Dichter Sasja Janssen las Tussen heden en morgen, Jenny Erpenbecks verpletterende heruitgave van Aller Tage Abend. Die gaat over de wat
als-vraag, over vijf mogelijke levens van één persoon. En passant trekt de hele Europese 20ste eeuw aan je voorbij.
Vlak voor het college over Sein und Zeit loop ik nog even de VU-boekhandel binnen, waar ik geïntrigeerd raak door de titel Tussen heden en morgen, een roman van Jenny Erpenbeck die een knipoog lijkt te maken naar dat standaardwerk van Heidegger.
De titel roept een liminale ruimte op, een soort niemandsland, een blank canvas waarop je een leven denkt uit te kunnen tekenen dat je óók geleefd zou kunnen hebben als je niet zou zijn gestorven – mooi verbeeld door het wintermotief in het boek, de winter als stilstand, de grens tussen leven en dood.
Aller Tage Abend (2012) verscheen in 2014 als Een handvol sneeuw, bekroond met de Europese Literatuurprijs en The Independent Foreign Fiction Prize.
Nu is er dus deze heruitgave – geen hertaling, verzekert haar vaste vertaler Elly Schippers me, Erpenbeck is van uitgever veranderd en De Geus is van plan nog meer titels van de backlist uit te gaan geven.
Deze nieuwe titel past vanwege het thema ‘tijd’ beter bij haar roman en maakt nu tevens verbinding met haar andere roman, Kairos (2024). Hij verwijst naar de Duitse uitdrukking ‘Am Ende eines Tages, an dem gestorben wurde, ist längst noch nicht aller Tage Abend’, met andere woorden: tussen heden en morgen kan er nog van alles gebeuren.
Op de eerste bladzijde, die me betovert en die niet zou hebben misstaan als prozagedicht, worden achtereenvolgens een baby, een 3-jarig meisje met een schooltas, een 10-jarige die pianospeelt, een jongvolwassene met koperrood haar, een moeder en een oude vrouw begraven. ‘Als iemand sterft’, zei Erpenbeck in een interview met Margot Dijkgraaf, ‘denk je vaak: wat zou er gebeurd zijn als die knip in het leven op een ander moment zou zijn gemaakt? In mijn boek wilde ik die knip op verschillende plekken maken. Dan krijg je een verhaal dat iets vertelt, weer terugkomt, weer iets anders vertelt, en zo blijven de mogelijkheden uitdijen.’
Er worden vijf mogelijke levens geschetst die de maidele, geboren in 1902 uit een Joodse moeder en een katholieke vader (‘de goj’), had kunnen leiden als ze niet was gestorven aan de wiegendood; als de moeder een handvol sneeuw onder het hemdje zou hebben gestopt waardoor ze weer zou zijn gaan ademen.
‘Wat als?’ is de leidende vraag die het hoofdpersonage steeds op een andere leeftijd, in een ander land en een andere politieke situatie plaatst, waardoor je een heel leven én de hele Europese 20ste eeuw voorbij ziet trekken. Van Brody in Galicië (het huidige Lviv) leidt Erpenbeck je via Wenen (1919), Moskou en de Goelag (1940), en de DDR (1960) naar het Berlijn van de jaren negentig.
Het boek is, hoe universeel ook, gebaseerd op Erpenbecks grootmoeder Hedda Zinner, bestsellerauteur in Oost-Duitsland, die met een niet-Joodse man trouwde om aan het lot (of is het de gruwel van het toeval) te kunnen ontkomen. De mogelijkheid een leven te kunnen leiden dat de andere kant opvalt, als fundamenteel verzet tegen de definitieve knip van het antisemitisme.
Erpenbeck gebruikt verschillende registers en vormen, van spreektaal tot poëtische taal tot schetsmatig, als de taal van het communisme. Tegelijkertijd is het schrijven zelf onderwerp. ‘Misschien lukt het haar zich al schrijvend te redden en de loop van haar leven te verlengen’, schrijft het hoofdpersonage in haar levensgeschiedenis. In een ander ‘boek’ valt een schrift met dagboekaantekeningen in de modder van een concentratiekamp, ‘wind en regen zullen erin bladeren (...) tot alle geheimen dezelfde kleur hebben als het slijk’.
Ik word vaak van mijn sokken geblazen, het is moeilijk om in één pagina recht te doen aan dit briljante boek. Naast de vele thema’s – het antisemitisme, het marxisme, heimat of vlucht voor vervolging, de kracht van fictie, waarheid en leugen – is het de tijd zelf, en dus ook de dood, die geraffineerd de compositie dicteren.
Het verleden komt telkens tevoorschijn in het heden, via Jiddische zinnen van de grootouders die als mantra’s door het boek heen duikelen, citaten uit de Talmoed, een dichtregel van Majakovski, kinderliedjes, mythes, maar ook via de door de familie gekoesterde objecten die in elk leven terugkomen als een soort bewaarde tijd.
Zoals het Verzameld werk van Goethe in de Tweede Wereldoorlog wordt verhandeld door de nazi’s, en op het einde van het boek door Sasja, de zoon van de hoofdpersoon, in een antiquariaat wordt aangetroffen, niet wetende dat de tien delen van zijn gedeporteerde grootmoeder waren. Zo verdwijnen alle sporen van een leven. ‘Zijn of niet zijn’, zegt de Gestapo bij het aantreffen van de delen in een koffer, tijdens het leegruimen van Sasja’s voorouderlijk huis.
Het zijn niet eens de mogelijkheden – wat als je aan de dood zou ontkomen, deel wordt van een andere geschiedenis – of de schrijnende scènes waarin de persoonlijke tijd wordt verbonden aan de politieke tijd, maar het is de onthutsende heelheid van elk leven, afgezien van de duur, die me zo treft.
Van de baby ‘die maar weinig tijd nodig had om iets uit een ander leven tot een goed einde te brengen’ tot aan de oversteek van Sasja’s moeder naar het woordeloze land waar ‘het verre en het nabije, het binnenste en het buitenste, het dode en het levende tegelijk aanwezig waren’.
Volgens Heidegger is de dood de oereigen mogelijkheid van het Dasein, en dien je, om oorspronkelijk te leven, je eigen dood onder ogen te komen. Dat is precies wat Erpenbecks personages pogen. ‘Zai moichl oen fal mir maine trep nit aroenter’: zolang je in de wereld existeert, val je (Heidegger indachtig) niet uit de gewezenheid, heden of toekomst, tot ‘dat ogenblik waarop alles tegelijk aanwezig was’ en ‘dat eeuwig zou duren’.
Jenny Erpenbeck: Tussen heden en morgen. Uit het Duits vertaald door Elly Schippers. De Geus; 272 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant