‘Goeiemorgen, hoe gaat het?”
„Ik kan niet uit bed komme.”
„Zal ik helpen?”
„Wat? Ik versta je niet, ik heb m’n oorbellen niet in.”
Ik zoek het gehoorapparaat van mijn buurvrouw (92) in haar huiskamer, waar de verwarming op 22 staat. Buiten ligt Rotterdam onder een dik pak sneeuw. Als ik ze heb gevonden, propt ze ze in haar oren. Nu kunnen we praten. Mijn pantoffels, roept ze. Ik zet ze tussen haar rollator en haar bed.
Rechtop zitten gaat nog wel. Gaan staan wordt ’s ochtends steeds lastiger. Aan haar sjorren helpt niet. Dat doet eerder kwaad dan goed aan al die broze botjes. Wiebelend als een tuimelpopje komt ze overeind. Dan staat ze rechtop en grijpt de rollator.
Elke dag komt er iemand van de wijkverpleging haar steunkousen aantrekken en ’s avonds weer uittrekken. Ze kijken meteen of alles goed gaat en helpen een handje als dat nodig is. Vandaag komt er niemand. De sneeuw ligt kniehoog, de wijkverpleging gaat alleen naar urgente cliënten. Een dagje zonder steunkousen gaat best.
Pasje voor pasje naar de woonkamer. Naar buiten kunnen we niet, constateert de buurvrouw na een blik uit het raam. Haar „karretje”(rollator) loopt meteen vast in de sneeuw. Dus hoeft ze zich niet aan te kleden, vindt ze. Ze blijft vandaag in haar ochtendjas.
„Heb je wat nodig van de supermarkt, buurvrouw?”
„Boter!”
„Een kuipje margarine?”
Ben je betoeterd? Echte boter! Achter haar rollator schuifelt ze naar de koelkast om het laatste stukje te laten zien. Zie je? Deze. Het is een rol boter, in zo’n goudkleurige verpakking. Ik krijg coronavibes. In die tijd deden we in onze flat bij toerbeurt boodschappen voor haar. Iedereen wist: als zij Maria-biscuitjes wil, kom dan niet aan met kaakjes van een ánder merk.
Verder nog iets nodig? Nee hoor, zegt ze. Ik heb nog frietjes voor de frituur, brood en kipfilet in de vriezer. Ze belooft met haar rollator van de voordeur tot het einde van de woonkamer te lopen en weer terug, om in beweging te blijven nu ze niet naar buiten kan. „Tien keer, buurvrouw, echt!”
„Vijf keer! Dan moet ik zitten hoor.”
Later die dag is het de onderbuurvrouw die thuiswerkt vanwege de sneeuw die het hulpgeroep hoort. Onze buurvrouw is gevallen en kan niet overeind komen. Er werken meer mensen thuis in de flat, en met z’n drieën tillen we haar in een stoel. Ze heeft last van haar rug en hoofd, maar er lijkt niets gebroken. „Ligt er buiten sneeuw, val ik binnen op m’n giechel”, foetert ze.
De dokter belooft langs te komen. Om 18.00 uur is ze er nog niet. „Het is te glad”, moppert de buurvrouw. De dokter zegt vrolijk als ze tegen zevenen met muts op binnenkomt dat ze slippen in de sneeuw juist wel spannend vindt.
„Je bent ondeugend”, vindt de buurvrouw.
De dokter zegt met een knipoog tegen de buurvrouw dat ze haar even gaat martelen en drukt voorzichtig op de pijnlijke plekken. Veel pijn, maar er lijkt niks gebroken.
Later in de avond gaat het niet meer. Ze komt zelfs niet meer uit haar sta-op-stoel. De dienstdoende huisarts komt langs. Zij oordeelt dat mevrouw niet alleen kan thuisblijven. Tegen twaalven glijdt een ambulance de verlaten straat in. Ik zet de verwarming op 17 graden.
Sheila Kamerman doet wekelijks ergens vanuit Nederland verslag
Het laatste nieuws en de beste stukken over de mooiste havenstad die er is
Source: NRC