San Siro heeft na honderd jaar zijn langste tijd gehad. De Volkskrant brengt een ode aan het beroemde stadion. ‘Net zoals Picchi, Facchetti en anderen die er niet meer zijn, is het nu de beurt aan het stadion, in navolging van mijn helden.’
Op de eerste zondagavond van het jaar zit Cristiano Cardana in San Siro, met zijn kinderen, voor de wedstrijd tegen Bologna. Nog goed kan de 81-jarige Interfan zich zijn eerste wedstrijd herinneren, alsmede de hele opstelling. ‘Het was de derby tegen AC, op 2 november 1952. Mijn oom Lino nam me mee naar die wedstrijd. Hij was bevriend met Sandro Mazzola, de zoon van Valentino Mazzola, de aanvoerder van het ‘grote Torino’, die omkwam bij de vliegtuigcrash van Superga.’
Sinds die novemberdag is San Siro zijn tweede huis, een deel van zijn leven. Zo zag hij hier het Inter van Picchi en Facchetti in 1965, in de stromende regen, voor het eerst Europees kampioen worden. Maar die herinneringen gaan gepaard met melancholie, want Inter en AC hebben besloten dat het honderd jaar oude stadion zijn langste tijd gehad heeft. Op een belendend parkeerterrein verrijst de komende vijf jaar een nieuw, Wembleyachtig onderkomen voor de Milanese clubs.
Daarmee verliest het Europese voetbal weer een iconisch stadion, een stadion uit de categorie Bernabeu, Parc des Princes, Anfield, Old Trafford en De Kuip. ‘La Scala del Calcio’ luidt de bijnaam van San Siro, helemaal na de verbouwing voor het wereldkampioenschap van 1990, toen het een derde ring kreeg en een dak dat steunt op enorme pilaren, die tevens dienstdoen als trappenhuis. Wanneer duizenden fans het stadion bestijgen lijkt het te bewegen.
Het stadion, waar later dit jaar de opening zal zijn van de Olympische Winterspelen, lijdt aan ouderdomsverschijnselen. Zo kraakt het onder zijn voegen en voldoen de faciliteiten niet meer aan moderne eisen. Het San Siro in huidige vorm zou geen wedstrijden krijgen op het EK van 2032. Niet alle fans zijn gelukkig met het besluit om San Siro af te breken. ‘No abbatimento stadio’ luidt een van de vele graffiti-teksten op de muren rondom San Siro, ‘geen afbraak van het stadion’.
Sommige fans zijn blij omdat ze de voordelen van een nieuw stadion inzien’, zegt Luca Bianchin, de Milaancorrespondent van de roze sportkrant La Gazzetta dello Sport, ‘anderen zien het niet zitten om een prachtig gebouw te verlaten, in veel gevallen een tweede thuis. Over het algemeen vinden veel fans het geen prettig idee om het nieuwe stadion te delen met de rivalen... maar ja, zaken zijn zaken.’
Hij vertelt dat San Siro, vernoemd naar een nabijgelegen kerk, het idee was van AC Milanvoorzitter Piero Pirelli. Deze wilde een echt, ‘Engels’ voetbalstadion, zonder atletiekbaan. De bouw werd geleid door Ulisse Stacchini, een art-nouveaukunstenaar en bouwmeester die ook het Centraal Station en het restaurant Savini in de Galleria had ontworpen. De gemeente regelde een speciale tram voor het vervoer van de fans, het ‘houten been’ genoemd.
De eerste wedstrijd was de stadsderby in 1926, die door Inter, de Nerazzurri, met 3-6 werd gewonnen. Gaandeweg de decennia werd het stadion beetje bij beetje uitgebreid. ‘San Siro’, aldus een poëtische Bianchin, ‘heeft een jeugd, adolescentie en volwassenheid doorgemaakt, een leven dat, net als bij bomen, geteld wordt in jaarringen. Nu is San Siro de grootvader van de stadions, bedroefd omdat er geen kleinkinderen meer geboren worden.’
San Siro heeft in de voorbije halve eeuw een Oranje tint gekregen. Feyenoord won hier in 1970 de Europa Cup 1 tegen Celtic, nadat de club eerder in die jaargang AC Milan had uitgeschakeld. ‘Het was toen ook al een bekend stadion’, blikt toenmalig Feyenoord-rechtsachter Piet Romeijn terug, ‘maar ik zag het niet als een speciale plek destijds. Wat mij wel is bijgebleven van de wedstrijd tegen AC waren de Italiaanse supporters. Die waren ongelofelijk fanatiek.’
Voor Oranje en Nederlandse clubteams heeft San Siro sindsdien weinig geluk gebracht. Nederland verloor hier in 1990 op het WK van Duitsland, de wedstrijd waarin de Milanees Frank Rijkaard Rudi Völler bespuugde. Een van de twee Nederlandse clubs die hier hebben weten te winnen, naast Ajax in 2010, was Roda JC. Door een doelpunt van Mark Luijpers wonnen de Limburgers met 0-1 van het AC Milan van Carlo Ancelotti, om vervolgens met strafschoppen te verliezen.
De huidige trainer van Roda JC, Kevin Van Dessel, was de aanvoerder van dat team. ‘Spelen in San Siro als aanvoerder was zeker een hoogtepunt in mijn carrière’, zegt hij, ‘een ervaring om nooit te vergeten. De opkomst was die avond niet bijzonder en onze 3.000 meegereisde supporters waren verreweg het luidst. Ik herinner me nog de vrij sobere kleedkamer met houten kastjes, en de verschillende namen die er opgekrast waren.’
De ploeg uit Kerkrade maakte die avond gebruik van de kleedkamer die bedoeld is voor de gasten van AC en Inter. De twee Milanese clubs hebben hun eigen kleedkamer. Die van Inter heeft een lange blauwe zitbank, die van AC fraaie rode zetels in hoefijzervorm. ‘De enige AC Milanspeler met een eigen stoel was Zlatan Ibrahimovic’, zegt de gids die me door het stadion leidt, ‘die wilde op de enige stoel zitten vanwaar hij elke teamgenoot kon aankijken.’
San Siro, in 1980 vernoemd naar AC en Interlegende Giuseppe Meazza, heeft veel Hollandse glorie gekend. Frank Rijkaard, Ruud Gullit en Marco van Basten (‘San Marco’) zorgden eind jaren tachtig en begin jaren negentig voor een glorietijd voor AC. Een levensgrote pop van Gullit begroet, naast die van Inters Karl-Heinz Rummenigge, de bezoeker van het San Siromuseum. Twintig jaar na het gouden trio, leidde Wesley Sneijder rivaal Inter naar een Europese titel.
Clarence Seedorf, een van de weinigen die zowel het shirt van de Nerazzurri als de Rossoneri droeg, heeft San Siro de meest intimiderende van alle stadions genoemd. Bruce Springsteen, een van de vele rockgoden die in het voetbalpaleis aan de westelijke rafelrand van de modestad hebben gespeeld, noemde het een unieke plek. The Boss speelde hier vijftien jaar geleden onder meer voor zijn Wrecking Balltour, wat bij nader inzien een toepasselijke naam was.
Journalist Bianchin ziet het einde met spijt tegemoet. Hij is al bijna dertig jaar een vaste gast in San Siro, eerst als fan, later als verslaggever. Zijn eerste wedstrijd was op een grauwe novembermiddag in 1997, met zijn vader, tussen AC Milan en Brescia. Andrea Pirlo speelde voor Brescia. ‘Welk ander stadion heeft die iconische structuur, met de torens en de rode balken? San Siro is denk ik het beroemdste Italiaanse architectonische werk van de 20ste eeuw.’
Nog enkele jaren heeft de 81-jarige Intersupporter Cardana om aan het idee te wennen dat de voetbalkathedraal verdwijnt, waarvan wel een van de beeldbepalende torens bewaard zal blijven. ‘Zoals zoveel dingen in het leven, beginnen ze en eindigen ze’, zegt hij, ‘het zien van de sloop van San Siro is alsof we een deel van onszelf zien sterven. Net zoals Picchi, Facchetti en anderen die er niet meer zijn, is het nu de beurt aan het stadion, in navolging van mijn helden.’
Luister hieronder naar onze podcast de Volkskrant Elke Dag. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant