Iran Onder andere met een internetblokkade probeert het Iraanse regime de protesten de kop in te drukken. Kort daarvoor had NRC contact met een aantal Iraniërs die vertellen over hun ervaringen met demonstraties en repressie. „Ik ben constant bang. Er zijn veel agenten die de protesten onderdrukken, maar ik heb ook hoop.”
Op beelden van sociale media, die op 9 januari verspreid werden, zijn brandende voertuigen te zien bij protesten in Teheran. Sinds het regime donderdag het internet in Iran uitschakelde, komt er weinig informatie meer naar buiten.
De nieuwste golf protesten in Iran begon vanuit onverwachte hoek: winkeleigenaren in de Grote Bazaar van Teheran demonstreerden eind vorig jaar tegen hyperinflatie. Traditioneel steunden deze winkeliers de Islamitische Republiek; ze namen niet deel aan de grote protesten in 2022.
Sindsdien breiden de demonstraties zich uit tot alle 31 provincies van het land. Als reactie heeft het regime donderdagavond het internet in Teheran en grote delen van het land afgesloten. Het is daardoor nog lastiger geworden een beeld te krijgen van de ontwikkelingen in het land.
Volgens de schaarse informatie die wel nog naar buiten komt, treden de autoriteiten na een aanvankelijk ingetogen reactie inmiddels hard op tegen de protesten. De BBC meldde zaterdag op basis van contacten met plaatselijke artsen dat ziekenhuizen in verschillende steden de toestroom van gewonde demonstranten niet meer aankunnen. Er zouden volgens mensenrechtenorganisaties al zeker vijftig actievoerders zijn omgekomen, een Iraanse arts spreekt tegenover het blad TIME zelfs over meer dan tweehonderd doden.
Wat begon met economische onvrede bij bakkers, bazaarhandelaren en studenten, heeft zich verbreed tot oproepen tot politieke verandering. Demonstranten scanderen slogans tegen de Islamitische Republiek en zingen: „Dit is het einde van het verhaal, Pahlavi komt terug.”
Dat verwijst naar de dynastie van de sjah, die in 1979 werd verdreven. Diens zoon Reza Pahlavi, die in ballingschap in de Verenigde Staten woont, riep demonstranten zaterdag via sociale media op om Iraanse steden te bezetten, en zei dat zijn terugkeer „nabij” is.
Maar volgens de in Finland woonachtige Anahita Vahidi (27) betekent de leus niet dat iedereen terug wil naar de Pahlavi-dynastie, „maar dat ze verlangen naar wat zij zien als de glorie van die tijd.” Ze heeft elke dag contact met haar familie en volgt zoals vele vluchtelingen de ontwikkelingen op de voet.
Alle generaties demonstreren, blijkt uit het contact van NRC met een gezin waarvan moeder en zoon de straat op gaan. Ouderen vooral vanwege de economie: pensioenen zijn minder dan 100 euro per maand, terwijl de prijzen volgens Vahidi inmiddels vergelijkbaar zijn met die in Finland.
Gen Z is bereid risico’s te nemen. „Ze zijn niet bang hun leven te riskeren voor vrijheid. De combinatie van ouderen die economisch worstelen en onbevreesde jongeren is krachtig.” zegt Vahidi.
Volgens Vahidi heeft de nieuwe generatie vaardigheden die nu goed van pas komen. „Mijn generatie groeide op met propaganda én internet. We zijn experts geworden in het onderscheiden van onzin en feiten”, zegt ze.
Een still uit een amateurvideo van vrijdag, in handen van Associated Press, laat protesten in Teheran zien.
Vanuit Finland kijkt Vahidi met hoop naar de protesten. „Dit opent de mogelijkheid tot verandering. De Islamitische Republiek is nu op haar zwakst.”
NRC had recent contact met diverse Iraniërs die deelnemen aan de protesten of daar getuige van zijn. Uit veiligheidsoverwegingen blijven zij anoniem, hun namen zijn bij de redactie bekend.
NRC sprak woensdag, de avond voordat het internet werd uitgeschakeld, met een Iraanse docent (47) uit een klein stadje in het westen van Iran. Ze protesteert dagelijks tegen het regime, samen met haar vijftienjarige zoon en haar zus.
Hoewel het land economisch lijdt, heeft haar gezin daar relatief weinig last van. Haar man heeft een goede baan, waardoor ze de inflatie minder merken; ze kunnen nog steeds basisboodschappen betalen. „Als ik egoïstisch was, zou ik thuis blijven”, zegt ze. „Mijn brood en rijst staan niet op het spel. Het is heel eng om de straat op te gaan. Maar ondanks de angst ga ik mee, omdat ik wil dat iedereen heeft wat ik heb.”
Beeld uit een amateurvideo van een protest in Teheran, vrijdagavond.
Ze wijst trots naar haar zoon die naast haar op de bank zit. „Hij is vijftien en gaat elke dag mee naar de protesten.” Hij leunt verlegen naar de camera en zwaait. „Ik ga meestal met vrienden, we lopen door de straten. Als iemand een leus begint, doen wij mee en ontstaat er een protest.”
Zoon: „Omdat de protesten al een tijd duren, is er veel politie. We verzamelen niet meer op de hoofdstraat, maar in kleinere steegjes, waar minder politie is, en beginnen daar te roepen – meestal zo’n honderd mensen per steeg. Voor een klein stadje als het onze is dat veel. Als de politie komt, gooien we stenen naar ze. Soms schieten ze terug met rubberkogels, rechtstreeks op de menigte.”
Docent: „Ik ben constant bang. Meerdere keren probeerden de agenten een stroomstootwapen op mij te gebruiken, maar elke keer kon ik wegrennen. Als we de straat op gaan, dragen we zwarte kleding en maskers. Het engste vind ik dat je, eenmaal gearresteerd, niet weet wat ze met je zullen doen.
„Een groot probleem is dat mensen elkaar niet vertrouwen tijdens de protesten, omdat veel agenten zich vermommen als demonstranten. Ik raakte mijn zus laatst kwijt in de menigte. Ik vroeg aan demonstranten of ik hun telefoon mocht gebruiken om haar te bellen, maar niemand wilde helpen. Ze waren bang dat ik een agent was.
„Tegelijkertijd helpen mensen elkaar ook. Als we voor de politie vluchten, openen winkeliers hun rolluiken, laten ons binnen en sluiten de winkel weer om ons te verbergen.”
Docent: „De protesten ontstaan organisch. We lopen gewoon door de straten alsof we aan het winkelen zijn. Als iemand begint te roepen, durven anderen mee te doen. Soms schreeuwt de politie tegen mensen die alleen lopen maar lijken te willen protesteren: ‘Het is koud, ga naar huis!’
„Sommige politieagenten tonen sympathie. Als we een overwinningsteken maken, knipogen ze soms naar ons of draaien zich om alsof ze niets zien. Maar de meesten zijn wreed, vooral de geheime agenten zonder uniform. Ze volgen mensen als honden en grijpen ze ineens.”
Docent: ”Ze kleden zich als gewone demonstranten, maar de manier waarop ze kijken is anders – zwaar. Ze staan vaak bij de ingang van een steeg en praten onder elkaar. Het is een intuïtie die je ontwikkelt met ervaring.
„Een paar dagen geleden viel een groep agenten in burger plotseling twee willekeurige mensen aan en arresteerde hen. Niemand deed iets uit angst zelf gepakt te worden. Ik begon te schreeuwen: ‘Laat ze los!’ Ze lieten één persoon gaan, maar de ander werd meegenomen. Daarna probeerden ze een stroomschokapparaat op mij te gebruiken, en ik moest rennen.”
Hoeveel vrijheid heb je als docent in de klas?
Docent: ”Als ik merk dat leerlingen dezelfde ideeën hebben, bespreek ik soms onderwerpen die we eigenlijk niet mogen bespreken. Een keer kreeg ik een telefoontje van een onbekend nummer. Het was de veiligheidsdienst: ‘Let op je woorden in de klas.'”
Docent: „Ik ben erg bang. Ik zeg altijd: wees voorzichtig, praat niet als niemand anders roept, ren weg als je gevaar voelt. Ik ben bang als hij gaat, maar ik stop hem niet. Hij is erg moedig. Hij heeft ooit een politieagent achtervolgd. Ze hebben een politiemotor in brand gestoken.”
Beelden van de Iraanse staatstelevisie toonden brandende voertuigen tijdens een avond vol massale protesten in de stad Zanjan, in het noordwesten van het land.
Zoon: „We zochten een plek zonder politie, en blokkeerden de straat met vuilnisbakken en hekken zodat de politiemotoren niet konden passeren. Toen de politie kwam, schoten ze met rubberkogels. Wij achtervolgden ze met stenen en ze renden weg. Het voelde als een oorlogssituatie.”
Zoon: „Het doel is om de politie bezig te houden. Onze stad is niet het centrum voor de protesten, maar als wij de lokale politie bezighouden, zijn er minder agenten beschikbaar in de grote steden, waar grotere veranderingen kunnen plaatsvinden.”
Docent: „Ze zouden moeten ingrijpen. Wij wachten daarop. We hebben niet genoeg macht om het regime zelf omver te werpen.”
„Netanyahu. Meer dan elke andere leider. We houden van het Israëlische volk en waarderen dat ze om ons geven. Als Netanyahu helpt, wordt hij deel van de Iraanse geschiedenis. We zullen altijd dankbaar zijn. Na deze regering willen we goede relaties met Israël.
„Veel Iraniërs verwelkomden de Israëlische aanvallen op nucleaire faciliteiten [in juni 2025]. Wij zijn het enige land dat verdrietig werd toen de oorlog eindigde. We hoopten dat die de regering zou neerhalen.”
„Het belangrijkste is laten zien wat er met ons gebeurt – de wreedheden. Dan zullen mensen in het Westen, veilig thuis, niet meer roepen ‘stop buitenlandse inmenging’, maar begrijpen wat onze realiteit is. We vragen om hulp.”
Demonstranten hielden vrijdag een steunbetoging bij de Iraanse ambassade in Londen.
Demonstranten hielden vrijdag een steunbetoging bij de Iraanse ambassade in Londen.
Demonstranten hielden vrijdag een steunbetoging bij de Iraanse ambassade in Londen.
Aanhangers van de Iraanse oppositie demostreerden vrijdag in Brussel tegen het regime in Teheran.
Aanhangers van de Iraanse oppositie demostreerden vrijdag in Brussel tegen het regime in Teheran. EPA/OLIVIER HOSLET
NRC vroeg een arts in Teheran (50, naam bekend bij de redactie) naar zijn ervaringen tijdens de protesten. Donderdag hield hij voor NRC een dagboek bij over wat hij merkt van de huidige onrust.
06.00 uurIk word vroeg wakker. Het eerste waar ik aan denk is wat er vannacht op straat gebeurd kan zijn. Ik vraag me af hoe erg het was. Hoe gewelddadig mensen zijn behandeld. Ik moet denken aan de demonstraties na de dood van Mahsa. Ik heb die van dichtbij meegemaakt, oog in oog. De mensen die de menigte aanvielen voelden onmenselijk — niet als politie, niet als gewone mannen. Ze waren agressief als dieren, zweetten hevig rond hun nek en gezicht, hun ogen waren overprikkeld, hun bewegingen scherp. Het deed me denken aan mensen onder invloed van drugs.
Op weg naar mijn werk zien de straten er normaal uit. Zelfs tijdens de meest angstaanjagende dagen van de twaalfdaagse oorlog met Israël hield de stad haar gewone ritme. Mensen gaan naar hun werk, kopen brood, wachten voor het stoplicht. Maar onder het oppervlak klopt er iets niet. Iets is onrustig, scheef.
11.00 uurOp het werk is het patroon vertrouwd. Gesprekken met patiënten gaan al snel over geld. Vrienden met een bescheiden inkomen vertellen dat de prijzen opnieuw zijn gestegen. In een paar dagen zijn de prijzen van basisproducten verdubbeld of zelfs verdrievoudigd. Er zit verdriet in hun stemmen, en angst, al wordt die zelden hardop uitgesproken.
Er is ook iets nieuws: een broos gevoel van hoop, dat er misschien iets zou kunnen veranderen. Maar iedereen spreekt voorzichtig. We weten allemaal dat er overal ogen en oren zijn.
18.00 uurOnlangs probeerde ik een kind met leukemie te helpen om chemotherapie te krijgen. Na veel pogingen lukte het ons om het medicijn te vinden, maar tegen een extreem hoge prijs.
Ik weet niet goed hoe ik het gevoel moet beschrijven van het zien lijden van een kind, terwijl de ouders worstelen om de behandeling te kunnen betalen. Het medische probleem is helder; het menselijke probleem is ondraaglijk.
21.00 uur
Op weg naar huis zie ik groepen zwaarbewapende motorrijders die zich hebben verzameld bij kruispunten en pleinen. Ze staan daar doelbewust, observerend. Tegelijkertijd zijn de straten vol jonge mensen. Ze staan in groepjes bij elkaar, niet gehaast, niet schreeuwend — gewoon aanwezig, alert. Hun samenzijn op zichzelf voelt als een statement.
Ik probeer binnendoor te gaan om de grote wegen te vermijden, maar overal is het druk. Ondanks de spanning voel ik iets anders door de lucht bewegen — geen angst, maar verwachting. Ik besef dat ik hoop bijna kan ruiken.
Ik denk dat mensen dit keer serieus zijn. Ze luisteren en bereiden zich voor. Het voelt alsof deze avond een begin kan zijn — niet luid, niet dramatisch, maar stil en vastberaden. Wat er ook gebeurt, er is al iets verschoven.
Ik fluister een korte wens voor mezelf: voor Iran, en voor de moed van zijn mensen.
Source: NRC