Raounak Khaddari vraagt zich af of we niet te weinig aandacht besteden aan ons gevoel. Lena Bril duikt in de wereld van de alternatieve therapie. Annelies van der Meij las hun boeken en twijfelt of gevoel wel een juiste raadgever is.
Hoe voel ik me? Het is een vraag die veel mensen zichzelf continu stellen. Vooral jonge mensen. Zij hebben geleerd om regelmatig ‘bij zichzelf in te checken’. Ze hebben apps op hun telefoon die hen vragen hoe het met ze is gesteld. En hebben tabellen en schema’s aangereikt gekregen met de namen van emoties en hoe je ze kunt herkennen.
Op deze manier, is het idee, kom je erachter waar je behoeften en grenzen liggen.
Vooral op momenten van keuze: je kunt de voors en tegens naast elkaar zetten, maar uiteindelijk moet je toch – dat zegt iedereen – vooral naar je gevoel luisteren.
Ga je naar je werk, of meld je je ziek? Ga je mee lunchen, of eet je achter je bureau? Ga je nog sporten, of ben je te moe? Ga je naar dat feestje, of even rustig op de bank?
Hoe dichter je bij je gevoel staat, hoe minder keuzestress je hebt. Je gaat gewoon vrolijk naar dat feestje. Of kunt het niet opbrengen. Gevoelens geven richting.
Dus, als we het even niet weten, vragen we ons af: hoe voel ik me?
Voor Parool-journalist Raounak Khaddari, die Hoe voel je (je) schreef, is het gevoel ‘een innerlijk weten’ dat ‘spontane antwoorden’ geeft. Het is ‘onvervalsbaar’, ‘puur’ en ‘altijd alleen van onszelf’. ‘De richtingaanwijzer van ons authentieke zelf’.
Khaddari schrijft: ‘Als gevoel een criterium zou zijn in sollicitaties, bij grote levensbeslissingen, voor schoolrichtingen en carrièrekeuzes, dan zouden we bij elke stap dichter bij onszelf blijven dan we nu zijn.’
Maar helaas: het gevoel speelt, volgens Khaddari, op dit moment geen rol bij levenskeuzes. Het wordt daarentegen juist stelselmatig ondergewaardeerd. Dat haar boek vol staat met quotes van tientallen bestsellende auteurs, wetenschappers en zelfhulpgoeroe’s die ieder het belang van het gevoel benadrukken, doet er niet toe.
Het boek opent met Khaddari’s eigen ervaring. Op een dag werd ze wakker en wist: ik moet stoppen met m’n baan. Hoe goed die baan ook stond op haar cv, hoe hard ze er ook haar best voor had gedaan. Ze ‘voelde het zeker’.
Het was een keuze die geen keuze was. De natte droom van iedereen die worstelt en zoekt naar antwoorden, maar alleen een diffuus gevoel van ongemak voelt.
Het blijft onduidelijk of er ook een ‘echte’ aanleiding was. In de proloog schrijft Khaddari van niet. Ze had geen ruzie gehad, was niet bedreigd, aangerand of uitgescholden. Maar in de epiloog heeft ze het onomwonden over grensoverschrijdend gedrag en nare opmerkingen van collega’s.
Gek genoeg is Khaddari’s punt niet dat een verpeste werksfeer een goede reden is om ergens weg te gaan. In plaats daarvan benadrukt ze de onverklaarbaarheid van haar gevoelens en de enorme moed die het vergde om zich op zoiets irrationeels te beroepen.
Ergens kan ik dat wel begrijpen. Je voelt je een aansteller. Al helemaal als je de externe oorzaak onbenoemd laat of afzwakt. Maar in de context van dit boek en een breder zelfhulpdiscours dat niets anders adviseert dan het volgen van je gevoel, is Khaddari’s verhaal eerder aspirational dan onbegrijpelijk. Er is echt niemand die dit leest en denkt: ‘wat raar’, ‘wat een loser’ of ‘ik had het anders gedaan’.
Wanneer het later in het boek gaat over iemand die, volgens Khaddari, ‘uit het systeem’ is gestapt, gaat het om een vrouw die haar carrière aan de Zuidas heeft opgezegd om ‘buitenvrouw’ te worden op een ‘landgoed’ en nu een succesvol coachingsbedrijf runt. Termen als ‘uit het systeem stappen’ zijn bij Khaddari dus zeer relatief.
Toch houdt Khaddari vol dat ze heel transgressief, subversief en anti-normatief bezig is. Haar doel is dat, toegegeven, ook. Khaddari’s uiteindelijke streven lijkt niets minder dan een antikapitalistische revolutie te zijn. Ze is tegen de ideologie van ‘winst boven welzijn’. Tegen de consumptiemaatschappij. Tegen de zucht naar groei, naar status.
Zolang we maar voelen, meent Khaddari, kunnen we hieruit breken. Want het gevoel is ‘niet carrièregedreven’. Het is een ‘kracht’ die ‘ons altijd naar het goede leidt’ en maakt dat we ‘goed zorgen voor de wereld om ons heen’.
Khaddari had zo een van de coaches kunnen zijn die Lena Bril interviewde voor haar boek In therapie. Hiervoor dook Bril in de wereld van de alternatieve therapie: denk aan familieopstellingen, paardentherapie en truffelceremonies.
Meer nog dan in de reguliere ggz – toch vaak gericht op praten en nadenken – ligt hier de nadruk op het ontketenen van het gevoel. Het ‘cognitieve’ moet worden uitgeschakeld. Er moet iets loskomen, door elkaar worden geschud, gaan ‘stromen’. De meeste coaches zijn duidelijk tevreden wanneer iemand geëmotioneerd raakt. ‘Nu komen we ergens’, denkt ook Bril zelf, wanneer een vrouw in paardentherapie ongeremd begint te huilen.
Cliënten of ‘coachees’ delen dit doel. Ze lijken overspoeld te willen worden door hun gevoel. Iets waarmee ze niet in touch denken te zijn. Dat ze ongelukkig, uitgeput of onzeker zijn, dat weten ze. Maar het gaat ze om iets daaronder, waar ze niet goed bij kunnen, waarvan ze geloven dat het hen kan helpen zich beter te voelen.
Mensen in Brils boek – misschien mensen in het algemeen – blijken zeer vatbaar voor andermans ideeën over hun gevoel. Dit lijkt te komen doordat het gevoel vaak wordt neergezet als iets wat diep in ons zit, maar waar we zelf geen directe toegang toe hebben. Iets dat ten diepste van ons is, maar ons tegelijk vreemd is.
Brils boek laat zien dat we meer dan ooit geacht worden ons gevoel te kennen en onder woorden te brengen. We moeten reflecteren, grenzen aangeven, keuzes onderbouwen. Ons gevoelsleven is steeds meer overgeleverd aan de wereld van therapeuten, coaches en managers, die niet al te makkelijk van elkaar te onderscheiden zijn.
Dat het therapeutische denken zich als een olievlek uitbreidt, blijkt ook wel uit de reikwijdte van Brils boek. Omdat steeds meer aspecten van het menselijk bestaan worden opgevat als kwestie van mentale gezondheid – waaronder bijvoorbeeld ook rouw, sinds 2002 een psychiatrische stoornis – omvat het boek zo ongeveer het hele leven.
Bril bemerkt zelf ook dat steeds meer ‘emoties, levensgebeurtenissen en existentiële twijfels’ iets lijken voor de psycholoog en het domein van zelfverbetering in worden getrokken. Juist daarom lijkt ze zich te richten op alternatieve therapie, waar meer aandacht is voor het niet-rationele, niet-nuttige deel van ons bestaan.
Maar het alternatieve circuit blijkt onderdeel van dezelfde olievlek. De mensen in Brils boek die op zoek zijn naar hun gevoel, willen dat het gevoel zich aandient, dat het hen overspoelt. Maar naar het lijkt alleen om het vervolgens te kunnen temmen: om zo iemand te worden die doodkalm kan zeggen ‘ik merk dat dit me raakt’.
Niet iemand die zomaar uitbarst in een huilbui of woedeaanval.
De vraag is een beetje waar Bril zelf staat. Is ook zij op zoek naar het gevoel? De helft van de tijd stelt ze zich op als reporter en criticaster die natuurlijk niet valt voor termen als ‘authentieke zelf’ en ‘innerlijke stem’. Maar uit persoonlijke passages en bijvoorbeeld haar oprechte poging om met behulp van truffels tot iets van een waarheid te komen, blijkt een diepe loyaliteit aan het zoeken in zichzelf.
Bril is ook cynischer over de belofte dat we via ons gevoel uit ‘het systeem’ kunnen breken.
Mensen die veel met hun gevoel bezig zijn, merkt Bril op, komen niet per se in opstand, richten hun leven niet per se non-conformistisch in.
Het hele idee dat het collectief omarmen van onze gevoelens een sociale revolutie in gang zal zetten, doet denken aan wat de filosoof Michel Foucault in 1976 schreef over seksuele bevrijding. Wat men vandaag de dag bedoelt met ‘het gevoel’ – een soort zuivere kracht, binnenin ons, die moet worden bevrijd – lijkt op hoe men in Foucaults tijd sprak over ‘de seksualiteit’.
De meest radicale aanhangers van de seksuele revolutie, zoals Herbert Marcuse en Wilhelm Reich, geloofden dat seksuele repressie verbonden was aan allerlei andere vormen van repressie; aan het kapitalisme en de burgerlijke orde. Ze geloofden dat seksuele verlangens, eenmaal bevrijd, alle bestaande regels en hiërarchieën zouden verstoren.
Foucault was sceptisch over deze manier van denken. Heersende normen en machtsverhoudingen, meende hij, zijn onze seksualiteit allang binnengedrongen. Ze hebben onze verlangens niet eens zozeer gekoloniseerd, als wel vormgegeven. Dat maakt seksuele ‘bevrijding’ tot een ingewikkelde onderneming: diezelfde verlangens die moeten worden bevrijd, dragen de problemen die ze moeten opheffen in zich mee.
Dat bijvoorbeeld ‘underage’ een populaire pornocategorie is, zegt iets over de cultuur waarin we leven: over het ideaal van jeugdigheid en het taboe op incest dat het voor velen extra opwindend maakt. Dit is geen zuiver verlangen dat moet worden bevrijd om de wereld rechtvaardiger te maken. Integendeel.
Zo is het ook met ‘het gevoel’. Neem bijvoorbeeld Nick, een man met een burn-out in het boek van Bril. Met tranen in zijn ogen biecht hij op dat hij zo graag ‘een winnaar’ had willen zijn. Hij leeft helemaal op wanneer hij terugdenkt aan de momenten waarop hij zich zo’n winnaar voelde, toen hij respect en waardering kreeg in zijn dorp.
Nick krijgt van zijn coach te horen dat hij zich moet ontdoen van zijn prestatiezucht, maar ook dat hij zijn gevoel moet omarmen. Hoe kan dat als de twee hetzelfde zijn?
Nick is niet raar. Omdat we in een zeer competitieve, hiërarchische samenleving leven, zit het verlangen naar winnen (en de angst om een loser te zijn) diep in ons. Als we nergens het gevoel uit kunnen putten speciaal of geslaagd te zijn, dan lijden we. Dit alles wordt diep en intens beleefd, of het nu authentiek is of niet.
Verrassend genoeg haalt Khaddari ook Foucault aan. Foucault liet zien, aldus Khaddari, dat de ‘sociale dood’ een ‘politiek wapen’ is. De angst om te falen maakt dat we in de pas lopen. Ook erkent Khaddari dat de wereld van reclame en consumptie draait op verleiding en manipulatie, zodat mensen ‘vaak verleid worden tot keuzes die niet in hun eigen belang zijn’.
Khaddari ziet dus in dat het probleem (groeidrang, prestatiedruk, individualisme) ín ons zit. Moet haar conclusie dan niet zijn dat ons gevoel soms niet te vertrouwen is?
Volgens mij moeten we ons gevoelsleven zien als een landschap vol radioactief afval, waarin we beter actief puin kunnen gaan ruimen, dan wanhopig op zoek gaan naar dat ene nog onaangetaste stukje.
Neem de anti-pornofeministen van de jaren zeventig en tachtig. Zij meenden dat vrouwen geconditioneerd waren – door het patriarchaat – om vernederende heteroseks lekker te vinden. Soms keken deze feministen, voor onderzoek, zelf ook naar de porno die ze bekritiseerden. Dat ze daarbij soms lichamelijk opgewonden raakten, betekende niet dat ze ongelijk hadden, maar bevestigde eerder hun punt: ook zij waren geconditioneerd.
Dit soort tegenintuïtieve politiek lijkt, in een tijd waarin niet mag worden getwijfeld aan gevoelens, vrijwel onverdedigbaar.
Toch blijkt ook, uit de boeken van Khaddari en Bril, dat we het al continu doen: onze gevoelens bevragen en corrigeren. Maar dan niet in dienst van een activistische agenda, maar in het teken van presteren en erbij horen. Je gevoel de andere kant op buigen, de kant op van verzet, vergt moeite. Je moet je er actief voor inzetten en dan nog lukt het soms niet. Toch moeten we het, tenminste een beetje, proberen.
Laat je keuzes eens wat minder afhangen van je gevoel, en wat meer van waar je voor wilt staan. En wie weet groeien de twee steeds dichter naar elkaar toe.
Lena Bril: In therapie – Een persoonlijke zoektocht naar houvast. Prometheus; 264 pagina’s; € 22,99.
Raounak Khaddari: Hoe voel je (je) – Een relationele zoektocht naar het onzichtbare. Spectrum; 200 pagina’s; € 21,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant