Home

Het maakt niet uit of de feestdagen vreselijk of fijn waren – op de foto’s lachen we toch wel

Lachen op foto’s In deze rubriek kijken we naar opvallende beelden in de hedendaagse cultuur, en wat ze te zeggen hebben. Deze week: hoe de lach op foto’s steeds groter is geworden.

De fotolach is sinds 1900 steeds breder geworden.

Technische vooruitgang en maatschappelijke verandering gaan hierbij samen.

Maar wat drukt zo’n lach eigenlijk nog uit?

Eigenlijk maakt het niet uit hoe de feestdagen echt waren, vol stil geluk, zinderend van de ruzies of onuitgesproken verwijten; grote kans dat op de foto’s door de ooms, tantes of meegesleepte liefdes heel erg breed gelachen wordt. Sterker: als je er met een lineaaltje werk van zou maken, zou het zelfs kunnen dat de mondhoeken nog weer wat hoger zijn gestegen dan vorig jaar.

Onzin? Historisch gezien is het zo. In het midden van de kleine expositie Smile in het Keulse museum Ludwig hangt een grafiek die een bekend psychologisch onderzoek naar de ‘kromming van de lippen’ (lip curvature) samenvat: sinds het jaar 1900 is het aanwijsbaar dat mensen steeds breder zijn gaan lachen op foto’s. Vrouwen net iets meer dan mannen, maar bij beide geslachten kronkelt de grafiek gestaag omhoog, lachend de toekomst in – ondanks dat 14-jarige neefje dat op de kerstfoto’s nadrukkelijk probeert níét te lachen.

De vraag is natuurlijk waar die stijgende mondhoeken nu precies voor staan. Want als de lach in de 20ste eeuw, met zijn toegenomen welvaart en vrijheid, steeds groter wordt, is die lach dan ook de uiting van een steeds gelukkiger mensheid? De expositie over ‘hoe de lach in de fotografie terecht kwam’, met zijn historische klassenfoto’s, reclames en vakantiefoto’s uit de eigen collectie, is weliswaar te klein om het thema echt aan te gaan, maar laat wel het belangrijkste zien: een gefotografeerde lach is niet per se een uiting van echt gevoel, maar vooral een culturele constructie.

Schone tanden

Technische veranderingen gaan hierbij al vanaf de uitvinding van de fotografie hand in hand met bredere maatschappelijke ontwikkelingen. Het bekendst is de theorie van de lange sluitertijd in het midden van de 19de eeuw, waardoor het in ieder geval een paar decennia simpelweg onmogelijk was een brede glimlach lang vast te houden. Ook was er de schroom om het gebit te tonen. Deze schroom viel na 1900 steeds meer weg, omdat tandartsen beter werden en daarmee tanden mooier.

Klassenfoto uit 1923, waarop nadrukkelijk niet gelachen wordt.

Maar deze praktische omstandigheden worden toch ook begeleid door veranderende conventies wat een gefotografeerd mens nu eigenlijk wil uitdrukken. Tot in de vroege 20ste eeuw overheerste het verlangen om in ieder geval op publieke foto’s serieuze waardigheid uit te stralen; de brede lach gold als een vulgair signaal. Die opvatting had eeuwenlang gegolden in de schilderkunst: zo werd in de Hollandse 17de-eeuwse genreschilderkunst de gulle lach voor volkse taferelen toegepast, terwijl bij stijlvolle lieden de geschilderde lach een uitzondering was.

Ook deze conventie veranderde rond 1900, opnieuw door een samenspel van techniek en samenleving. Door de opkomst van goedkope camera’s begonnen mensen zelf foto’s te maken, bedoeld voor het privé-fotoalbum, waarmee de publieke druk om serieus over te komen wegviel. In diezelfde jaren kwam daarnaast een nieuw cultureel voorbeeld op. Fabrikant Kodak, bekend vanwege zijn goedkope camera’s, begon na 1920 met reclames van lachende mensen op reis of thuis: de Kodak-smile was geboren, en dit sloeg via Amerikaanse reclames en films naar Europa over.

Reclame voor Kodak camera’s, ‘The Kodak Girl’.

De fotolach werd daarmee in de 20ste eeuw steeds meer geassocieerd met het goede, onbezorgde leven. ‘Ik lach, dus gaat het me goed’: vóór 1940 was die lachende mond vaak nog gesloten, na 1950 mochten de tanden erbij – „Say cheese!”.   

Betrouwbaarheid

Maar het kan nóg breder: bij hedendaagse selfies mag de mond ook wijd opengesperd zijn, voor de suggestie van een luid schaterende lach. Het laat zien dat in het huidige digitale tijdperk – helaas onderbelicht in Keulen – de fotolach haast groteske trekken heeft aangenomen. De technische verandering hierbij is duidelijk: op het kleine schermpje van de smartphone wil men helder overkomen, dus wordt de lach nóg verder uitvergroot om in de snelle beeldenstroom van de sociale media gezien te worden. Ook kan je dankzij de digitale opslag vijftig keer proberen tot je de perfecte lach hebt gevonden – iets wat vroeger vaak nog mis ging.

En toch: is het doel van de lach nu echt zoveel veranderd? Er is een mooie cultureel-antropologische theorie die stelt dat er in landen met een lange traditie van immigratie, zoals de Verenigde Staten, meer wordt gelachen in het openbare leven dan in landen die die traditie niet hebben, zoals Japan. In migratielanden was er lang sprake van een gebrek aan een gedeelde taal of sociale normen, dus zou de lach gebruikt zijn om te laten zien dat je als sociale partner te vertrouwen was.

Deze gewoonte kan de alomtegenwoordige lach in de Amerikaanse fotocultuur verklaren, maar óók die in het digitale tijdperk. In onze online fotolach laten we aan een vaak anonieme publiek zien dat het heel erg goed met ons gaat, én dat we heus heel erg te vertrouwen zijn. De lach is inmiddels zo’n culturele gewoonte geworden, dat diverse AI-firma’s nu al aanbieden om historische zwart-wit familiefoto’s te ‘verlevendigen’ met kleur en een – historisch volledig incorrecte – lach.

Hugo Erfurth, ‘Hildegard Seemann-Wechler (schilder)’, 1929.

Inmiddels wordt er zo veel en breed gelachen dat je je kan afvragen of een lach überhaupt nog iets uitdrukt. Misschien is het daarom wel dat er sinds de jaren 60 – toen de mondhoeken volgens de grafiek steeds verder omhoog gingen – diverse tegenbewegingen zijn opgekomen. Van nozem tot de hedendaagse GenZ-stare, zoals de bewust uitdrukkingsloze blik van sommige twintigers weleens wordt genoemd: in de alternatieve cultuur is het beste statement voor een eigen identiteit juist níét te lachen.

Welke blik is het best? Esthetisch gezien is de middenweg tussen beide uitersten het mooist. In Keulen zijn hiervan een paar voorbeelden te zien, die opvallend vaak uit die eerste fase in de vroege 20ste eeuw stammen. De lach doet hier zijn intrede, maar men geeft zich nog niet helemaal bloot; soms schuchter, soms mysterieus als bij de Mona Lisa. Het is een voorzichtige, nauwelijks zichtbare glimlach, nog niet betekenisloos uitgerekt, en die – zeker in het geval van kerstdagenfoto’s – nog wat te raden overlaat naar het echte gevoel achter de lach.

Man Ray, Lippen (Lee Miller), 1930.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next