is journalist en columnist van de Volkskrant, gespecialiseerd in financieel-economische onderwerpen.
‘Over tien, twintig jaar zul je zien dat olie ons land Venezuela te gronde zal hebben gericht. Olie is de drek van de duivel.’ Deze profetische woorden sprak in 1976 de Venezolaanse minister van Olie en medeoprichter van het Opec-kartel Juan Pablo Pérez Alfonzo.
Venezuela was op dat moment het rijkste land van Latijns-Amerika en een van de twintig rijkste landen van de wereld, nog voor Griekenland, Spanje en Israël. Nadat geologen van Shell in 1922 in het noordoosten van het land enorme olievoorraden hadden ontdekt, klom Venezuela binnen vijf jaar op tot de grootste olie-exporteur ter wereld en werd het na de VS de grootste olieproducent.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Die positie kwam pas in gevaar nadat in de jaren vijftig in het Midden-Oosten grote reserves werden ontdekt van veel lichtere en gemakkelijker winbare olie. Door de olieboycot van Arabische landen van met Israël bevriende landen als Nederland en de VS na 1973 kreeg de Venezolaanse olie-industrie opnieuw de wind in de zeilen. Maar, zoals Alfonzo had voorspeld: het ging uiteindelijk mis.
In 1976 besloot Venezuela de hele olie-industrie te nationaliseren. Shell werd de deur uitgezet. Dat was een blunder. Shell beschikte, onder meer dankzij het winnen van zware olie met jaknikkers in het Nederlandse Schoonebeek, over de beste expertise voor de exploitatie van de zware Venezolaanse olie.
De staatsoliemaatschappij maakte er een puinhoop van. Terwijl voor 1976 de staat de helft van de olie-inkomsten kreeg en na de nationalisatie alle inkomsten, daalden de baten met 65 procent. Vooral als gevolg van kostenstijgingen, onkunde, gebrekkige infrastructuur en corruptie.
De economie kwam in een negatieve spiraal terecht met de bekende gevolgen: hyperinflatie, een wegzakkende munt en een door het IMF opgelegd bezuinigingsprogramma dat de armoede vergrootte. Het leidde ook tot politieke instabiliteit. Drie coups vonden plaats en een president werd via een impeachment afgezet.
Dit plaveide de weg voor de opkomst van de linkse populist Hugo Chávez en zijn rechterhand en opvolger Nicolás Maduro. Zij zetten in op sociale programma’s, hogere minimumlonen en prijsstops die werden gefinancierd uit hoge belastingen voor rijken en bedrijven. En toen dat te weinig opbracht, werd geld bijgedrukt. Venezuela’s bbp zakte naar 50 miljard dollar, tegen 350 miljard dollar voor buurland Colombia. In 1976 was het bbp van Venezuela juist twee keer zo groot als dat van Colombia.
Venezuela werd ook politiek een pariastaat. Buitenlandse ondernemingen trokken zich terug. Van de 150 miljard dollar die in 2011 in Latijns-Amerika werd geïnvesteerd, ging nog maar 5 miljard naar Venezuela. In 2019 was dat 1 miljard, nadat de Amerikaanse president Trump in zijn eerste termijn al sancties had afgekondigd. De Wereldbank zette in 2020 Venezuela op nummer drie van 190 landen waarin het beste niet kon worden geïnvesteerd. De olieproductie liep daardoor terug van 3 miljoen naar 1 miljoen vaten per dag.
De jaknikker staat in het museum. Maar misschien kunnen Shell en Nederland met moderne expertise een helpende hand toesteken met de exploitatie van de drek, voordat Trump die inpikt.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns