Gebundelde brieven De brieven die Virginia Woolf schreef aan haar geliefde Vita, bedoeld om te verleiden, vestigen de aandacht op iets dat nog wel eens wordt vergeten: Virginia Woolf was grappig.
Virgnia Woolf (links) en Vita Sackville-West
Virginia Woolf: Liefst Schepsel. Brieven aan Vita Sackville-West. Vert. Han van der Vegt. Van Oorschot, 430 blz. €34,99
Als u Vita Sackville-West kent, dan is dat waarschijnlijk óf vanwege haar roem als begenadigd tuinier, óf dankzij haar reputatie als seksueel zeer actieve aristocraat, die een massa aan geliefden (man en vrouw) verslond – ‘the best-selling bisexual barones’, zoals de Paris Review haar eens noemde.
‘Best-selling’, want bij leven was Sackville-West een veel succesvollere schrijver dan haar beroemdste vlam, Virginia Woolf. Woolf schreef moeilijke boeken vol lange, cryptische zinnen die vooral door gelijkgestemden werden gelezen, terwijl Sackville-West met duizelingwekkende snelheid de ene na de andere kaskraker produceerde. Maar Woolf was de betere schrijver. Haar romans worden nog steeds gelezen; die van Sackville-West hebben het slagveld van de literatuurgeschiedenis niet overleefd.
Sackville-West wist dat Woolf begaafder was als schrijver. ‘I contrast my illiterate writing with your scholarly one, and am ashamed’, schrijft ze aan Woolf. ‘I don’t know whether to be dejected or encouraged when I read the works of Virginia Woolf’, schrijft ze in een andere brief. ‘Dejected because I shall never be able to write like that, or encouraged because somebody else can?’
In tegenstelling tot de bundel Love Letters: Virginia Woolf and Vita Sackville-West (2021), waar deze twee citaten in zijn te vinden, is in Liefst Schepsel: Brieven aan Vita Sackville-West alleen Woolfs kant van de correspondentie opgenomen. De voetnoten geven ons wel af en toe een stukje uit een brief van Sackville-West, ter verheldering van dit of dat, waardoor we al snel kunnen concluderen dat het een bijzonder goede beslissing is geweest om het daarbij te laten. Sackville-Wests taalbeheersing laat niets te wensen over maar vergeleken bij de stijl van haar vriendin doet het toch wat armoedig aan. Want wat een souplesse tonen de brieven van Woolf! Wat een humor, wat een zelfspot, wat een beeldenrijkheid, wat een fantasie. Woolf’s taal sprankelt en schittert, ze strooit met parels, juwelen, edelstenen alsof het niets is en het is ook niets, voor Woolf; haar verbeelding is een onuitputtelijke schatkist.
Deze brieven, bedoeld om te verleiden, om iemands belangstelling vast te houden, vestigen de aandacht op iets dat nog wel eens wordt vergeten: Virginia Woolf is grappig. Grappig, los, scherp, droogkomisch. Een vervelende kennis beschrijft ze als „een soort spaniël die iedereen volgt die hem slaat.” De minnaar van haar zus ziet eruit „als een ouwe hooibaal die in het midden is losgeraakt. Hij trekt onder het praten voortdurend zijn broek op.” „Gaat het goed met je?” vraagt ze Vita als ze een tijdje niks van haar heeft gehoord. „Ben je verdronken, neergeschoten, verkracht, moe?” Als er een borstbeeld van haar wordt gemaakt: „Het leven is een kwade zaak – niets dan haast en tumult en tegen mijn wil poseren voor mijn buste.” Het is moeilijk om de verleiding te weerstaan het hele boek te citeren.
Woolf wist ook dat ze de beter schrijver was van de twee – „wat hersenen en inzicht betreft is ze niet in zo hoge mate georganiseerd als ik”, schrijft ze in haar dagboek – de aantrekkingskracht lag elders.
Woolf en Sackville-West kwamen uit tegenovergestelde werelden. Woolf werd geboren in een wat rommelig intellectueel en kunstzinnig milieu. Haar vader was Leslie Stephen, een eminent schrijver, literaire grootheden als Thomas Hardy, Henry James en Robert Louis Schateiland Stevenson kwamen regelmatig op de thee. Haar tante, Julia Cameron, was een gerenommeerde fotograaf; haar zus, de kunstenaar Vanessa Bell, was getrouwd met een beroemde kunstcriticus maar woonde samen met haar minnaar (de ouwe hooibaal), die ook kunstschilder was. Met haar zus en een groepje rebelse intellectuelen vormde Woolf de beruchte Bloomsburygroep, vernoemd naar de destijds armetierige buurt waar ze allemaal woonden. In Bloomsbury waren vrouwen gelijk aan mannen, kon je openlijk homoseksueel zijn en ontspannen keuvelen over ‘copulatie’ en ‘sodomie’ (twee van Woolfs favoriete gespreksonderwerpen). Hier vierde de haveloosheid hoogtij, hier hoefde niemand zich te ‘kleden voor het diner’ – „geen avondkleding alstublieft” schrijft Woolf aan Sackville-West als ze haar in het begin van hun vriendschap bij haar thuis uitnodigt.
Sackville-West kleedde zich liever wel voor het diner; ze had niks met dit milieu, Bloomsbury noemde ze ‘Doemsbury.’ Ze kwam uit een van de oudste adellijke families van Engeland. Haar vader, de derde baron Sackville van Knole, was een afstammeling van de De La Warr familie (waar de Amerikaanse staat Delaware naar is vernoemd); Vita groeide op in Knole, een huis uit 1455, geschonken aan de familie door koningin Elizabeth. Het had vierhonderd kamers, honderd schoorstenen en tweeënvijftig trappenhuizen. Sackville-West koesterde een diepe liefde voor Knole, maar toen haar vader overleed ging het naar haar oom. Zo waren de regels.
Waar Vita op Virginia viel vanwege haar genialiteit, vanwege haar „prachtige brein, die prachtige geest,” was Virginia vooral gefascineerd door Vita’s aristocratische familiegeschiedenis, door haar fabuleuze geboortehuis, vol kunst en tapijten en stoelen waar Shakespeare nog op gezeten zou kunnen hebben. Vita en haar afkomst zetten Woolfs verbeelding op een ongekende manier in beweging.
De brieven traceren hoe deze twee heel verschillende vrouwen een voorzichtige vriendschap beginnen die steeds hechter wordt. Sackville-West stapt over van haar vaste, commerciële uitgever naar de kleine maar prestigieuze Hogarth Press van Virginia en Leonard Woolf. Zo krijgt hun vriendschap ook een professionele lading, waardoor ze elkaar vaker zien en spreken – en (gelukkig voor ons) vaker schrijven. Over wanneer hun relatie veranderde naar een seksuele verhouding is eindeloos gespeculeerd, net als over hoe seksueel die nou precies was, maar duidelijk is dat het op een gegeven moment overgaat van vriendschap naar passie. Dan gaan de brieven opeens niet meer alleen over boeken en gemeenschappelijke vrienden maar krijgen een veel intiemere toon. „Wat zal het heerlijk zijn,” schrijft Woolf voorafgaand aan een bezoek van haar ‘liefst schepsel’, „languit op de bank liggen en verwend worden.” „Als ik je zou zien zou je me dan zoenen?” vraagt Woolf. „Als ik in bed lag zou je –”. Want over seks schrijven vindt ze moeilijk.
Een interessante overeenkomst tussen de beide vrouwen: allebei waren ze getrouwd met een man die het niet erg vond dat ze er andere geliefden op na hielden. Leonard Woolf moedigde zijn vrouw aan om alleen te zijn met Vita en Vita schrijft aan haar echtgenoot: „Ik ben met haar naar bed geweest (twee keer) maar dat is alles.”
Maar twee keer is eigenlijk niet genoeg voor Vita en ze begint al snel haar heil te zoeken bij andere vrouwen. Virgina weet dit, begrijpt het maar is ook jaloers. Een „promiscue beest” noemt ze haar nu, of „Slecht, verdorven beest!” De andere vrouwen met wie Vita het bed deelt noemt ze „oesters”, „lethargische suikerlippige oesters, geile ontuchtige oesters.” „Kijk eens Vita – zet je man aan de kant, dan gaan we naar Hampton Court”, schrijft Woolf, „daar zal ik je alle dingen die ik in mijn hoofd heb vertellen.” Arme Virginia! Eindeloos praten is niet wat Vita wil.
Woolf was er het type niet naar om boze, jaloerse tirades op haar geliefde af te vuren toen ze die steeds vaker in de armen van haar oesters zag verdwijnen. Ze deed iets veel beters: ze schreef Orlando (1928). Sackville-West was zowel de inspiratie voor als het veelvormige middelpunt van deze roman, waarin Woolf haar van eeuw naar eeuw, van geslacht naar geslacht slingert. Vita is een jonge edelman die met een zwaard om zich heen hakt, ze is Lady Orlando die met zigeuners door het Midden-Oosten reist, en Orlando erft uiteindelijk wel Knole – waarmee Woolf Sackville-West in fictie teruggeeft wat haar in werkelijkheid is afgenomen. Vita was extatisch over de roman (je hebt „een nieuwe vorm van Narcisme uitgevonden,” schrijft ze, „ik ben verliefd op Orlando”) en even had Woolf haar weer voor zichzelf alleen.
Dat je middels Woolfs brieven aan Sackville-West de ontstaansgeschiedenis van Orlando kan volgen is misschien wel een van de interessantste aspecten van Liefst schepsel. Zodra Woolf de woorden ‘Orlando: A Biography’ op ‘een schoon vel’ geschreven heeft begint haar verbeelding te tintelen: „mijn lichaam stroomde vol met verrukking en mijn geest met ideeën.” We zien haar fantaseren en verzinnen, we zien haar nadenken over ritme, over stijl, we zien haar filosoferen over het ‘buitengewone mysterieuze proces’ van kunstzinnige creatie. Het is een uniek en fascinerend kijkje in het werkende brein van een schrijver.
Maar nog even een woord over de verzorging van deze brieven. Die is namelijk perfect. Van de soepele vertaling, de noten – niet te veel en niet te weinig – en de korte, verhelderende inleidingen voorafgaand aan ieder hoofdstuk, tot aan het fijne papier, de mooie hardcover en het verrukkelijke blauw leeslintje. Alle lof voor Han van der Vegt en uitgeverij Van Oorschot; zo hoor je Virginia Woolf aan de wereld te geven.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC