Béla Tarr (1955-2026) De Hongaarse cineast creëerde in films zijn eigen Bélaworld: het zwart-wit gefilmde Hongaarse platteland van stoffige kroegen, vettige glazen, gure wind en radeloze mannen. In 1988 brak hij mondiaal door met Damnation en die stroperig glijdende camera.
Filmmaker Béla Tarr op het Marrakech International Film Festival in 2016, als voorzitter van de jury.
Béla Tarr is overleden, na een lange, slopende ziekte. Het zal de maestro nauwelijks verbaasd hebben. Ik sprak Tarr in 2016 langdurig onder de palmenbomen naast het elegant betegelde zwembad van het obsceen luxe hotel La Mamounia in Marrakech. Het had het Marokkaanse koningshuis behaagd Béla Tarr – toen als 60-jarige al een tijdje film-pensionado – tot juryvoorzitter te benoemen. We gingen ietwat vroeg aan de drank en rookten erop los. Roomservice, auto met chauffeur, zuilengalerij, mopperde Tarr: film is zo bourgeois. Ben je uit op luxe dan maak je nooit een meesterwerk. Was het fijn dineren met de broer van de koning, vroeg ik. „Volgende vraag”, gromde hij.
Ik sprak Béla Tarr over zijn komende expositie in het EYE Filmmuseum, die in 2017 geweldig zou uitpakken. Hij was zelf klaar met het regisseren na Turin Horse in 2011, een uitgebeende, plotarme film vernoemd naar het afgematte, afgeranselde karrenpaard dat Nietzsche in Turijn over de rand van de waanzin duwde. Turin Horse volgde een zwijgzaam boerengezin en hun schonkige paard op een postapocalyptische Hongaarse poesta waar aardappels, wreedheid en een glas palinka het enige vermaak zijn. Bélaworld dus, het zwart-wit gefilmde Hongaarse platteland van stoffige kroegen, vettige glazen, gure wind en radeloze mannen.
Béla Tarr was daar klaar mee, zei hij. Hij wilde niet in herhaling vallen en legde zich vanaf 2013 toe op zijn film.factory, een driejarige filmschool in Sarajevo waar bewonderaars als Jim Jarmusch, Tilda Swinton, Juliette Binoche en Gus van Sant gastcollege gaven. In 2016 was het geld op; Tarr bleek in Marrakech geschokt over de Syrische burgeroorlog – „Dante’s Inferno!” – en de wrede bejegening van vluchtelingen in Europa, met name door Hongarije. Daarom maakte hij voor EYE toch nog een korte film over een Syrisch jochie dat triest en verbeten aan een accordeon rukt. In zijn expositie belandde je via een goelag-achtige prikkeldraadtunnel – de Hongaarse grens – in de kaal- en platgeslagen wereld die premier Orbán tegen de ‘islamitische hordes’ beschermde. De broodrij, verlopen kroeg, dansende boeren en opgehitste meute. Het vettige, omgewoelde bed, die eenzame boom op de poesta voor een windmachine. Bélaworld.
Orbáns Hongarije paste goed in Béla Tarrs nihilistische, pessimistische wereld die niets bood om je voor in te zetten, al was afzijdigheid de grootste zonde. Béla Tarr groeide zelf op onder het relatief liberale Hongaarse ‘goulash-communisme’ dat volgde op de opstand tegen de Sovjet-Unie van 1956. In Boedapest werkten zijn ouders bij het theater: vader als decorbouwer, moeder als souffleur. Als tiener had Tarr wat kleine filmrolletjes, verder was er dat bekende regisseursverhaal, met een vader die hem op zijn veertiende een 8mm-camera cadeau deed.
Twee jaar later was Tarr al mede-oprichter van filmcollectief Dziga Vertov, die in cinéma vérité-stijl het echte leven wilde betrappen. De autoriteiten verboden hem filosofie te studeren na een kritische amateurfilm, maar Tarr was inmiddels betrokken bij de Béla Balázs Studio, die sinds 1972 no-budget-films produceerde: spontaan, van de schouder gefilmd, scriptarm. Naast experimentele avant-garde was er een richting die levensecht drama met non-acteurs nastreefde. Daartoe behoorde Tarr: zijn speelfilmdebuut Family Nest deed veel critici in 1977 denken aan de toen zeer modieuze acteursregisseur John Cassavetes. Daar had Tarr nooit iets van gezien, zei hij. Het hing gewoon in de lucht.
Die geïmproviseerde spontaniteit was in 1988 ver te zoeken in zijn nauwkeurig ontworpen mondiale doorbraak Damnation, een groezelige, lamlendige romance van een dronkenlap en een kroegzangeres. Béla Tarr stond vanaf toen bekend om die stroperig glijdende camera. Zie de onvergetelijke opening: hypnotische industriële noise, de camera die van een mijnlift in de mist achteruit zoomt, een kamer in, en eindigt met een close-up van een achterhoofd. Een normale regisseur was geëindigd met een gewone close-up: de held gaat zijn wereld te lijf. Dit shot benadrukte passiviteit, machteloosheid en melancholie.
Het was Tarrs eerst verfilming van een boek van László Krasznahorkai, de Hongaarse schrijver die in 2025 de Nobelprijs voor Literatuur won. Bij diens gitzwarte pessimisme voelde hij zich thuis. Mensen zijn bij hem wanhopige kuddedieren, ten prooi aan driften en massahysterie. In feite moreel inferieur aan dieren laten ze zich door demagogen tot gruweldaden opzwepen. Sensitieve zielen verdoven zich, trekken zich terug, plegen zelfmoord. Vaak is dat ook maar het beste.
Sátántangó, een dorpsvertelling naar Krasznahorkai, volgde in 1994 de verloedering van het communisme op een zieltogende collectieve boerderij. Zeven uur en 19 minuten lang: een meesterwerk van ‘slow cinema’, met eindeloos trage shots, sfeer boven plot en en een groezelig languissante esthetiek. Susan Sontag – die Tarr als redder van de cinema zag – nam zich voor de film elk jaar te bekijken, als ware het de Matthaüs-Passion.
In Werckmeister Harmoniak (2000) – slechts 145 minuten lang – hitst een circusklant een morrend dorp op tot een redeloze pogrom in het lokale ziekenhuis. Daar sloopt men meubilair en rost men patiënten af – tot de meute in de badkamer een naakte, broodmagere, fragiele patiënt aantreft, zo weerloos dat men zich zwijgend terugtrekt. Die onverwachte ‘ecce homo’ is een indicatie dat Bélaworld niet helemaal van hoop verstoken was.
Was Béla Tarr een pessimist? Tegen de één beweerde hij verkeerd te worden begrepen, hij maakte zwarte komedies. Tegen mij: „Oké, je mag best om mijn films lachen, maar alleen omdat het leven zo absurd is.” Genieten van het kleine – een borrel, een dans, een aardappel – bepaalt de kwaliteit van je leven, aldus Tarr. Meer was er niet. Wel een warme aardappel toch? Tarr: „Dat ik überhaupt films maak, getuigt van enorm optimisme. Als je serieus over het leven nadenkt, kan je jezelf maar beter verhangen.”
Maar jezelf verhangen is meer iets voor optimisten. Eén ding maakte de filmmaker vrolijk: na een kwart eeuw wist hij inmiddels zeker dat hij echte kunst had gemaakt. Films waar ze over een eeuw nog naar kijken, om te peinzen over hoe we toen leefden. Want Tarr biedt talloze kleine, esthetische genoegens. De rilling van een magisch moment: dat arme paard, die oude man, dat doodgemartelde katje. Die unieke sfeer die je nooit meer van je afschudt. Maar dat is uw probleem, zou Béla Tarr hebben gezegd.
Source: NRC