Terwijl Europa nog bewoond werd door neanderthalers, leefden er in Zuid-Afrika al jagers die iets belachelijk moderns deden: ze joegen met pijlpunten gedoopt in gif. Een sensationele ontdekking, die onderstreept hoe weinig onze verre voorouders verschilden van de hedendaagse mens, vinden archeologen.
Maarten Keulemans is wetenschapsredacteur bij de Volkskrant, gespecialiseerd in klimaat en microleven.
Het was al een tijdje iets van een raadsel, vertelt archeoloog Gerrit Dusseldorp (Universiteit Leiden). Zo’n 70 tot 60 duizend jaar geleden begon men in Zuid-Afrika te jagen met pijl en boog. Maar hoe eigenlijk? ‘Het probleem is: zo’n pijl maakt maar een klein gaatje in een beest. Je kunt er wel kleine prooien mee schieten, maar grotere prooien lopen gewoon door.’
Een nieuwe ontdekking brengt nu de oplossing. Op kleine, vuurstenen pijlpunten, die al tientallen jaren geleden werden opgegraven in de provincie KwaZulu-Natal, vonden Zweedse en Zuid-Afrikaanse onderzoekers minieme resten ‘bufanidrine’ en ‘epibufanisine’, stoffen afkomstig uit de plant gifbol (Boophone disticha). Dat is een soort distel, met knollen die een melkachtig, verlammend gif voortbrengen. Kennelijk schoot men met pijlen ingesmeerd met gif, aldus de onderzoekers, in vakblad Science Advances.
En dat betekent nogal wat. ‘Dit laat niet alleen zien dat onze voorouders in Zuid-Afrika de pijl en boog veel eerder uitvonden dan gedacht, maar ook dat ze begrepen hoe je de scheikunde van de natuur kunt gebruiken om efficiënter te jagen’, aldus hoofdonderzoeker Marlize Lombard van de Universiteit van Johannesburg in een toelichting.
Gifpijlen maken is zo moeilijk als een ‘ingewikkeld kookrecept volgen’, aldus Lombard, tegen wetenschapsblad Nature. Zo moesten de jagers oppassen dat ze zichzelf niet vergiftigden. ‘En je moet een beetje kunnen spoorzoeken, want zo’n beest valt niet direct dood neer’, voegt Dusseldorp toe. Dusseldorp is zelf niet direct betrokken bij de nieuwe ontdekking, maar kent de opgraving goed: hij deed er zelf onderzoek.
De Afrikaanse jachttechniek vormt een markant verschil met die van Europa en Azië, waar neanderthalers en andere voorlopermensen destijds nog met speren op hun prooi af moesten. ‘Neanderthalers zitten vol botbreuken’, vertelt Dusseldorp. ‘Maar in Afrika zaten deze mensen een stap hoger in het geweldsspectrum, met gebruikmaking van de lokale planten.’
De opgraafplek ligt onder een overhangende rotswand die beschutting biedt tegen de elementen en die uitkijkt over een vallei. Een ideaal onderkomen voor jagers die ergens wilden uitrusten of aan hun wapens knutselen.
Opvallend genoeg is het gif hetzelfde als dat op vier Zuid-Afrikaanse pijlpunten die in de 18de eeuw door een volkenkundige werden meegenomen. Een teken dat moderne jagers nog altijd dezelfde techniek gebruikten als hun voorouders een slordige drieduizend generaties eerder, schrijft Lombard in Science Advances. ‘Je zou deze prehistorische jagers bij wijze van spreken vandaag kunnen loslaten in de Kalahari’, denkt ook Dusseldorp.
De vraag die zich opdringt: waarom duurde het dan toch nog een duizelingwekkende zestig eeuwen voordat de mens uiteindelijk kwam tot het schrift, de automobiel en de computer? Waarschijnlijk, oppert Dusseldorp, leefden de vroege jagers in redelijk evenwicht met zichzelf en de natuur. ‘Als jager-verzamelaar kun je best een fijn leven hebben. Je hoeft minder hard te werken dan als landbouwer.’
Intussen zal de bevolking niet erg hard zijn gegroeid. Nomadische jagers krijgen gemiddeld minder snel opeenvolgend kinderen dan boeren, legt Dusseldorp uit. De opkomst van de landbouw, pas zo’n tienduizend jaar geleden, diende als aanjager van de bevolkingsgroei en allerlei innovaties, van het schrift en de ploeg tot boerderijen en steden. Archeologen gaan ervan uit dat prehistorische mensen de landbouw deels uit nood omarmden, door het veranderende klimaat aan het einde van de ijstijd.
Hoewel de oer-Zuid-Afrikanen anatomisch identiek waren aan moderne mensen, zijn er ook verschillen. Het belangrijkste: ‘Wat we nog missen is figuratieve kunst, zoals we die kennen uit de grotten in Frankrijk’, zegt Dusseldorp. Er is weliswaar bewijs dat de oerjagers soms patroontjes krasten in eierschalen of in zachte, rode oker. ‘Maar dat is nog wat anders dan poppetjes, dieren of de zon tekenen.’
Alles over wetenschap vindt u hier.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant