Home

Documentaire over Jeff Buckley, de ‘mooiboy met de engelenstem’: liefdevol en eerlijk portret van een getroebleerde artiest

Jeff Buckley In de documentaire ‘It’s Never Over, Jeff Buckley’ geeft regisseur Amy Berg de legende Jeff Buckley de menselijke dimensie en sociale context die door dodenverering weleens willen wegvallen.

Screenshot uit documentaire 'It's Never Over, Jeff Buckley'.

Bij elk groot talent dat voortijdig uit het leven is gerukt, denk ik onwillekeurig aan wat had kúnnen zijn. Omdat de in eeuwige jeugd en belofte gefixeerde artiest zich vast in een alternatief universum zou hebben doorontwikkeld. Tot wat? Wat zijn we misgelopen? Kijkend naar It’s Never Over, Jeff Buckley, Amy Bergs documentaire over het leven van de op 30-jarige leeftijd verdronken singer-songwriter, wenste ik Buckley en ons dat hypothetische leven toe. Inclusief een hypothetisch oeuvre dat zoveel meer had kunnen omvatten dan Grace (1994), het enige album dat hij naliet.

Documentaire

It’s Never Over, Jeff Buckley. Regie: Amy Berg.

Niet dat zulke gedachten Bergs inzet zijn. Ze schetst vooral, net als in haar docu Janis: Little Blue Girl (2015), een liefdevol en eerlijk portret van een getroebleerde artiest en diens omgeving. Ze geeft de legende – de mooiboy met de engelenstem, de zoon-van – de menselijke dimensie en sociale context die door dodenverering weleens willen wegvallen. Dat doet ze aan de hand van archiefbeeld en -geluid, gesprekken met figuren uit Buckley’s omgeving en het soort animatie dat sinds Searching for Sugar Man (2012) en Cobain: Montage of Heck (2015) vaste prik lijkt in dit genre. Ze heeft daarbij scherp oog voor de geliefden die Buckley gevormd hebben, onder wie kunstenares Rebecca Moore en zangeres Joan Wasser. Moore wijst fijntjes op de misogynie waarmee vrouwen zoals zij worden bekeken: „Je wordt in het hokje geduwd van vriendin of ex-vriendin, dat is je rol, en in die rol ben je een wat pathetisch figuur.” Terwijl ze, dat is zonneklaar, een creatieve partner-in-crime en mentor was.

Buckley interesseert me al sinds hij met zijn single ‘Grace’ het muzieklandschap kwam binnenzeilen. Een unieke track, in 12/8ste, meanderend door toonsoorten, gezongen met een onvergelijkbare falset. Pas veel later, toen ik me meer in zijn leven ging verdiepen en de plekken bezocht waar hij zijn laatste dagen had doorgebracht, begon ik te vermoeden dat ik een onbewuste verwantschap moet hebben gevoeld: die tussen zonen van jonggestorven vaders. Hij was acht, ik was zeven.

Belast met het noodlot

Buckley was genetisch begiftigd en door het noodlot belast. Hij was de zoon van een Panamese tienermoeder, Mary Guibert, en folkzanger Tim Buckley, die uit beeld verdween nog voor Jeff ter wereld kwam. Diezelfde Tim zou op 28-jarige leeftijd aan een overdosis heroïne overlijden, kort na de enige keer dat vader en zoon elkaar ontmoetten. Jeff groeide op in Anaheim, Californië („dat hellegat”, zegt Jeff Buckley daar zelf over), in de schaduw van Disneyland, met een levenslustige maar chaotische moeder die veel blowde en door haar vroegoude zoon geregeld de les werd gelezen. „Jeff en ik hebben elkaar min of meer opgevoed”, erkent Guibert in de film. Dan weet je wel wie wie opvoedde.

Een stiefvader bracht Jeff in aanraking met de muziek van Led Zeppelin en vanaf dat moment wilde hij Robert Plant zijn. Maar ook: Nina Simone en de Pakistaanse qawwali-zanger Nusrat Fateh Ali Khan. Al die invloeden zijn – voor de forensische luisteraar – terug te horen in zijn stemgebruik. It’s Never Over, Jeff Buckley laat zien met hoeveel overgave Buckley die helden kon vereren; door tijdens een concert in de stellages te klimmen waaraan de boxen hingen, zodat de muziek dóór zijn lichaam kon daveren. Of door met een grote grijns op de foto te gaan met Khan.

Screenshot uit documentaire It’s Never Over, Jeff Buckley.

Als twintiger woonde hij in New York, in de East Village, een knappe weirdo die zich – samen met Moore – uitputte in artistieke avonturen. In Sin-é, een koffiehuis waar hij zowel ober als huiszanger was, bracht hij op onnavolgbare wijze covers, en steeds vaker ook eigen nummers. De veel te korte zwart-witopname van ‘Mojo Pin’ is een hoogtepunt in de documentaire. Terwijl Buckley de eerste, kwetsbare noten inzet lijkt heel Sin-é de adem in te houden om ruimte te maken voor zijn stem. Het is magisch, zelfs op afstand van jaren. Geen wonder dat er steeds vaker A&R-managers naar Sin-é kwamen om de zoon-van platencontracten voor de neus te houden. De zoon die weliswaar de show stal op een herdenkingsconcert voor Tim, maar toch vooral weigerde die zoon-van te zijn. (Toen een journalist hem eens vroeg: „Wat heb je geërfd van je vader?”, antwoordde hij getergd: „Mensen die zich mijn vader herinneren. Volgende vraag.”)

Meer dan de vorm of de interviews is het de muziek die deze documentaire draagt. Berg gebruikt er veel van en belicht zo ook hoe hard Buckley aan eigen materiaal werkte, hoezeer zijn muziek was beïnvloed door jazz en klassiek en met welke overtuiging hij voor zijn liedjes streed, terwijl platenbonzen hem liever covers hoorden zingen.

Klaagzang en smeekbede

Maar bovenal is hij die stem. Writing about music is like dancing about architecture, maar laat ik proberen die stem te beschrijven. Een stem met een bereik van vier octaven, die soepel van normale naar kopstem overgaat en een enorme dynamiek herbergt: van klein en teder, lyrisch en atletisch, tot een oerschreeuw. Een stem als een slang die langs een boomstam glibbert, die de pijn uit de botten schudt, die ijle wind is, en krakende deur, die geheim is en bekentenis, klaagzang en smeekbede, die liefheeft en uitvaart tegen het universum. Zoiets. Een stem die hem – net als zijn uiterlijk, overigens – voor een bepaald slag muziekrecensent verdacht maakte, omdat vaardigheid slecht te rijmen zou zijn met waarachtigheid. Voor zover de tijd dat al niet gedaan heeft, zet It’s Never Over, Jeff Buckley die critici in het hemd.

Voor mij was It’s Never Over, Jeff Buckley een vreemde gewaarwording, omdat Berg dezelfde plekken in Memphis in beeld brengt die ik in 2016 bezocht om voor deze krant een verhaal te maken over Buckley’s tragische einde. Hij was naar die stad verhuisd om zijn creatieve energie te hervinden en om de heroïne te ontvluchten die in New York in hinderlaag lag. Hij was afgepeigerd van het toeren en leefde er in een piepkleine shotgun shack niet ver van de Memphis Zoo, waar hij graag in de vlindertuin zat, of bij het tijgerverblijf. Toen ik er was, was de shotgun shack er nog, zij het dichtgetimmerd en in twijfelachtige conditie, maar veel was verdwenen. De club Barristers, dat zijn Sin-é in Memphis was geworden, was nu een verlaten kantoorgebouw, het Vietnamese restaurant waar hij eten afhaalde – zo vaak dat hij een T-shirt cadeau kreeg van de eigenaar, waardoor mensen dachten dat hij er werkte – was afgebrand, net als de Easley McCain Studio, waar hij demo’s opnam die postuum zouden verschijnen op Sketches for my Sweetheart the Drunk. Maar wat nooit zal verdwijnen is de Wolf River, een zijarm van de Mississippi, waar Jeff op een noodlottige dag een stukje ging zwemmen, om door de onderstroom te worden gegrepen. Pas dagen later werd hij in onderwaterplanten gewikkeld teruggevonden.

Screenshot uit documentaire It’s Never Over, Jeff Buckley.

Leonard Cohens ‘Hallelujah’

Dat was in mei 1997, een kleine drie jaar na de release van Grace. Een echt oeuvre zou er nooit komen, wat de grootsheid van dat album misschien wel heeft bestendigd. Betekent dat dat doorleven evengoed iets zou hebben weggenomen van wat nu is? De deïficatie van de jonggestorven kunstenaar? Ongetwijfeld.

Niet dat Buckley zijn huidige status per se zou hebben bevallen. Ergens in de film zegt hij: „Ik wil niet bekend staan als die gast die alleen maar covers speelt”, en nu zullen de meeste mensen hem toch vooral kennen van zijn cover van Leonard Cohens ‘Hallelujah’. En hoe ergerlijk moet het zijn dat in elk stuk – ook dit stuk – weer de naam opduikt van de vader die je in de steek heeft gelaten. De vader aan wie je, door je genetische band, een vergelijkbaar stembereik en het rijmen van tragische levenseindes, onvermijdelijk bent vastgeketend. Het enige wat hem misschien wat genoegen zou hebben verschaft, is dat hij niet meer de zoon-van is. Om de simpele reden dat door de onuitwisbare indruk die Jeff heeft gemaakt Tim is gedegradeerd tot vader-van.

Source: NRC

Previous

Next