In Polen durft een museum een maatschappelijk taboe aan te kaarten met een tentoonstelling over Polen die in de Wehrmacht werden ingelijfd. De expositie leidde tot protesten vanuit de rechts-nationalistische hoek, maar bezoekers zelf zien herkenbare, verzwegen verhalen.
is correspondent Centraal- en Oost-Europa van de Volkskrant. Hij woont in Warschau.
Curator Andrzej Hoja staat even stil bij een vitrine in het stadsmuseum van Gdańsk. Hij wijst naar een ovalen plaatje met een naam, rang en nummer erop. Het is nog intact. Niet in tweeën geknakt, zoals bij gesneuvelde soldaten. ‘Als het was gebroken, stond ik hier niet.’ Het plaatje was van zijn grootvader. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat die in Noorwegen. Hij was een Pool, maar diende als soldaat in de Duitse Wehrmacht, het leger van de vijand.
Bezoekers schuifelen zacht pratend door twee kleine zalen. Bij de ingang van de tentoonstelling Nasi Chłopcy (Onze jongens) staan portretten van tientallen jonge mannen, soms nog tieners. Zij belichamen de naar schatting 450 duizend Polen die tijdens de oorlog werden ingelijfd bij de Duitse krijgsmacht. De expositie is bescheiden in omvang, maar leidde na de opening afgelopen jaar tot een van de felste historische debatten die recentelijk in Polen zijn gevoerd.
Er rust een stigma op dienst in het leger dat Europa in de afgrond van de Tweede Wereldoorlog stortte. Zeker in Polen, een van de landen die het meest onder de oorlog leed. Hoja was zich bewust van het taboe. Nabestaanden die hij met collega’s tijdens de voorbereidingen benaderden, waren angstig. ‘Toen ze begonnen te praten, fluisterden ze.’ Niet iedereen wilde meewerken, al is het tachtig jaar geleden. ‘‘Het is te vroeg’, zei iemands grootmoeder dan.’
Toch achtte Hoja, verbonden aan het Centrum voor Historisch Onderzoek in Berlijn van de Poolse Wetenschapsacademie, de tijd rijp om deze lang onderbelichte geschiedenis voor het voetlicht te brengen. Hij zat ernaast, zegt de curator terugblikkend. ‘De Poolse samenleving was hier duidelijk niet klaar voor.’
Rechts-nationalistische oppositiepartij Recht en Rechtvaardigheid (PiS) organiseerde een protest voor de deur, politici buitelden over elkaar heen om schande te spreken van de tentoonstelling. Ook vanuit de liberale regering kwam kritiek. ‘Volkomen onaanvaardbaar’, vond kabinetswoordvoerder Adam Szłapka. Toenmalig president Andrzej Duda, een PiS-loyalist, noemde de tentoonstelling een ‘morele provocatie’.
Dat een deel van de politiek en samenleving het beschouwde als een aanval in plaats van een aanvulling op de geschiedschrijving, heeft te maken met het dominante historische zelfbeeld in Polen, kernachtig verwoord door Duda: ‘Polen waren als volk het slachtoffer van de Duitse bezetting en de Duitse terreur, geen daders of deelnemers.’
Grażyna Świętochowska (49) opent het album op de eettafel in haar appartement in Gdańsk. Familiefoto’s van onder anderen haar grootvader, Bruno Kresimon. ‘Hij was 16 jaar oud toen de oorlog begon, net zo oud als mijn zoon nu.’ Als kind hoorde ze dat hij tijdens de oorlog bij de Wehrmacht zat. Net als zijn vier broers, die voor korte of langere tijd werden ingelijfd in het Duitse leger. Een broer sneuvelde in 1943 bij Stalingrad.
Świętochowska heeft weinig foto’s uit die tijd van haar grootvader, die in de tentoonstelling voorkomt. ‘Ik herinner me een doos met documenten op de bodem van de kledingkast. Mijn vader heeft deze weggegooid. Uit schaamte, denk ik. Er was angst dat het uit zou komen.’ Binnen de familie was het bekend, buitenshuis werd er niet over gesproken. ‘De uitleg was dat ze dienst namen om hun vader vrij te krijgen, die in 1939 werd geïnterneerd in Stutthof.’ Dit was een berucht concentratiekamp nabij Gdańsk. ‘Eind dat jaar kwam hij vrij, in mei 1940 overleed hij.’
Om beter te begrijpen in welke positie de inwoners van deze streek verkeerden aan het begin van de oorlog, moeten we iets verder terug in de tijd. Na de Eerste Wereldoorlog herwon Polen, dat eind 18de eeuw werd opgedeeld en bezet door naburige grootmachten, zijn onafhankelijkheid.
De streek waar de tentoonstelling zich op richt (Pomorze Gdańskie in het Pools, oftewel Gdańsk-Pommeren) werd opgesplitst tussen Duitsland en Polen. Getouwtrek over havenstad Gdańsk (Duits: Danzig) liep uit op een compromis: dit werd de zogenoemde ‘Vrije stad Danzig’. De bevolking was divers. Aan beide kanten van de grens wonen Duitsers, Polen en ook Kasjoeben, een etnische minderheid die een Slavische taal spreekt.
Na de Duitse invasie op 1 september 1939 en de inval door de Sovjet-Unie later die maand verdween Polen opnieuw van de kaart. Het midden werd een bezettingszone, het Generaal-gouvernement. Westelijke stukken, zoals Gdańsk-Pommeren maar ook een deel van Silezië, werden geannexeerd.
De nazi’s doodden in het eerste oorlogsjaar 30- tot 40 duizend leden van de Poolse elite uit Gdańsk en het omliggende gebied. Anderen werden geïnterneerd in Stutthof, zoals Świętochowska’s overgrootvader. De annexatie had grote gevolgen voor de bevolking, nu officieel ingezetenen van het Derde Rijk. De nazi’s introduceerden de Volksliste, waarop inwoners werden onderscheiden op basis van ras.
Dit leverde een kastenstelsel op van vier categorieën. Duitsers stonden bovenaan. Mensen met deels Duitse wortels – geen zeldzaamheid in de gemengde regio’s – konden zich registreren als Eingedeutschte, die de nazi’s geschikt achtten voor ‘germanisering’. Dat was soms aantrekkelijk, legt curator Hoja uit. ‘Het gaf toegang tot betere voedselbonnen en medische zorg. Soldaten genoten aanzien, waardoor aanmelding bij het leger kon helpen om familieleden uit het concentratiekamp te krijgen.’
Inschrijving op de Volksliste was vrijwillig, weinig mensen gaven er gehoor aan. Daarom werd het vanaf 1942 verplicht. Dit was vanuit Berlijn bezien ideologisch maar ook opportunistisch: het tij van de oorlog aan het oostfront keerde, Duitsland kwam manschappen tekort. Voor (jonge) mannen betekende het automatisch militaire dienstplicht.
Zygmunt Ostrowski overtuigde zijn moeder om de Volksliste te ondertekenen, zodat zijn zus Lutka toegang kreeg tot medicijnen, legt zijn neef Marcin Szopiński (53) uit. Ze leed aan tuberculose. Lutka genas, Zygmunt belandde op 20-jarige leeftijd in de Wehrmacht en werd naar Italië gestuurd. In 1945 werd hij doodgeschoten door partizanen. ‘Het werd binnen de familie gezien alsof hij in haar plaats was gestorven.’ Vlak na de oorlog overleed ze alsnog aan de gevolgen van tyfus.
Thuis in Chojnice, een stad in de regio Kasjoebië, legt Szopiński fotokopieën van het tiental brieven op tafel die zijn oom uit Italië schreef. Ze zijn ook te zien in de tentoonstelling. ‘Je weet waar het lot me naartoe heeft gebracht – onder de azuurblauwe hemel van Italië’, schreef hij in 1944 aan zijn zus, Szopiński’s moeder. Later zou ze de brieven regelmatig herlezen, herinnert Szopiński zich.
Zijn oom bleef altijd aanwezig in het huishouden. ‘Mijn moeder zei tegen me: als je je haar zou knippen, zou je eruitzien als Zygmunt.’ Verzoeken om naar Italië te reizen om Zygmunts graf te bezoeken, werden tijdens het communisme afgewezen. In 1992 liftte Szopiński zelf naar Italië en bezocht het graf van zijn oom. ‘Pas toen ik daar was, besefte ik dat ik even oud was als hij toen hij stierf.’
Het was ‘geen geheim’ dat zijn oom in de Wehrmacht had gezeten. Szopiński’s vader overigens ook. Hij werd krijgsgevangen genomen aan het oostfront en belandde in een Russisch kamp. Hij overleed aan nierfalen toen Szopiński jong was. ‘We wisten dat hij in het kamp lange perioden in koud water moest staan.’ Szopiński hoopt dat de tentoonstelling vooroordelen bij zijn landgenoten wegneemt. ‘Dit gaat over mensen die verstrikt raakten in de geschiedenis.’
De geschiedenis van deze streek is ‘goeddeels onbekend’ in de rest van Polen, zegt historicus Paweł Machcewicz van de Poolse Wetenschapsacademie en voormalig directeur van het Tweede Wereldoorlogmuseum in Gdańsk. ‘Onder het communisme was dit verhaal taboe.’ Maar dat is niet alles. Binnen de Poolse geschiedschrijving zijn historische ervaringen uit het midden van het land – Warschau en Krakau – beeldbepalend. Identiteit was daar minder complex: de meeste inwoners waren katholiek en spraken uitsluitend Pools, de destijds grote Joodse gemeenschap uitgezonderd. Voor de verhalen van meer diverse grensregio’s is geen plek. ‘De Poolse herinnering is selectief.’
Als het aan een deel van de Poolse politiek ligt, blijft dat zo. Vooral op de rechterflank is geen ruimte voor grijstinten. ‘PiS accepteert niet dat er verhalen zijn die afwijken van heldendom en martelaarschap.’ Machcewicz merkt op dat niet het communisme, maar de Tweede Wereldoorlog de voornaamste historische splijtzwam in Polen is gebleken. Dat komt volgens hem door de ontwikkeling van de herinneringscultuur.
In de jaren negentig was de verwerking van het communistische verleden het belangrijkst. Dit kantelde rond 2000, toen historicus Jan T. Gross het boek Buren publiceerde, over de massamoord op de Joodse gemeenschap van Jedwabne in 1941. Niet door de nazi’s, maar door hun Poolse buren. Het sloeg in als een bom en werd ‘de belangrijkste discussie’ binnen de Poolse geschiedschrijving, zegt Machcewicz.
‘Onder Polen heerste destijds het gevoel dat hun een eigen visie op de geschiedenis werd ontnomen. Het ging alleen maar over wat ze anderen hadden aangedaan. Daarop kwam een tegenreactie.’ Die kreeg gestalte in de politiek. Het moest voorbij zijn met wat PiS-leider Jarosław Kaczyński de ‘pedagogiek van de schaamte’ noemde. Twee jaar nadat PiS aan de macht was gekomen, werd Machcewicz ontslagen als museumdirecteur. De tentoonstelling werd aangepast en legde sterker de nadruk op het lijden van de Polen.
Partijen zoals PiS geven met hun herinneringspolitiek de Poolse nationale identiteit gestalte, gestoeld op een eenzijdige vertelling van de geschiedenis. Maar bij een simpele voorstelling van het verleden vallen veel verhalen buiten de boot. Zoals dat van Józef, grootvader van Grzegorz Kwiatkowski (41), kunstenaar, dichter en muzikant van de psychedelische rockband Trupa Trupa.
Wegens het bijwonen van ondergrondse lessen – onderwijs was verboden voor Polen – werd Józef op 15-jarige leeftijd veroordeeld tot twee maanden Stutthof. Zijn werk bestond uit het verslepen van lijken. ‘Toen ik 9 was, nam hij me mee naar het concentratiekamp, waar hij sinds de oorlog niet meer was geweest. Hij stortte in, begon te schreeuwen en te huilen. Ik begreep niet wat er gebeurde.’
Toen Grzegorz iets ouder was, ontdekte hij dat zijn grootvader later in de oorlog werd ingelijfd bij de Wehrmacht. ‘Dat was een schokkende ontdekking. Hoorde hij bij de goede of de foute kant?’ Uit een korte autobiografie van twintig pagina’s, ‘met weinig details over die tijd’, leerde hij dat zijn grootvader in Duitse steden gelegerd zat terwijl de geallieerden bombardeerden: Dresden en Hamburg. ‘Ook daar was het zijn taak om de lijken te vervoeren.’
Józef deserteerde en sloot zich aan bij het leger van de Poolse generaal Anders. Met hen vocht hij aan geallieerde zijde in Italië, onder meer in de in Polen beruchte slag om Monte Cassino. Ongeveer 85 duizend gedeserteerde Poolse Wehrmachtsoldaten sloten zich gedurende de oorlog aan bij de vele landgenoten die aan geallieerde zijde vochten. Na 1945 belandde hij in Engeland, maar miste Polen en ging terug. ‘De autoriteiten hebben hem altijd als een verrader behandeld.’
Zijn grootvader heeft een vormende rol gespeeld in het leven van Kwiatkowski, die als kunstenaar politiek geëngageerd is en in zijn werk stoeit met het Poolse verleden: ‘Wat is de betekenis van deze geschiedenis? De les is om niet te oordelen, maar proberen te begrijpen.’
‘Mijn vrouw heeft Joodse wortels. Haar familie overleefde de oorlog door zich te verschuilen in de bossen.’ Zijn moeder is van Duitse komaf, na de oorlog veranderden ze hun achternaam Ziemann in het Poolse Cyman.
‘Onze Pools-Duits-Joodse familiegeschiedenis leert me om gevoelig en open te zijn, en op die manier zo dicht mogelijk bij de waarheid proberen te komen. Ik denk dat duistere hoofdstukken uit de geschiedenis onder ogen kunnen zien een sterke democratie kenmerkt.’
De twee hedendaagse tegenpolen in die democratie zijn beiden met Gdańsk verbonden. De rechtse president en historicus Karol Nawrocki komt ervandaan en was eerder directeur van het toonaangevende Tweede Wereldoorlogmuseum in de stad (hij volgde Machcewicz op na diens ontslag). Daarna leidde hij het Instituut voor Nationale Herinnering (IPN), dat de Poolse herinneringscultuur op rechts-nationalistische leest schoeide in de acht jaar dat PiS aan de macht was.
Premier Donald Tusk komt hier ook vandaan, en speelde een hoofdrol in de voorgeschiedenis van de tentoonstelling. Toen Tusk in 2005 verkiesbaar was voor het presidentschap, brachten zijn politieke tegenstanders naar buiten dat zijn grootvader in de Wehrmacht zat. Polen was geschokt. ‘Hier was niemand verbaasd’, zegt Marcin Szopiński uit Chojnice. Grażyna Świętochowska herinnert het zich levendig. ‘Ik ben niet de enige, was het eerste wat ik dacht.’
Tusks grootvader was geen vrijwilliger, zoals zijn tegenstanders insinueerden, maar werd gedwongen ingelijfd. Tusk verloor alsnog de verkiezingen. Het leidde niet tot een doorwrochte discussie over dit thema, hoewel PiS geen gelegenheid onbenut laat om Tusk af te schilderen als iemand die de ‘Duitse belangen’ in Polen dient. Nu het debat alsnog losbarst, is ‘de tentoonstelling onderdeel geworden van het grotere Poolse herinneringsconflict’, zegt historicus Machcewicz.
Dat rechts uit zijn slof schoot over de tentoonstelling, heeft niemand verbaasd, zegt curator Hoja. ‘De echte verrassing was de stilte uit de rest van de politiek’, zegt hij teleurgesteld. Niemand schoot hen te hulp. Machcewicz gaat nog een stap verder. ‘De stilte is verontrustend en veelzeggend.’ Tusk heeft er niets over gezegd. ‘Terwijl hij nota bene hierop is aangevallen in 2005.’
Het toont aan dat het politieke midden onder druk staat, zegt hij. ‘De strategie is om historische controverses te mijden, maar dat is toegeven aan patriottische chantage. Dat is gevaarlijk. Als democratische partijen geschiedenis als thema uit de weg gaan, krijgt rechts het monopolie op de herinneringscultuur. Dit ondermijnt direct democratische waarden: autonomie van historici en musea, geschiedschrijving als een open en diverse discipline.’
Inmiddels is een brief met vierduizend handtekeningen naar de gemeente Gdańsk verstuurd, waarin op hoge poten wordt geëist dat het museum de tentoonstelling aanpast, om de nadruk te leggen op het leed van de Polen. Een van de ondertekenaars is president Nawrocki.
Ruim 65 duizend mensen bezochten de tentoonstelling, die tot mei dit jaar te zien is. Daarmee lijkt de opzet van Hoja geslaagd: een verhaal dat afgelopen decennia werd ‘uitgewist’ binnen Polen bekendmaken en tegelijk ‘mensen uit deze streek een sleutel tot hun eigen familiegeschiedenis bieden’. Dit noopt ook tot reflectie: ‘Ze waren deel van de oorlogsmachine. Dat mogen we niet vergeten.’
Op een doordeweekse middag tref je tussen de vitrines meerdere mensen die hun eigen verhaal herkennen. Eén van hen is Józef Stolosz (69). Een geslaagde tentoonstelling, maar ‘moeilijk’, vindt hij. Zijn familie komt uit Silezië, waar inwoners eenzelfde lot trof. Zijn vader werd gerekruteerd voor de Wehrmacht en naar Stalingrad gestuurd, wat hij overleefde.
Om de grilligheid van het lot te benadrukken, vertelt Stolosz over zijn oom. Die vocht in 1939 voor het Poolse leger tégen de Duitsers, simpelweg omdat hij een paar jaar ouder was. ‘Nadat mijn vader terug was gekomen, begroef hij alles wat met de Wehrmacht te maken had in de grond. Jaren later wilde ik het zoeken. ‘Nee’, zei hij. ‘Ze zullen ons vervolgen.’’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant