Home

Een Bowie Centre, een nieuw boek: tien jaar na zijn dood is David Bowie nog steeds springlevend

Tien jaar na zijn dood wordt David Bowie nog steeds vooral geassocieerd met zijn werk uit de jaren zeventig. Maar ook het wonderlijk mooie album Blackstar, dat enkele dagen voor zijn dood verscheen, klinkt nog altijd nog even imposant.

schrijft voor de Volkskrant over popmuziek en jazz.

Niet alleen de popwereld schrok, toen op maandagochtend 11 januari 2016 het nieuws kwam dat David Bowie was overleden. Het was een schok die iedereen voelde, want iedereen kende Bowie: van zijn hits en baanbrekende albums uit de jaren zeventig, en als trendsetter en acteur.

Ook was hij net het onderwerp geweest van een even imposante als succesvolle expositie in het Londense Victoria & Albert Museum. David Bowie Is..., waar driehonderd objecten uit het David Bowie-archief werden tentoongesteld, was sinds december 2015 ook in het Groninger Museum te bezichtigen. Net als in Londen was de expo iedere dag uitverkocht.

En dan was er ook nog een nieuw Bowie-album, Blackstar, dat 8 januari 2016 verscheen – op zijn 69ste verjaardag. Nieuwe albums van David Bowie waren allang niet meer zulk groot nieuws als in de jaren zeventig, toen platen als Station to Station (1976) of Heroes (1977) verschenen. Maar toen eind 2015 de eerste promo’s van Blackstar aan de pers werden gemaild, wist iedereen dat Bowie eindelijk weer een plaat had gemaakt die zich kon meten met zijn beste werk.

Niet alleen was de band waarmee hij het album had opgenomen, een New Yorks jazzkwartet dat buiten de jazzwereld nauwelijks bekendheid genoot, een verrassing. Ook de muziek was avontuurlijker dan verwacht: vernieuwend en toch vertrouwd, met een Bowie die zong alsof zijn leven ervan afhing.

Dat deed het ook, alleen wist niemand dat toen Blackstar op 8 januari verscheen. De Volkskrant had twee pagina’s uitgetrokken om het album te duiden, wat nog altijd een zeldzaamheid is. De krant sprak met drummer Mark Guiliana, die blij was dat hij eindelijk mocht praten over de opnamesessies die zo lang geheim hadden moeten blijven.

Hij wist toen het gesprek plaatsvond (in november 2015) dat Bowie ernstig ziek was en niet lang meer te leven had, maar dáár ging het gesprek niet over. Want niemand had ook maar het minste benul van Bowies ziekte: de Volkskrant niet, evenmin als alle andere media die rond die 8ste januari hun unaniem lovende recensies schreven. Zoals ook geen enkele theaterrecensent een paar maanden eerder bij de première van Lazarus, de voorstelling die Bowie samen met Ivo van Hove had gemaakt, had opgemerkt dat Bowie op dat moment al ernstig ziek was.

Knap verborgen

Bowie had zijn naderende einde knap verborgen weten te houden. Pas toen op 11 januari het nieuws van zijn dood naar buiten kwam, buitelden de Bowie-exegeten over elkaar heen met teksten van zowel Blackstar als Lazarus die naar zijn naderende einde hadden verwezen.

Hoe had de betekenis van regels als Look up here, I’m in heaven/ I’ve got scars that can’t be seen ons allemaal kunnen ontgaan? Of anders wel dit couplet uit het laatste nummer op Blackstar, I Can’t Give Everything Away:

Seeing more and feeling less
Saying no but meaning yes
This is all I ever meant
That’s the message that I sent

Omdat niemand er ook maar één moment aan had gedacht dat Blackstar bedoeld was als Bowies afscheid aan de wereld. Bowie was terug, had eindelijk weer een echt meesterwerk gemaakt. Dáár was iedereen mee bezig in de dagen voor zijn dood.

Dat de maker zijn eigen sterfelijkheid bezong, had hij goed verborgen weten te houden. Dat moet hem op zijn sterfbed toch nog een beetje goed hebben gedaan. Niet alleen kreeg hij nog mee dat zijn werk weer unaniem bejubeld werd, ook had niemand door dat het zijn zwanenzang was – daarvoor had hij de aanwijzingen goed genoeg verstopt.

Nog even imposant

Nu, precies tien jaar na zijn dood, klinkt Blackstar nog even imposant. Bowie heeft helaas niet mogen meemaken dat het album in veel landen de eerste plaats haalde, ook in de VS, waar het de eerste keer was dat dit met een Bowie-album gebeurde.

Maar wat een uitroepteken achter zijn oeuvre had moeten worden, is weliswaar geen vraagteken geworden, maar je kunt ook niet zeggen dat Blackstar net zo veel invloed heeft gehad op de popmuziek van de jaren erna als het geval was bij platen als Ziggy Stardust & The Spiders from Mars (1972) of Low (1977).

Dat is jammer, maar niet onbegrijpelijk. David Bowie zal altijd vooral geassocieerd worden met dat dozijn studioalbums dat hij in de periode van 1970 (The Man Who Sold the World) tot 1980 (Scary Monsters (and Super Creeps)) uitbracht. En bij die Bowie-canon kunnen we ook de monsterhit Let’s Dance uit 1983 rekenen, die hij samen met Nile Rodgers opnam. Maar eigenlijk is alles wat Bowie daarna uitbracht hooguit een voetnoot gebleken bij een oeuvre dat al voltooid leek.

Vooral de jaren zeventig

Je zag het terug op de tentoonstelling David Bowie Is..., waarvan vooral de beelden, de muziek en de objecten uit de jaren zeventig zijn blijven hangen. Maar ook in de drie jaar geleden verschenen documentaire Moonage Daydream van Brett Morgen lag de nadruk op de jaren zeventig. Sterker nog, de – toegegeven, niet erg sterke – platen van Bowies band Tin Machine uit 1989 en 1991 werden, net als veel andere minder geslaagde albums, door Morgen volledig genegeerd.

Waar Britse muziekbladen als Uncut en Mojo vol staan met terugblikken op Bowie-albums uit de jaren zeventig, zoals Station to Station in de Mojo van deze maand, lees je zelden iets over Tin Machine of over een andere interessante mislukking: Outside, dat Bowie in 1995 met Brian Eno maakte.

Documentaires, boeken en beschouwingen gaan altijd over de succesjaren, nooit over de periode dat Bowie echt zoekende leek, een periode die eigenlijk al na Let’s Dance begon. In de jaren tachtig groeide Bowie uit tot een van de eerste grote stadionattracties in de popmuziek. Maar zo hard als de stadions volliepen, zo erg liet zijn creativiteit hem in de steek. Albums als Tonight (1984) en Never Let Me Down (1987) zijn algemeen erkende dieptepunten in zijn carrière.

Creatief herpakt

Het zou interessant zijn om ergens te lezen hoe Bowie zich – met de Tin Machine-albums als curieuze tussenfase – in de jaren negentig creatief zou herpakken. Niet dat hij ooit nog de successen van weleer zou evenaren, maar zijn albums waren in ieder geval weer muzikaal interessant.

Of je nu zijn fascinatie met de zware industriële elektro van Nine Inch Nails op Outside (1995) neemt, of de kortstondige flirt met drum-’n-bass op Earthling (1997), je hoort op die platen wel een Bowie die echt geloofde in wat hij maakte. Een Bowie ook die op zoek bleef naar nieuwe inspiratiebronnen. Hij was inmiddels wel meer een trendvolger dan een trendsetter geworden, maar zijn smaak bleef onberispelijk.

Toen hij in 1995 de Pet Shop Boys vroeg zijn nummer Hello Spaceboy te remixen, kwamen ze met zo’n geweldige en ook hitgevoelige versie dat je wenste dat hij ze het hele Outside album onder handen zou laten nemen. En het is misschien niet de beste cover ooit, maar zijn versie van Cactus van de Pixies op het album Heathen (2002) liet in elk geval zien dat de alternatieve rockmuziek van de jaren tachtig en negentig niet geheel aan hem voorbij was gegaan.

Heathen en het helaas wat mindere Reality (2003) gaven hem ook weer zin en inspiratie voor een grote wereldtournee, die in 2004 ruw een halt werd toegeroepen toen Bowie in Praag werd getroffen door een hartaanval.

Onverwacht nieuw album

Negen jaar lang hoorden we niets van en over Bowie, tot daar vanuit het niets op 8 januari 2013, zijn 66ste verjaardag, het nummer Where Are We Now? verscheen. Een fraai melancholiek nummer, dat Bowie verder niet in interviews toelichtte, zoals we ook niets van hem hoorden toen twee maanden later al even onverwacht het album The Next Day uitkwam.

Bowie sprak niet met de pers, gaf geen optredens en hulde zich vanuit zijn appartement in New York in stilzwijgen. Het album – met dezelfde hoes als zijn album Heroes, maar dan bedekt een wit vlak – werd enthousiast onthaald. De term ‘return to form’ viel weer eens, zoals er bij het verschijnen van al zijn albums sinds de jaren negentig altijd wel iemand was die het zijn beste werk sinds Let’s Dance vond.

Bowie zelf hoefde niets te doen ter promotie van het album, want iedereen in de popwereld praatte toch wel over hem. Twee weken nadat The Next Day was verschenen, opende immers in het Victoria & Albert Museum in Londen de tentoonstelling David Bowie Is..., die er in vier maanden tijd het recordaantal van driehonderdduizend bezoekers zou trekken.

De tijd drong

Bowie zelf was er niet bij betrokken. Van The Next Day en de aanloop naar dat album was in Londen logischerwijs niets te zien of te horen, en Bowie onthield zich van ieder commentaar, ook toen de expositie vervolgens de hele wereld over trok. Hij had vanaf de zomer van 2014, toen bij hem leverkanker werd geconstateerd, ook wel wat anders te doen dan de pers te woord te staan. Zijn hoofd zat vol ideeën over theaterstukken en albums waarvoor hij de juiste personen moest vinden – en de tijd drong.

Bowie ging voor zijn nieuwe liedjes niet op zoek naar de gebruikelijke popmuzikanten, wat heel verstandig was. Want zelfs het veelgeprezen album The Next Day klonk, los van het magistrale Where Are We Now?, nogal gewoontjes: rechttoe rechtaan rock, zoals we dat wel van hem gewend waren.

Voor Blackstar koos hij voor het kwartet van de Amerikaanse tenorsaxofonist Donny McCaslin, waarin toen onder meer drummer Mark Guiliana speelde, aangevuld met jazzgitarist Ben Monder. Het leverde een even toegankelijk als vernieuwend album op, dat nog altijd niet met andere pop-, rock- of jazzalbums te vergelijken is.

David Bowie Centre

Het is ook vooral de totstandkoming van dit album dat de nieuwsgierigheid wekte, toen in september het David Bowie Centre de deuren opende, een bescheiden ruimte in het nieuwe V&A East Storehouse in de Londense wijk Hackney.

De permanente expositie neemt niet veel meer dan een gang en wat vitrines in beslag en zal een wisselende selectie uit het Bowie-archief tentoonstellen. Een soort mini-David Bowie Is... dus, met als aanvulling een soort studiecentrum, twee met glas ommuurde vertrekken waar bezoekers op afspraak kostuums, voorwerpen of documenten uit het archief kunnen bestuderen.

Het heeft iets aandoenlijks, dit David Bowie Centre, bijna letterlijk driehoog weggemoffeld achterin een opslagruimte in Oost-Londen. De entree is gratis, maar je moet wel even reserveren, staat op de website. Dat lukt de komende maanden al niet meer – maar het blijkt niet altijd noodzakelijk.

Op een woensdagmiddag in november kon je ook zonder reservering naar binnen. Het oog viel op veel bekende objecten, zoals de door Alexander McQueen ontworpen Union Jack-jas die Bowie draagt op de hoes van Earthling. Er zijn proto-synthesizers te zien en handgeschreven teksten, naast de afwijzingsbrief van Apple Records.

Aardig, net als de montage van Bowie video’s die hard door de ruimte schalt. Maar van de David Bowie uit zijn laatste tien levensjaren is niets te zien. Hebben de erven Bowie daarvan niets aan het archief achtergelaten? Of is er gewoon helemaal niets van Blackstar bewaard, behalve de muziek en een paar videoclips – die overigens best een apart plekje hadden verdiend.

Niet dat de samenstellers helemaal aan de actualiteit voorbijgaan, want er hangen ook platenhoezen van artiesten als Chappell Roan en Charli XCX, die zeggen erg door Bowie geïnspireerd te zijn.

Wie niet, zou je bijna roepen, als je hun toelichtingen leest. Maar we zijn niet naar Hackney gekomen om te zien wie er door Bowie beïnvloed is. We willen graag weten hoe hij zelf precies tot die wonderlijk mooie muziek op Blackstar gekomen is.

Daarvan is er in het David Bowie Centre geen spoor te vinden. Het is een bezoekje waard voor wie van mode en muziekinstrumenten houdt. Je krijgt een aardig overzicht van de succesjaren van Bowie, maar dat is dus niet waarvoor we kwamen. Uit documentaires en biografieën weten we inmiddels wel genoeg over Bowie in de jaren zeventig en tachtig. Maar hoe kwam hij na jaren van – op z’n best – middelmaat tot zulke grote hoogten op Blackstar? We zullen het voorlopig niet weten.

Overzichtelijk boek

Maar gelukkig is er nu eindelijk een boek dat zich volledig richt op de David Bowie zoals die zich vanaf zijn Tin Machine-periode ontwikkelde. Lazarus – The Second Coming of David Bowie van Alexander Larman beschrijft het minst geliefde deel van Bowies carrière tot aan bijna tien jaar na zijn dood, toen het David Bowie Centre de deuren opende.

Het zeer helder geschreven, overzichtelijke boek is hopelijk het begin van een reeks publicaties, films en boeken die zich nu eens niet richten op Bowies inmiddels journalistiek uitgekauwde topjaren. Blackstar verdient net zo veel lof als Hunky Dory (1971) of Young Americans (1975). En de muzikanten erop verdienen meer publiek dan het kwartet van Donny McCaslin.

Een paar maanden terug gaven ze in de Paradox in Tilburg voor nog geen tweehonderd bezoekers een weergaloos concert. Het siert ze dat ze niet willen teren op de roem van hun overleden broodheer en zelfs diens Lazarus niet meer standaard spelen.

Maar pijn doet het wel. Zo verdwijnt Blackstar toch een beetje uit de popgeschiedenis, waar het een veel prominentere plek verdient.

David Bowie Centre, V&A East, Hackney Wick, Londen. Dagelijks geopend.

Alexander Larman: Lazarus – The Second Coming of David Bowie.
New Modern Books; 400 pagina’s; € 29,99.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next