat te vragen.’
Misschien wil je weer een nieuw dier in huis…
Ontzet: ‘O, nee! Dat kán helemaal niet. De liefde voor Lola is te groot. Veel te groot.’
Wat maakt het leven voor jou ondanks alles de moeite waard?
‘Mijn vrienden en mijn werk. Maar ja, ik heb geen werk op dit moment. En aan een nieuw boek beginnen is misschien niet verstandig.’
Er zit nog wel een boek in jou?
‘O, ja. Wel drie. Maar of ik er daarvan nog één kan realiseren blijft de vraag. Want ik heb altijd geschreven met een hond onder de tafel. Ik kan niet schrijven zonder hond.’
1942 Geboren in Utrecht.
Studeert na haar gymnasium Nederlands, wordt docent Nederlands en volgt ondertussen de avondopleiding aan wat later de Gerrit Rietveld Academie zou gaan heten.
1983 Debuteert met Het circus van de geest. Schrijft nadien talrijke succesvolle boeken, waaronder De markiezin (1988), Rachels rokje (1994), Paardejam (1996), Zeepijn (1999), Koetsier herfst (2008), Tongetje in de Bijenkorf (2015) en Harnas van hansaplast (2017). Is in 1983 te gast in de eerste uitzending van het VPRO-boekenprogramma Hier is… Adriaan van Dis.
1985 Overzichtstentoonstelling in Gemeentemuseum Arnhem.
2000 Ontvangt de Constantijn Huygensprijs.
2010 Ontvangt de P.C. Hooft-prijs
Mutsaers was gehuwd met neerlandicus Jan Fontijn (1936-2022).
Charlotte Mutsaers: Moet dwalen. Prometheus; 288 pagina’s; € 24,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant