Boek In het nieuwe jaar verschijnt Moet dwalen, Mutsaers’ eerste roman in bijna negen jaar. Ook in haar eigen bestaan heeft ze veel gedwaald, zegt ze. „Hoe meer je het leven als dwaaltocht gaat beleven, hoe interessanter het wordt.”
Charlotte Mutsaers met Lola.
Samen met Lola (bijna 6) zit Charlotte Mutsaers (83) op het bankje voor haar deur aan een Amsterdamse gracht op het bezoek te wachten. Dit omdat Lola, een geboren Russin die voor ze naar Nederland kwam in een landhuis woonde, nogal hard en fel kan blaffen als plotseling de bel gaat, wat onprettig is voor de buren. Nu kan ze eerst even kennismaken, wat haar er overigens niet van weerhoudt om, eenmaal binnen, toch royaal van zich te laten horen. „Ga daar maar aan tafel zitten”, wijst Mutsaers naar een plaats bij het raam. Ze neemt er zelf ook plaats, met Lola aan de andere kant op de grond.
In de eerste week van het nieuwe jaar verschijnt haar nieuwe roman Moet dwalen, de eerste in bijna negen jaar. En een nieuwe Mutsaers is hoe dan ook een evenement, een avontuur van de verbeelding. Weinig auteurs laten zich zo lastig definiëren als de P.C. Hooft-prijswinnaar van 2010, die bijzonder weinig op heeft met conventies of collectiviteit. En ook over mensen is ze niet altijd enthousiast. In een vriendenboekje van haar vorige uitgeverij Das Mag noteerde ze als levensles voor haar tienjarige zelf: „Wantrouw alle mensen die zich boven het dier verheven voelen.” Tijdens het gesprek kijkt Mutsaers („Ik ben een flapuit”) soms kort naar het opnameapparaat en houdt ze even haar mond.
Moet dwalen is ook Mutsaers’ eerste boek sinds haar man, neerlandicus en schrijver Jan Fontijn, drie jaar geleden overleed. Ze waren 53 jaar samen.
Het boek gaat over een grote liefde, die van hoofdpersoon Isi Witlamm (een kunstenaar, schrijver en wetenschapper van in de zestig) voor de Doubs, een rivier die zich door het oosten van Frankrijk krult, tegen de Zwitserse grens aan. Het is geen uitzicht-en-fotoliefde die Isi voor de Doubs voelt, maar een volle liefde met alles erop en eraan als hij zich in haar onderdompelt – iets wat in het universum van Mutsaers zonder meer tot de natuurlijke loop der dingen behoort. Isi Witlamm heeft trouwens ook een echtgenote, de dertig jaar jongere docent Vrouwenstudies Fleur Vischbeen, maar dat huwelijk beschouwt hij als een „ijselijke miskleun”. Aan het begin van de roman bevinden de twee zich in een bos, waar ook ergens de Doubs zou moeten stromen. Fleur constateert dat ze verdwaald zijn, Isi wil daar niets van weten. Hij vindt ‘verdwaald’ een verschrikkelijk „onwoord”.
Witlamm valt voor de Doubs wanneer hij haar op zijn achttiende door de Jura ziet stromen. Liefde op het eerste gezicht. Is dat Mutsaers ook overkomen? „Nee, dat is uit de grote duim gezogen. Maar die rivier heeft mij wel geïnspireerd uiteraard. Jan en ik zijn vaak in de Jura op vakantie geweest. De Doubs is zo prachtig mooi, heeft steeds een andere kleur en is heel geheimzinnig. Je kunt dat moeilijk uitleggen, maar je kunt het laten zien door iemand verliefd te laten worden op de rivier. Dat is deels natuurlijk ook een metafoor. Met je geliefde samen uitstromen in zee, dat geeft toch een soort vertrouwen in de eeuwigheid? Veel meer dan dat je in de grond ingaat.”
„Zo ging het niet. Ik wilde een boek maken over verdwalen, zowel in letterlijke als in figuurlijke zin. Verdwalen is natuurlijk iets afschuwelijks, maar ook iets heel interessants. Echt verdwalen dan. Je raakt volkomen overgeleverd en zeker in die Franse wouden ligt de dood dan op de loer. Die zijn soms zo oneindig. Op een gegeven moment bereik je niets meer met je richtinggevoel. Je hebt de zon nodig. Maar als die er niet is en je hebt geen telefoon of kompas op zak, zoals de mensen in het boek, dan red je het gewoon niet.”
„We zijn een keer zeven uur verdwaald geweest, maar dat was in een ander gedeelte van Frankrijk. Jan was toen al 75 of zo en als je ouder wordt dan is je uithoudingsvermogen veel geringer. Dus dat was echt gevaarlijk. Bovendien was het herfst, dus het werd snel donker. En de hond was erbij, ook dat nog.”
„Wij waren heel goed in paddenstoelen zoeken, maar die groeien zelden op het pad. Dus dan zie je aan de zijkant van zo’n pad bijvoorbeeld cantharellen oplichten. Op een holletje ernaartoe, wie er het eerste is! En op het moment dat je ze gaat afsnijden, dan draai je om je as en dan zie je er verderop nog meer en ga je daarheen, en draai je wederom om je as. Het is echt een hartstocht hoor, tenminste, dat was het bij ons. Als je de eerste paddenstoel in het seizoen vond, moest de ander daar die avond het maal van maken.”
„Je moet de concurrentie altijd een beetje inbouwen, toch? Om het leuk te houden. Dat geldt voor alles.” Mutsaers staat op en pakt een foto van zichzelf met een kolossale schaal eekhoorntjesbrood. „Dat was echt een passie. Nu lopen ze weer te zaniken dat je geen paddenstoelen mag plukken, omdat te veel mensen dat doen. Ga dan ook niet met allemaal schoolkinderen het bos in en zet wat je doet niet op internet. Wie doet nou zoiets? Alles moet zo nodig vertéld worden tegenwoordig. Alles is voor iedereen. Zo raakt het hele bos leeg want kinderen plukken meestal en snijden niet af.”
We dwalen, inderdaad, af. Naar het invriezen van cantharellen, een tocht met de eend naar Roemenië, de paddenstoelen die daar te vinden waren en een camping waar onmiddellijk een Nederlander op het pad verscheen. „Op een camping verdwaal je ook altijd.”
„We hadden de bof dat er ineens een jeep aankwam. De bestuurder had een emmer maiskorrels op de achterbank staan. Ik dacht meteen: klootzak, jij gaat die korrels in het bos strooien, om over een paar maanden de zwijnen die daarop afkomen, neer te schieten. Maar goed, dat zeiden we natuurlijk niet hardop. Gelukkig herinnerde ik me de naam van de parkeerplaats waar onze auto stond: La Lune. We waren daar inmiddels wel dertig kilometer van verwijderd. Dus lopend waren we er nooit meer uit gekomen.”
„Ik had dat niet van tevoren bedacht. Ik laat mijn gedachten dwalen, ook als ik schrijf. Als je verdwaalt ben je eigenlijk toekomstloos. Je denkt niets anders dan: hoe kom ik hier weer uit. Hoe meer je het leven als dwaaltocht gaat beleven, hoe interessanter het wordt. Natuurlijk weet je van je eigen leven niet waar je uitkomt. Je kunt niet zeggen: als ik zus of zo doe, dan gebeurt dit of dat. Daarom is carrièreplanning ook zo bespottelijk. Alsof je, wanneer je in het leven niet verdwaalt, je op weg naar het paradijs bent. Dat vind ik zó raar. Je weet het natuurlijk helemaal nooit.
„Daar is vervolgens ook die afgrijselijke term ‘netwerken’ uit voortgekomen. Dat heb ik me jaren geleden laten uitleggen: ze bedoelen ermee dat mensen gaan slijmen om hogerop te komen. Inmiddels zie je in hotels soms zelfs borden staan met ‘netwerkbijeenkomst’. Mensen doen het niet eens stiekem meer. Geen enkele schaamte.”
„Volgens mij niet. Je kwam gewoon af en toe leuke mensen tegen. Toen ik op mijn dertigste van de Rietveld Academie kwam – ik had eerst Nederlands gestudeerd – en mijn eerste tentoonstelling had in een café in Amsterdam, werd ik gebeld dat er een schilderij van mij was verkocht. Ik vond dat zo geweldig dat ik het meteen aan de koper ben gaan brengen. Dat bleek een geweldig leuke man, [schrijver en vertaler] Marko Fondse. We vielen als een blok voor elkaar. Later is hij ook bevriend geraakt met Jan. We zijn heel lang met zijn drieën geweest. Dat is het leuke van dwalen. Dat er iets op je pad kan komen. Zo ben ik nu dik bevriend met een man die toevallig langs kwam toen ik hier buiten met Lola op de stoep zat, net als toen ik vanmiddag op jou zat te wachten. Hij stond heel lang naar de Stolpersteine bij het buurhuis te kijken en zo raakten we aan de praat. Dat heet dwalen op de plaats.”
„Ik ben geen feminist. Dat heb je toch wel gemerkt?”
„Als je denkt aan een soort tomeloosheid, dat heb ik wel ja. Mijn grote vreugde was dat ik als kind een autoped met luchtbanden kreeg. Daarop dwaalde ik elke dag alleen door Utrecht, urenlang. Zo ben ik ook tewerkgesteld bij Circus Althof, toen ik een jaar of tien was. Ik ging altijd naar de opbouw en de afbraak kijken op het Vredenburg. Van de voorstelling vond ik de dierenbezichtiging in de pauze altijd het leukst. Toen ben ik een keer op een woensdagmiddag daar naar toe gegaan met het verzoek of ik er mocht werken, en zeiden ze: ‘meisje, zet die autoped maar tegen het hek, dan gaan we kijken wat je voor ons kunt doen.’”
Een van Mutsaers’ eerste publicaties in NRC Handelsblad was het stripverhaal ‘Meneer Donselaer zoekt een vrouw’ in augustus 1983. Op het vijfde plaatje is een blote vrouw te zien, wijdbeens en recht van voren getekend. Het onderschrift luidde: ‘Mevrouw heeft al de benen wijd / maar hij is zijn pyjama kwijt.’ Het leidde tot veertig boze brieven en acht opzeggingen. Een tweede aflevering drukte de krant niet meer af. „Ze vonden het vulgair en wat al niet, tjonge jonge,” zegt Mutsaers nu. „Ondertussen maakte Peter van Straaten in Vrij Nederland óók allemaal vrijpostige tekeningen. Misschien lag het aan mijn losse manier van tekenen. Want waarom mocht Peter van Straaten dat dan wel allemaal doen?”
„Zo denk ik niet, want ik ben geen feministe. Dat merk je toch wel?”
Charlotte Mutsaers: Moet dwalen. Prometheus, 286 blz. € 24,99
„Dat moet ook, hè? Om te schrijven moet ik me goed kunnen inleven in mijn hoofdfiguur en moet ik van hem houden. Ik vind dat Isi alles goed doet. Ik zal ook nooit – behalve in Rachels rokje, wat deels autobiografisch is – een roman vanuit een vrouw schrijven. Dat kan ik domweg niet. Een stevig fictieboek moet een man of een zoon hebben.”
„Dat zeg ik niet. Misschien heeft het te maken met mijn identiteit. Ik zou soms best een manlijke homo willen zijn, voor mij zou het helemaal niet zo gek zijn. Dat lijkt me het beste wat je kunt hebben. Dat je ‘gay’ bent van aard.”
„Op het bewuste vlak niet, maar ik heb wel ondervonden dat verdriet je creativiteit behoorlijk lam kan leggen. De impact van zijn dood heeft er natuurlijk flink ingehakt; ik leefde na 53 jaar ineens alleen. Dat is niet makkelijk.”
„Een jaar na Jans dood kon ik verder met het boek. Maar in mijn hoofd ging het boek ondertussen soms door. Als ik ging slapen had ik een pen en correspondentiekaarten naast mijn bed liggen, zodat ik invallen kon opschrijven, bij het licht van mijn zaklantaarn. Zo kwam de vitaliteit stapje voor stapje weer terug, schrijven is natuurlijk een heel erg vitale daad. Het was heerlijk om eindelijk weer door te kunnen. Ik was ook heel erg benieuwd hoe het verder zou gaan. Ik heb nog nooit een plot van tevoren bedacht. Wanneer mijn hoofdpersonen bij een mysterieus huisje komen, ben ik even gespannen als zij, nieuwsgierig naar wat er gaat gebeuren. En als je schrijft valt je hele omgeving weg.”
„Nee, dat deed ik nooit. Vroeger heeft hij mij wel een tijdje zijn werk in wording laten lezen, maar dat wilde ik niet meer. Ik weet dat er schrijvers zijn die dat wel doen, maar voor mij leef je daarvoor veel te dicht bij elkaar als echtelieden. Ik wilde zijn boeken pas lezen als ik ze gebonden in mijn handen kreeg.
„Het grootste verschil is dat ik nu voor het eerst van mijn leven alleen leef. Zo zorgde ik altijd voor heel veel kerstversieringen in de kamer, maar dat doe je niet voor jezelf. Zoals je ook geen kerstdiner voor jezelf gaat bereiden.”
„Ja gelukkig wel. Maar veel mensen van vroeger zijn er nu eenmaal niet meer. Bovendien bevind ik me niet graag in een groep. Op een receptie gaat het nog, dan kun je makkelijk vluchten. Jan en ik hadden bovendien vaak oudere vrienden. Die zijn allemaal dood. Als ik naar de wc ga en ik bekijk de verjaardagskalender… Dat vind ik zo erg. Je zou hem daarom haast weghalen, maar ja, het is toch een moment waarop je aan die mensen denkt.”
Lola is inmiddels op de rechtervoet van de interviewer in slaap gevallen. Mutsaers vraagt hoe laat het is. „Ik neem elke dag één glaasje cava. Vroeger champagne, maar dat werd me te duur.” Als er nog maar een glas in de koude fles blijkt te zitten, neemt ze zelf vlierbloesemsap. Buiten aan de gracht begint het te schemeren. Mooi licht. Mutsaers zegt dat ze in elk geval nooit naar een bejaardentehuis wil. „Dat lijkt me verschrikkelijk. Het is een groot probleem dat onze overheid geen euthanasie toestaat als je vindt dat het er tijd voor is. Of je nu tachtig bent of jonger. De keus daarvoor moet gewoon vrij zijn. Die Sarco capsule die was uitgevonden en is getest in een Zwitsers bos, leek me iets grandioos. Dat ding kan dan ergens in een veilige ruimte staan. Hup open, en erin. Je doet het gewoon zelf. Nu moeten mensen langs allemaal commissies en laten ze zich uiteindelijk in arren moede maar versterven thuis. Dat is echt erg.”
„Dat wil ik ook, maar mijn hoge leeftijd bezorgt me ook weleens angst uiteraard, want ik wil mijn hond per se overleven. We leven nu als partners, begrijp je? Het is heel bijzonder om alleen met een hond te leven: je hebt zoveel meer tijd om op alles te letten en te ontdekken dat een hond echt honderd procent je bondgenoot is. De kleinste veranderingen merkt ze op. Inmiddels kan ze goed alleen hier blijven. Maar als ik dan thuiskom en ik ga in dat kleine stoeltje daar zitten, en wat er dan gebeurt… Dat geloof je niet. Genegenheid in optima forma.”
Charlotte Mutsaers werd in 1942 geboren in Utrecht, waar ze ook opgroeide. Ze studeerde Nederlands in Amsterdam en deed de avondopleiding van de Rietveld Academie, waar ze tien jaar lesgaf als docent schilderen. Haar werk werd onder meer geëxposeerd in het Frans Hals Museum (Haarlem) en het Gemeentemuseum Arnhem.
Vanaf de jaren tachtig droeg ze geregeld bij aan NRC Handelsblad, zowel met beeldend werk als met essayistiek. Ze publiceerde onder meer de essaybundels Paardejam (1996) en Zeepijn (1999) en de romans Rachels rokje (1994), Koetsier herfst (2008) en Harnas van Hansaplast (2017). Haar werk werd onderscheiden met de Constantijn Huygensprijs (2000) en de P.C. Hooft-prijs (2010).
Mutsaers was getrouwd met biograaf en schrijver Jan Fontijn (1936-2022). Ze woont met haar hond Lola in Amsterdam.
Het laatste boekennieuws met onze recensies, de interessantste artikelen en interviews
Source: NRC