Home

Welk schilderij willen we bewaren, mochten de Russen toch ineens komen?

Smaakverandering ‘Blue Dots’ in het Stedelijk Museum Amsterdam gaat over schilderijen die in de Koude Oorlog een blauwe stip kregen, omdat ze niet belangrijk genoeg waren om hen in geval van oorlog te redden. Maar: welk schilderij mag mee de schuilkelder in, en welke wordt achtergelaten?

Zaalfoto Blue Dots, met in het midden 'De vrouw van de Leviet' van Thérèse Schwartze uit 1912.

Willen we dit schilderij bewaren, mochten er bommen vallen? Een groot succes was het doek De vrouw van de Leviet van Thérèse Schwartze in 1912 op de eerste expositie ervan in het Stedelijk Museum Amsterdam. En toch kreeg dit werk van Schwartze in de jaren vijftig een blauwe stip op de achterkant geplakt, en dat betekende heel concreet: niet waard om te redden, mochten de Russen komen.

Tentoonstelling

Blue Dots. Stedelijk Museum Amsterdam, te zien t/m 15 mrt 2026. Info: stedelijk.nl

Waarom? Je hoeft er alleen maar een blik op te werpen, en je voelt ook wel aan waar het wringt. Het tafereel: een naakte vrouw heeft zich vol wanhoop op een grafsteen geworpen. De stijl: traditioneel, academisch. In 1912 kon zoiets nog net, maar in de jaren vijftig klonk in de kunstwereld op dit soort werk de kritiek die vernieuwend kunstenaar Theo van Doesburg er al in 1912 op had: ‘onnozel handwerk’, gemaakt ‘zonder geestelijk gevoel’.

Blue Dots heet de kleine expositie op de eerste etage van het Stedelijk Museum Amsterdam. Die titel klinkt haast poëtisch, maar het heeft misschien wel de meest oneerbiedige – en spannendste – vraag van de winterexposities: welk schilderij mag mee de schuilkelder in, en welk wordt achtergelaten, mocht het er echt om gaan spannen?

Het onderwerp is een heel mooie vondst van de relatief nieuwe conservator moderne kunst Nadia Abdelkaui, die in één klein onderwerp gelijk twee grote thema’s te pakken heeft. Allereerst sluit het thema aan bij de nieuwe oorlogsdreiging in Europa, waardoor impliciet ook de vraag wordt gesteld: wat zou het huidige Stedelijk nú willen bewaren voor het nageslacht, mochten op Amsterdam bommen vallen?

Stippensysteem

Die vraag voelt voor Nederlandse begrippen nog steeds wat onwennig, maar toch is hij al behoorlijk vaak gesteld. De Nederlandse overheid begon in de 19de eeuw  met een eerste inventarisatie van te redden cultuurgoed, na de Eerste Wereldoorlog kregen de plannen extra vaart door de zichtbare vernietigingen aan het Europese erfgoed. De eerste richtlijnen waren in 1939 net klaar toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak en er direct gebruik van kon worden gemaakt, al bleek de systematiek nog niet soepel genoeg. Na 1945 werd een nieuwe poging gedaan, toen in de Koude Oorlog duidelijk werd dat een conflict met kernbommen voor een enorme schade aan het cultureel erfgoed zou zorgen.

Achterkant van schilderij uit de Stedelijk-collectie met rechtsboven een blauwe stip.

In 1951 verordende de overheid voor kunstmusea daarom een eenvoudig stippensysteem: rood stond voor ‘zeer belangrijk’, wit voor ‘belangrijk’ en blauw voor ‘minder belangrijk’. De werken op de expositie Blue Dots hebben er in die Koude-Oorlogsjaren allemaal een blauwe gekregen; de meeste werken zijn van nu onbekende schilders, maar een aantal zijn ook van bekende namen zoals Jozef Israëls – of ook: van opníéuw bekende.

Schilderes Nola Hatterman is hiervan het dankbaarste voorbeeld, met name haar schilderij van de Surinaamse jazzmuzikant Louis Richard Drenthe. In 1930 werd dit schilderij door het Stedelijk Museum aangekocht, na 1950 verdween het en werd uiteindelijk in 1999 in zeer slechte staat in een universiteitsgebouw ontdekt. De laatste jaren is het gerenoveerde werk in het Stedelijk uitgegroeid tot „een van de publiekslievelingen”, zoals het tekstbordje het noemt, terwijl Hatterman is herontdekt als pionier voor het kunstonderwijs in Suriname.

Smaakverandering

Met Blue Dots snijdt de expositie daarmee ook nog een tweede, veel breder thema aan: dat van de historische smaakverandering. Tenslotte werd het stippenschema door het Stedelijk allerminst ‘objectief’ uitgevoerd. Het Stedelijk ging uit van de destijds heersende strenge kunsthistorische opvatting: modernistische, liefst abstracte kunst mocht wel bewaard worden, en de klassiekere, meer realistische niet. Maar inmiddels is ook dát weer veranderd en worden keuzes uit de periode na 1951 door nieuwe opvattingen in het heden ingehaald.

Nola Hatterman, Louis Richard Drenthe / Op het terras, 1930.

De expositie reflecteert daarmee niet alleen op het eigen verleden, maar lijkt de toenmalige strengheid impliciet ook te bekritiseren. Dit past in de koers van het Stedelijk van de afgelopen jaren, waarin er wordt gezocht naar een verbreding van het kunsthistorische verhaal van de moderne kunst. Er is nu meer oog voor de kunst waarin niet per se de vooruitgang van de moderne kunst naar steeds abstracter voorop staat.

In zekere zin heeft zelfs Thérèse Schwartze, schilder van De vrouw van de Leviet en destijds een gevierd portrettist van de elite, de afgelopen jaren een bescheiden herwaardering achter zich. Al kan je je het werk van Schwartze in de vaste opstelling van het Stedelijk Museum nog steeds niet voorstellen, haar bescheiden terugkeer valt wel binnen de brede internationale herwaardering van academische kunst, die zeker al vijftien jaar gaande is.

Willem Martens, Rêve d’amour, circa 1892-1895.

Het Stedelijk suggereert met de beeldende vormgeving van de expositie – de gouden lijst van Thérèse Schwarze’s naakt hangt bijna provocatief midden in een grote blauwe cirkel op de museummuur – zelfs een beetje koket dat het anno 2026 eigenlijk best moedig is deze vergeten aspecten van het eigen verleden te durven omarmen. Maar zo baanbrekend kan je het dan toch ook weer niet noemen: heel wat van dat wat in deze zaal is te zien is voor de hedendaagse museale standaard eigenlijk al best weer geaccepteerd. Terwijl het merendeel dat destijds een blauwe stip kreeg – conventionele landschapjes, bloemstillevens – ook hier niet wordt getoond, en het de vraag is of de huidige museumleiding die nu ineens wel van de Russen zou willen redden.

Helaas is de expositie net te klein om dit tweede niveau van de smaakverandering echt uit te werken. Met de historische invalshoek kan je Blue Dots daarom het beste beschouwen als een soort prikkelende vingeroefening voor het onbevooroordeeld kijken. De zaal bevindt zich precies in het midden van de vaste collectie. Daarmee wordt het zaaltje vanzelf een uitgangspunt voor de relativerende blik op dat wat je in de rest van het museum ziet – wat zal blijven, en: wat vind jijzelf?

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next