De laatste bladzijde Voor de bevlogen antropoloog en socioloog Paul Mepschen, overtuigd marxist, waren politiek, werk en leven niet van elkaar te scheiden. „We zagen onszelf als revolutionaire activisten”, zegt een goede vriend.
Antropoloog Paul Mepschen in 2025.
„We vechten voor brood, maar ook voor rozen.” Dat zingen stakende Britse mijnwerkers in de film Pride (2014), naar het gedicht ‘Bread and Roses’ van James Oppenheim. Ze strijden voor een eerlijk loon maar ook voor respect en waardering, met solidariteit van gay en queer activisten.
Het was een favoriete scène van socioloog en antropoloog Paul Mepschen. Als homoseksuele man, kind uit een Drents arbeidersgezin en overtuigd marxist herkende Paul zichzelf in het verhaal, schrijft Alex de Jong over zijn „vriend en kameraad” in het trotskistische online blad Grenzeloos. Mepschen, die een tijd hoofdredacteur was van de toen nog papieren uitgave, was een „wetenschapper en romanticus”.
Hij was, in één woord, bevlogen, vertellen zijn vrienden en oud-collega’s. Politiek, werk en leven vormden een voortrollende kluwen die hij niet kon, maar ook niet wilde ontwarren. Vriendschappen voedden zijn activisme en andersom. Rode draad bleef zijn drang om contact te leggen, om te begrijpen wat mensen bewoog en hoe ze over hun leven dachten. „Hij zocht als onderzoeker nooit abstracties om de abstracties, hij wilde mensen begrijpen”, zegt oud-collega Sébastien Chauvin, nu docent aan de Universiteit van Lausanne.
Dat gold ook, of juist vooral, als hij werd verbijsterd door wat die mensen zeiden of deden. Mepschen analyseerde hoe rechts-populistische partijen zich homo-emancipatie en vrouwenrechten gingen toe-eigenen als wapens in de culturele oorlog tegen migranten, met name moslims. Met zijn promotores, de sociologen Evelien Tonkens en Jan Willem Duyvendak, schreef hij in 2010 een veel geciteerd artikel over dit ‘homo-nationalisme’ – tolerantie om intolerantie aan te jagen. „Hij had een heel scherp oog voor de ambivalenties in het Nederlandse zelfbeeld”, zegt Chauvin. „Daar was hij echt een pionier in.”
Voor een activistisch-linkse wetenschapper was er in Nederland wel meer om zich over te verbazen. „Hij bleef zich afvragen hoe het toch mogelijk was dat veel arbeiders rechts waren gaan stemmen”, zegt Duyvendak. Om dat te onderzoeken dompelde hij zich maandenlang onder in Amsterdam-Nieuw West. Hij wilde nagaan hoe autochtone bewoners de snelle veranderingen in hun wijk beleefden en verwoordden. „Hij ging er wonen, ging naar feesten en bezocht buurtvergaderingen. Een echt etnografische aanpak”, zegt Duyvendak, bij wie hij in 2016 cum laude op het onderzoek promoveerde. Paul droeg het op aan zijn ouders, „die altijd voor me klaarstaan”. Duyvendak noemt het zijn beste werk.
Niet dat het promoveren zonder slag of stoot ging. Behalve geëngageerd was Paul eigenwijs, fel, vasthoudend en kon hij overdonderend zijn. Maar ook schuchter of zelfs verlegen. „Hij was kritisch op zichzelf”, zei zijn levenslange vriend Alexander van Steenderen bij Pauls uitvaart in Emmen. „Vaak de eerste om te roepen: ‘zei ik dat nu echt?’ en dan in lachen uit te barsten. Om vervolgens na even nadenken met nog vollere overtuiging te roepen: ‘nee, ik heb gewoon gelijk, verdomme’. Politiek was bij Paul ook vaak emotie.”
Geboren en opgegroeid in Coevorden, werd Paul Mepschen als tiener politiek actief. Hij schaarde zich bij de Socialistische Arbeiders Partij (SAP), de Nederlandse afdeling van de Vierde Internationale, geïnspireerd door de dissidente communist Leon Trotski. Als zestienjarige nam hij de trein naar Amsterdam om bijeenkomsten te bezoeken van Rebel, de jongerenorganisatie van de SAP. „Tegen ons zei hij dan dat hij naar een café in Coevorden ging”, zegt zijn moeder Gerda. „Dat geloofden we niet. We gingen naar het station om hem op te wachten. Hij kwam met de laatste trein terug en was verrast dat wij op het perron stonden. We waren niet boos maar we zeiden: je moet het wel vertellen. We waren ongerust.”
Paul Mepschen als kind in 1986.
Hij was de eerste in het gezin die ging studeren. Na de havo volgde hij een hbo-propedeuse als leraar geschiedenis, om naar de universiteit te kunnen. „Paul was een echte klimmer”, zegt Alexander van Steenderen, die hem leerde kennen bij een landelijke scholierenstaking. Op zijn negentiende schreef hij zijn ouders een brief met zijn coming-out als homo. „Ik was erbij toen hij die schreef”, zegt Van Steenderen. „Ze reageerden heel lief.” De twee woonden bij elkaar om de hoek in Rotterdam, Alexander was getuige bij Pauls – kortstondige – huwelijk en een paranimf bij zijn promotie. „Veel studeren, veel discussiëren, maar ook uit eten gaan en lol hebben. We zagen onszelf als revolutionaire activisten.”
Maatschappelijke klasse bleef voor Paul het sleutelbegrip, zegt ook politicoloog Merijn Oudenampsen, die jaren met hem in een app-groepje zat. „Maar niet op een dogmatische manier. Hij moest niks hebben van de scherpslijperij van orthodoxe trotskisten. Zo krijg je nooit sociale actie.” In hun app-groep wisselden ze teksten en artikelen uit – en klaagden ze. Oudenampsen: „Aan Nederlandse universiteiten heb je geen echt marxistische of post-marxistische academici zoals in Amerika.” Lachend: „Dat namen we de vorige generaties kwalijk. We waren een beetje verweesde linkse intellectuelen.”
Nadat de SAP in 2004 ophield een partij te zijn, werd Paul actief bij de Rotterdamse afdeling van de SP. Toen die voor hem te veel mee boog met de anti-migratiewind die door de Nederlandse politiek blies, vertaalde hij zijn engagement allengs meer in academisch werk en opinieartikelen. Erkenning kreeg hij, maar een vaste baan lange tijd niet. Uiteindelijk ontpopte hij zich tot een geliefd docent aan het University College Utrecht, waar hij vanaf 2019 aan de slag kon.
Als docent was Paul zijn tijd vooruit, volgens Brenda Oude Breuil, zijn leidinggevende aan het UCU. „In zijn klassen was altijd sprake van gelijkwaardigheid. Hij wist heel veel, maar stelde zich nooit op als meerdere. Studenten voelden zich gezien.” Paul sprak over hen als zijn „lieve studenten”. Als leidinggevende hoefde Oude Breuil hem nooit aan te sporen. „We moesten hem juist constant afremmen.”
Toch vond hij er nooit helemaal zijn draai. Oudenampsen: „Paul was een echte klassenmigrant. Altijd onzeker of hij het wel goed genoeg deed.” Toen Utrechtse studenten hem in 2021 kozen tot ‘docent van het jaar’ zei hij: „het was maar een online cursus”, vertelt zijn oud-collega en goede vriend Markus Balkenhol. „Hij kon zichzelf een vreemdeling zijn”, sprak Balkenhol op zijn uitvaart.
Met Pauls gezondheid ging het al jaren niet goed. Hij dronk te veel en kampte met fysieke klachten. Dat escaleerde nadat zijn jongere broer dodelijk was verongelukt. „Paul heeft toen alles geregeld, ons lukte dat niet”, zegt zijn moeder. Hij trok weer in bij zijn ouders in Coevorden, om hen bij te staan na het verlies en om zelf aan te sterken. Ook toen hij door een gebroken been in een rolstoel zat, reisde hij met de trein vanuit Drenthe naar Utrecht om college te blijven geven. Hij spaarde en kocht een huis in Rotterdam, in de buurt waar hij eerder had gewoond.
De diagnose kwam: leverfalen. Het devies ‘geen druppel meer’ bleek daarna niet vol te houden. Op een conferentie in Lyon vorig jaar was hij niet meer in staat op te treden, tot zijn grote schaamte achteraf. Eenmaal terug in Nederland hielden de klachten aan en belandde hij uiteindelijk in het ziekenhuis. Daar overleed hij begin november.
Vrienden, collega’s en „kameraden” herdachten Paul Mepschen in Amsterdam en Utrecht. Paul was grenzeloos, sprak Brenda Oude Breuil op de uitvaart in Emmen. „Grenzeloos in zijn grote kennis en expertise, grenzeloos in zijn liefde voor de mensen om zich heen, en ook grenzeloos in zijn levensstijl.”
Het laatste nieuws en de beste stukken over de mooiste havenstad die er is
Source: NRC