Het is warm in de straten van onze stad, zo warm als het in oktober is in Madrid, of april in Parijs. De terrassen zitten vol. Nog een paar dagen en het is Kerstmis. We hebben hard gewerkt de afgelopen maanden. De kinderen zijn sinds een paar dagen vrij. We weten nog niet wat de vorm wordt die de komende twee weken voor ons allemaal gaat werken, dus daarom lopen we zonder plan tussen het winkelpubliek. Ik denk aan tafelkleden van zolder halen. Misschien moeten we nog meer versieringen ophangen in huis. Misschien moet ik slapen.
„Ik weet een plek waar ze de lekkerste warme appelsap verkopen”, zegt mijn zoontje van zes opeens. We negeren hem, horecatips van een zesjarige gaan een brug te ver, maar hij blijft volhouden. Hij heeft daar laatst met zijn peetoom gezeten, echt waar, hij weet niet hoe het caféetje heet, ergens in een steegje, hij kent de weg erheen. Ik kijk hem aan en zie aan de rimpel in zijn neus dat ik naar hem moet luisteren. „Oké, we doen het”, zeg ik en hij maakt een sprongetje van blijdschap. „Volg mij”, zegt hij en zet de zwembadpas in. We draven achter hem aan. „Het is echt vlakbij”, roept hij over zijn schouder. We bereiden ons voor op een meanderende en teleurstellende tocht, maar op de eerstvolgende hoek zien we een terras met groene Jardin Luxembourg-stoeltjes. „Hierzo!” roept hij stralend en kiest zelfverzekerd een tafel in de zon uit. We bestellen. Ze brengen ons dampende koppen warm appelsap, met steranijs en gember en kaneelstokjes. We nemen een slok, hij heeft gelijk, alle winterengelen verzamelen zich in dit drankje. „Ik zei het toch?”, zegt hij steeds weer en grijnst. De afgelopen twee weken heeft hij vier melktanden verloren, het staat hem geweldig. Zijn mond geeft vooruitgang aan. Geen ruïne, maar een bouwplaats.
De welvaart schuifelt nog steeds voorbij, beladen met tassen, onder bomen die volhangen met lichtsnoeren. Ik las dat Amerikanen op de vlucht voor Trump graag in dit stadje komen wonen. Ze vinden het een liberaal paradijs, een sprookje. En dat is het ook. Al die blakende kindertjes, al die frisse-wangenmannen, al die schitterende yogabenen die maar in en uit die erfgoedpanden stappen. Als ik voorgoed hier zou kunnen zitten, op dit terras, met mijn appelsap en mijn gezin, zou ik langzaam alles waar we de hele tijd zo bang voor zijn vergeten.
Misschien moeten we dat ook wel doen, voorgoed blijven zitten, tot we verstenen, stijf glimlachend en met ijskoude handen. Eerst zouden de mensen ons eng vinden, maar na een poosje zou een slimme ambtenaar een bordje aan onze voeten in de grond hameren, waarop ‘Het Gelukkige Gezin’ stond. Van heinde en verre zouden ze naar ons komen kijken, ook na de volgende grote oorlog. Ze zouden onze neuzen aanraken tot die glommen. Ze zouden in onze ogen proberen te turen in de hoop iets te kunnen vangen van hoe dat leven was, hoe zelfvoldaan de mensen waren voor er niets meer zeker was.
Mijn zoontje zou voorgoed op weg zijn naar een nieuw gebit.
We staan op. „Misschien kunnen we voortaan iedere zondag hier appelsap drinken”, zegt mijn zoontje. „Als traditie.” „Behalve in de zomer”, zeg ik. „Dan ook”, zegt hij, „want wat maakt dat nou uit.”
We lopen. Niet verstenen. Altijd in beweging blijven.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC