Racisme „Mijn land heeft nooit verdraagzame leiders gekend die alle culturen benadrukken”, zei de Soedanese zanger Abdel Karim al-Kabli in 2000. Waar dat toe zou leiden toont de genocidale oorlog in Soedan.
De 26-jarige Soedanese Soumaina Adam Sein staat in de rij om zich te registreren in een vluchtelingenkamp in Tsjaad november vorig jaar.
Eventjes stonden in Soedan alle neuzen in dezelfde richting. Na een volksopstand tegen president Bashir in 2019 trok het land gezamenlijk op tegen het uit elkaar spelen van de bevolking op basis van ras en religie, wat leidde tot conflicten. Kunstenaars en jongeren straalden eendracht uit. Woordkunstenaars gaven vleugels aan de magie van de revolutie bij massale sit-ins en rappers krikten de stemming verder op.
Dat duurde niet lang. Enkele maanden later sloeg de oude elite terug en werden de betogers door leger en milities van de straten geschoten. Het leidde uiteindelijk tot een oorlog in 2023 tussen het regeringsleger van president Burhan en de paramilitaire Rapid Support Forces van krijgsheer Hemedti.
Duizend dagen lang duren inmiddels de gevechten die misschien wel de meest destructieve in ’s lands geschiedenis zijn geworden. Schattingen van het aantal doden lopen op tot 150.000 met daarnaast miljoenen vluchtelingen en vele kapotgeschoten steden. In het land vinden etnische zuiveringen plaats, bevolkingsgroepen worden aangevallen en vermoord. Mensenrechtenorganisaties spreken van een genocide.
Uiteindelijk legde die eendracht in 2019 het af tegen het superioriteitsgevoel van sommige leden binnen de heersende Arabische elite in Soedan. Dat gevoel stak opnieuw de kop op en ligt aan de basis van een van de wreedste oorlogen in Afrika. De vloek van Soedan is de verdeeldheid zaaiende politieke klasse, die de verscheidenheid aan rassen, stammen en religies misbruikt voor een verdeel-en-heerspolitiek die het land fataal wordt. „Mijn land heeft nooit verdraagzame leiders gekend die alle culturen benadrukken”, zei de Soedanese zanger Abdel Karim al-Kabli in 2000 in NRC.
Hij bestudeerde ritmes en folklore en ontdekte hoe multicultureel de Soedanese beschaving geworden was. „De diatonische toonladder van Soedanese muziek is Afrikaans, niet Arabisch. Met veel levensgevoel, de muziek van de natuur. De mengeling van tradities heeft een lange weg afgelegd in een land waarin nu vijfhonderd talen en dialecten worden gesproken. Zo’n bont mengsel creëert een prachtige nieuwe cultuur, die noch Arabisch noch Afrikaans is, maar Soedanees. We hebben behoefte aan democratische partijen die een concept uitdragen hoe van dit diverse land één staat te maken. Gaan we door op de huidige voet, dan wordt het nooit iets met Soedan.”
Soedan kent een lange geschiedenis van culturele, taalkundige en religieuze verwevenheid. Door zijn ligging aan de Rode Zee en tussen Noordoost-Afrika en het Arabisch schiereiland hebben zich door de eeuwen heen uiteenlopende identiteiten ontwikkeld, waarin Afrikaanse en Arabische invloeden samenkomen. Veel Soedanezen identificeren zich langs regionale, etnische of taalkundige lijnen, vaak los van strikte categorieën als ‘Arabisch’ of ‘Afrikaans’.
Na de onafhankelijkheid van Soedan in 1956 kwamen bestaande machtsongelijkheden scherper aan het licht. In de politieke onderhandelingen kregen bevolkingsgroepen uit het zuiden en westen van het land nauwelijks invloed. Sleutelposities binnen staat en leger gingen vooral naar elites die Arabisch spraken en cultureel dominant waren. Die ongelijkheid zette zich voort in de economie en het publieke leven. Het systeem kende geen formele apartheid zoals in Zuid-Afrika, maar in het dagelijks leven was het onderscheid zichtbaar: laagbetaald en informeel werk werd vrijwel volledig verricht door mensen uit gemarginaliseerde gemeenschappen. Het was geen legale apartheid, zoals in Zuid-Afrika, maar na de onafhankelijkheid waren alle straatjochies, autowassers en loopjongens wel zwart.
Grootschalig geweld in Soedan is verweven met langdurige processen van racialisering en uitsluiting, waarbij bevolkingsgroepen die als ‘Afrikaans’ worden gezien structureel zijn gemarginaliseerd door elites die zich als ‘Arabisch’ identificeren. In regio’s als Darfur en het voormalige Zuid-Soedan kreeg die hiërarchie een gewelddadige uitwerking, met oorlogen, massamoorden en etnische zuiveringen tot gevolg.
De huidige strijd tussen RSF-leider Mohamed Hamdan Dagalo, bekend als Hemedti, en president Abdel Fattah Burhan past in die langere geschiedenis van gemilitariseerde macht, waarin etnische en raciale labels herhaaldelijk zijn ingezet om geweld te legitimeren en burgerleed te negeren. Ook eerdere regeringen grepen terug op door de staat bewapende milities om controle te behouden over gemarginaliseerde regio’s. In de jaren tachtig gebeurde dat onder premier Sadiq al-Mahdi in het overwegend niet-islamitische zuiden, waar aangescherpte etnische en religieuze tegenstellingen uitmondden in grootschalig geweld tegen burgers.
In 1987 sloten die milities onder toeziend oog van de politie bij El Daein honderden zuidelijke Dinka’s, een zwarte etnische groep, op in treinwagons en staken deze in brand. Eenzelfde politiek van uitroeiing past de RSF nu toe op de zuidelijke bevolkingsroepen Massalit, Fur en Zaghawa, met zeker 18.000 doden als gevolg.
Soedanese leiders laten onverbloemd weten hoe zij over de zwarte bevolking denken. De woorden van Sadiq, premier van 1966 tot 1967 en van 1986 tot 1989, waren doorspekt met laatdunkendheid voor zwarte Soedanezen. In een gesprek met christelijke leiders in het zuiden dreigde de premier met de uitroeiing van alle zuiderlingen. Als kleinzoon van de roemruchte imam de Mahdi (de Verlosser), die in 1885 de Brits-Egyptische kolonisten verdreef, wilde hij in de voetsporen van zijn grootvader treden door het niet-islamitische zuiden te veroveren om daarna de islam daar te verspreiden.
Oud-president Omar el-Bashir ging nog een stapje verder in zijn minachting. Hij refereerde eind vorige eeuw aan zwarte Soedanezen als ‘zwarte plastic zakken’. De term werd door zijn ambtenaren en in de media gebruikt om te verwijzen naar mensen uit het Nubagebergte, de Darfur en Zuid-Soedan.
Politici uit Zuid-Soedan noemde hij insecten. „Ze moeten worden gedisciplineerd door de stok”, vond Bashir. De verwijzing naar een stok refereerde aan een gedicht van de in 915 geboren Arabische poëet Abu al-Tayib al-Mutanabi die schreef: ‘Gij zult geen slaven kopen zonder een stok, want slaven zijn smerig en lastig.’ Op het curriculum op Soedanese scholen stond het werk van de Libanees Aliya Abu Mahdi, die dichtte: ‘Alles in ons land is mooi… behalve de mensen met een zwarte kleur.’ Een straat in Khartoem is vernoemd naar de beruchte slavenhandelaar Zubeir Pasha die rond 1874 Zuid-Soedan en Darfur tot zijn jachtgronden maakte.
Tegenover de Arabische dominantie ten koste van de zwarte bevolking stond John Garang, leider van het Soedanese Volksbevrijdingsleger in Zuid-Soedan. Hij streefde een revolutie in heel Soedan na en geen afscheiding van het zuiden (die uiteindelijk toch plaatsvond in 2011). Garang, kortstondig vicepresident in 2005, bedacht het idee van „een Nieuw Soedan”. Nationaliteit en religie waren volgens hem aangewend om een Soedanese identiteit te forceren op basis van de Arabische taal en cultuur en de islam.
Raciale hiërarchieën en ideeën van Arabische superioriteit hebben in Darfur niet alleen vorm gekregen in taal, maar ook in extreem geweld. In het alledaagse racisme worden termen als zurug (zwart) gebruikt om mensen te vernederen, terwijl het woord abid (slaaf) door gewapende groepen en hun aanhangers is ingezet om niet-Arabische Darfuri te ontmenselijken. In die context werd seksueel geweld een structureel onderdeel van het conflict.
Ook tijdens de huidige strijd in Darfur worden verkrachtingen gemeld als instrument van intimidatie en vernedering. Bij eerdere campagnes, begin deze eeuw, maakten strijders van de Janjaweed – de voorloper van de RSF -expliciet gebruik van raciale taal om dat geweld te legitimeren. Overlevenden verklaarden hoe verkrachting werd gepresenteerd als een aanval op identiteit. „We gaan kleine Arabieren bij jullie maken”, snerpten de Janjaweedstrijders bij hun verkrachtingen tijdens de oorlog in Darfur begin deze eeuw.
Met de volksopstand in 2019 leek er plots een einde te komen aan de religieuze en racistische dominantie van een kleine groep Arabische en gearabiseerde machthebbers in de Nijlvallei. Honderdduizenden Soedanezen gingen de straat op. Ik versloeg vele staatsgrepen in Afrika, schreef over de plunderingen en de gewelddadige politieke en tribale afrekeningen die in het kielzog volgden. Maar zo’n eenheid als in Soedan in 2019, zo’n volksorde, maakte ik zelden mee. De magie van de revolutie.
Mensen scanderen leuzen in de hoofdstad Khartoem op 19 juni 2019, terwijl een jonge man een gedicht voordraagt, verlicht door mobiele telefoons.
Een Soedanese vrouw loopt met een nationale vlag terwijl mensen protesteren in Khartoem op 17 april 2019.
,,Het mooie van deze revolutie is dat we weer gelijk zijn”, jubelde een man destijds. ,,Hier omarmen Soedanezen van alle rassen en religies elkaar. Soedan is geen land van Arabieren maar een land met een gemêleerde bevolking, een mengelmoes van Afrikaanse, Arabische en gearabiseerde bewoners.” Achterdocht jegens landgenoten met een andere achtergrond had plaatsgemaakt voor euforie en broederschap. Ik ontmoette een jubelende man uit de Nuba-bergen met een donkere huid, die uit het zuiden naar Khartoem was gereisd om zijn solidariteit te betuigen, een man van de Beja-gemeenschap uit het oosten met een lichtere huidskleur en een Soedanees uit de diaspora met een lichte huid. Hun uiterlijke verschillen waren zichtbaar, maar leken op dat moment geen scheidslijnen meer te vormen.
Dit waren de gelukkigste dagen voor de Soedanezen sinds hun onafhankelijkheid, alsof hun land een nieuwe kans kreeg. Vrouwen, gekleed in broeken, rookten in het openbaar een sigaret in theetentjes. Kunstenaars kwamen uit hun schulp en openden ateliers. Vrouwen gingen voetballen. Het mooie van diversiteit schitterde plots weer over Soedan.
De carnavaleske sfeer rond de afzetting van president Bashir sloeg om in diepe grimmigheid toen Burhan en Hemedti tezamen een staatsgreep uitvoerden. Want dat is een andere vloek die al van vóór de onafhankelijkheid op Soedan rust: militairen die de macht monopoliseren door middel van geweld. En niet tolerant zijn.
En zo begon er in 2023 alweer een oorlog. De wreedheden in de huidige oorlog, de etnische zuiveringen, bereikten intussen een nieuw dieptepunt met vermoedelijk honderdduizenden doden, miljoenen mensen op de vlucht en de infrastructuur in puin.
De zanger Abdel Karim al-Kabli was bij het uitbreken van de nieuwe oorlog zijn geboorteland al ontvlucht en zou in 2021 in de VS sterven. Hij pleitte voor een artistieke uitweg uit Soedans problemen. ,,Kunstenaars zijn de meest gevoelige mensen. Zij voelen het lijden van anderen sterker dan de slachtoffers zelf. Er zouden meer kunstenaars aan de macht moeten komen, die hebben tenminste gevoelens.”
Vitrines met kunstvoorwerpen zijn vernield in het Nationaal Museum van Soedan en collecties zijn gestolen. Het museum in Khartoem herbergt de grootste verzameling artefacten uit verschillende tijdperken van de Soedanese geschiedenis.
Source: NRC