Berber van der Woude Oud-diplomaat en voorzitter van The Rights Forum, dat zich inzet voor een rechtvaardig Israël-Palestinabeleid, Berber van de Woude (43) las op de middelbare school La vie devant soi (1975) van Romain Gary, dat is vertaald als Een heel leven voor je.
„La vie devant soi las ik voor mijn Franse leeslijst op de middelbare school toen ik een jaar of zestien was. Als kind woonde ik in Frankrijk, dus Frans ging me makkelijk af. In het boek zitten veel taalverhaspelingen, waarvan ik me kan voorstellen dat veel klasgenoten ze destijds niet oppikten. Doordat ik de taal goed beheerste, begreep ik ze wel. Dat spel met de woorden maakte dat het verhaal me altijd zo is bijgebleven.
Het verhaal draait om Momo, een Algerijns jongetje dat opgroeit in de Parijse wijk Belleville bij madame Rosa, een voormalige sekswerker en Holocaustoverlevende. Zij vangt kinderen op van haar vroegere collega’s. Naarmate madame Rosa lichamelijk en geestelijk achteruitgaat, neemt Momo steeds meer de zorg voor haar op zich. Je vraagt je af: wie zorgt er eigenlijk voor wie? Momo aanschouwt de wereld met een melancholische en ironische blik. Ik vond het op mijn zestiende een lief en zacht boek, dat eigenlijk over iets heel schrijnends gaat.
Nu, 28 jaar later, vielen de verhaspelingen van Momo me vanaf de eerste pagina meteen weer op. ‘Proxénète’ is het Franse woord voor ‘pooier’, maar Momo noemt het de hele tijd ‘proxynète’ en verdraait de term op die manier. Dat levert vaak grappige dialogen op.
Van de eerste lezing is me vooral de band tussen Momo en madame Rosa bijgebleven; ze zijn er voor elkaar in een wereld die hen grotendeels in de steek heeft gelaten. De tweede keer viel me juist de gemeenschap op waarin die twee leven. In het tehuis bestaat een informeel zorgsysteem, niet alleen tussen Rosa en Momo, maar ook met de andere kinderen en bewoners.
Het is een plek waar een gemarginaliseerde kant van de samenleving samenkomt. Waar ik dat op mijn zestiende vooral zag als een omgeving vol ellende die ver weg was, zie ik nu ook de menselijke schoonheid ervan. Het verhaal is niet alleen rauw, maar ook liefdevol. Op een bepaalde manier is de band tussen Momo en Rosa zelfs bijna jaloersmakend.
Ik ben grotendeels opgegroeid in Zeeland, in een extreem witte bubbel. Daardoor kwamen sommige elementen uit het verhaal destijds simpelweg niet bij me binnen: ze maakten geen deel uit van mijn leefwereld. In de jaren daarna heb ik veel meer geleerd over holocausttrauma en racisme, die kennis heeft mijn blik op het boek veranderd.
Momo doet bijvoorbeeld uitspraken over Afrikaanse mannen waarvan ik nu het racistische karakter beter herken. Hij spreekt over ‘les Noirs’, een term die hij op straat heeft opgepikt. Dat komt niet voort uit bewuste vijandigheid, maar uit aangeleerde vooroordelen, net zoals anderen die ook over hem hebben. Bij het herlezen zie ik die lagen van racisme scherper dan als tiener.
Verder ontroerde het boek me meer dan ooit. Een van de mooiste passages blijft die waarin madame Rosa stervende is en Momo tot het einde voor haar zorgt. De overgang van leven naar dood wordt nergens expliciet benoemd en juist dat maakt het zo ontroerend. Momo blijft zorgen, zelfs wanneer zij er al niet meer is. Dat raakte me bij de eerste lezing al, maar nu, bij het herlezen des te meer.
We hebben hier te maken met een grootste liefde en dan niet in de romantische zin. Ik ben zelf in de tussentijd ook moeder geworden en heb die verschillende gedaanten van liefde beter leren kennen. Al die gedaantes kennen ook complexiteit en een existentiële angst voor verlies. Als zestienjarige had ik die emoties nog niet doorgemaakt. Hoe mooi de wereld van madame Rosa en Momo kan zijn, dat neem ik nu vooral mee.”
In de rubriek ‘Teruglezen’ vertellen boekenliefhebbers over een werk dat in het verleden veel indruk op hen heeft gemaakt.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC