Middelbaar beroepsonderwijs
Dit is het dagelijkse commentaar van NRC. Het bevatmeningen, interpretaties en keuzes. Ze worden geschreven door een groepredacteuren, geselecteerd door de hoofdredacteur. In de commentaren laat NRC zien waar het voor staat. Commentaren bieden de lezer eenhandvat, een invalshoek, het is ‘eerste hulp’ bij het nieuws van de dag.
Mbo’ers vervullen cruciale functies in sectoren als zorg, techniek, transport en logistiek, voedselvoorziening, kinderopvang en onderwijs. Hun kennis en vaardigheden verdienen net zoveel respect als die van afgestudeerden van hogescholen en universiteiten. Toch leeft bij studenten op het middelbaar beroepsonderwijs het idee dat hun diploma minder aanzien heeft en dat doorstuderen nodig is om mee te tellen.
Dat heeft te maken met een overtuiging die kinderen al vroeg meekrijgen: hoe hoger hun opleiding, hoe beter. Op de basisschool wordt doorlopend getoetst en ontstaat een onzichtbare scheidslijn tussen wie naar havo of vwo mag en wie naar vmbo of praktijkonderwijs moet. De doorstroomtoets in groep 8, die vanaf deze maand weer wordt afgenomen, laat zien hoe vroeg die druk begint – en hoe bepalend die eerste selectie kan zijn voor de verdere onderwijsloopbaan.
Gelukkig doen beleidsmakers pogingen om het beeld te kantelen dat theoretisch onderwijs beter is dan praktisch. Zo heten mbo’ers sinds enkele jaren wettelijk ‘studenten’, hoewel ze in de volksmond nog vaak abusievelijk ‘leerlingen’ worden genoemd. Ook het pleidooi van voormalig minister van Onderwijs Robbert Dijkgraaf (D66) om het onderwijs niet als ladder naar steeds hogere niveaus, maar als waaier van gelijkwaardige routes te zien, was een stap vooruit. Net als zijn oproep aan havo- en vwo-leerlingen om het mbo niet bij voorbaat uit te sluiten als vervolgopleiding.
Een teken van toegenomen zelfvertrouwen bij het mbo is de opkomst van practoraten: onder leiding van een practor werken docenten, studenten en bedrijven samen aan praktijkgericht onderzoek naar onder meer gelijke kansen, technologie, duurzaamheid en zorg. Inmiddels bestaan er bijna 160 practoraten. Daarmee laat het mbo zien dat het niet alleen opleidt, maar ook innoveert.
Er zijn meer lichtpuntjes. Waar introductieweken aan het begin van het studiejaar voorheen voorbehouden waren aan hbo- en wo-studenten, zijn mbo’ers de laatste jaren vaker welkom, al blijft het soms bij één gezamenlijke dag. Waar ze niet mogen meedoen, zoals in Rotterdam, organiseren mbo-scholen zelf een introductietijd. Bij het traditionele Studentendebat aan de vooravond van de Tweede Kamerverkiezingen waren in oktober voor het eerst mbo-studenten uitgenodigd. Ook mooi is dat het ministerie van Onderwijs vanaf februari tien traineeplekken heeft voor gediplomeerde mbo’ers. Zo’n programma bestond al voor afgestudeerden van hbo en wo.
Ondanks deze stappen is echte gelijkwaardigheid nog ver weg. Sommige studentensportverenigingen stellen hun faciliteiten voor mbo’ers open, maar studentenhuizen en studentenverenigingen blijven meestal gesloten voor hen.
Ook een stageplek vinden is voor mbo’ers nog altijd een probleem. Eén op de tien ervaart bij die zoektocht discriminatie vanwege uiterlijk, huidskleur, herkomst of geloof. Daarnaast krijgen mbo’ers, anders dan hbo- en wo-studenten, vaak geen stagevergoeding. Onderwijsminister Gouke Moes (BBB) speelde wat dat betreft afgelopen jaar een teleurstellende rol: hij beloofde dit te regelen, maar keerde terug op zijn schreden. Gelukkig nam de Tweede Kamer een motie aan die het kabinet aanspoorde hier alsnog werk van te maken.
Laat 2026 het jaar zijn waarin alle mooie woorden over een herwaardering van het mbo worden omgezet in daden: geef kinderen het gevoel dat praktische kennis even zwaar telt als theoretische, zorg voor eerlijke stagevergoedingen en geef mbo’ers een volwaardige plek in het studentenleven.
Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen
Source: NRC