Sociale wetenschap Politieke opvattingen van wetenschappers pro of contra migratie spelen een rol bij hun conclusies, volgens een nieuwe studie. Bewust of onbewust maken ze andere keuzes.
Cubaanse vluchtelingen komen per boot aan in Key West, een eiland voor de kust van de Amerikaanse staat Florida, april 1980.
Politieke overtuigingen beïnvloeden hoe wetenschappers de gevolgen van immigratie beoordelen. Onderzoekers met uitgesproken pro- of antimeningen trekken andere conclusies uit dezelfde gegevens over de effecten van migratie op publiek vertrouwen en sociale cohesie.
Dat schrijven twee onderzoekers in Science Advances. De Amerikaanse immigratie-econoom George Borjas van Harvard en Nate Breznau van het Duitse Instituut voor volwasseneneducatie, analyseerden een eerder gedane proef waarin een grote groep sociaal wetenschappers een dataset over de effecten van migratie moest beoordelen.
De groep van 158 onderzoekers, verdeeld over 71 teams, kreeg een identieke set data voorgelegd. De hypothese die ze kregen luidde dat door immigratie het publieke vertrouwen in sociaal beleid afneemt. De deelnemers – vooral sociologen (55,4 procent) en politicologen (27,4 procent) – waren tevoren ondervraagd over hun opvattingen over migratie, in het bijzonder of ze vonden dat immigratiewetten strenger moesten worden of juist niet. De bevindingen van de teams bleken vervolgens sterk uiteen te lopen, geen van de teams kwam met exact dezelfde conclusies. Volgens de opstellers van het experiment waren er in hun statistische model echter geen aanwijzingen dat overtuigingen van de deelnemers daar een significante rol in speelden.
Borjas en Breznau concluderen in hun nadere analyse nu van wel. Zij menen een duidelijke correlatie te hebben gevonden tussen uitkomsten en politieke opvattingen van deelnemende wetenschappers. De resultaten blijken het verst uiteen te lopen tussen onderzoekers met de sterkste pro- of anti-immigratieopvattingen. De eerste groep zag de meeste negatieve effecten van migratie op publiek vertrouwen in de overheid en sociale cohesie, de tweede groep de minste.
Dat betekent volgens de auteurs niet dat deelnemers manipuleerden met data of modellen verkeerd gebruikten. Bewust of onbewust maakten ze andere keuzes in de selectie of weging van relevante factoren. Daarbij ging het volgens Borjas en Breznau met name om vijf keuzes, zoals het aggregeren van data over publiek vertrouwen (op diverse terreinen zoals zorg en werkgelegenheid), immigratie bepalen als stock (percentage van de bevolking) of als flow (immigratie minus emigratie). De studie roept volgens de auteurs „cruciale vragen op over het subjectieve karakter van empirisch onderzoek”.
Een beperking van de studie, noteren zij zelf, is dat maar weinig deelnemers aan het oorspronkelijke experiment uitgesproken anti-immigratie waren. Van de 71 teams konden negen als zodanig worden aangeduid. Dat maakt de analyse volgens de onderzoekers betrouwbaarder als het gaat om de invloed van pro-immigratieopinies , maar doet niet af aan hun algemene conclusie dat „ideologie een rol speelt in de uitkomsten van onderzoek”.
Migratiehistoricus Leo Lucassen, directeur van het Internationaal Instituut voor sociale geschiedenis (IISG) in Amsterdam, noemt het onderzoek „erg interessant” en hoopt dat het discussie losmaakt, maar hij heeft wel kanttekeningen. Zo mist hij aandacht voor de politieke framing van het debat over migratie. „Het maakt veel uit hoe politici praten over migratie. Het kan zijn dat sommige onderzoekers daar meer oog voor hebben dan andere en dat dit hun uitkomsten beïnvloedt. Maar is dat bias? Je kunt ook zeggen: die kijken breder.” Ook sociale factoren als versobering van de verzorgingsstaat kunnen meespelen. Los daarvan, zegt hij, maakt het natuurlijk uit wat je gaat onderzoeken en hoe precies, „maar dat geldt voor alle wetenschappers”. Oog voor die bredere context mist hij ook in eerder werk van Borjas, zoals dat naar het effect van migratie op lonen voor laaggeschoolde arbeid.
Historicus Steije Hofhuis, die in Berlijn onderzoek doet naar migratie, is „heel blij” met het onderzoek, dat volgens hem laat zien dat „onderzoek naar migratie ook met de beste bedoelingen en met verdedigbare keuzes gevoelig is voor ideologie”. Hij wijst erop dat Borjas en Breznau de integriteit van de onderzochte wetenschappers niet betwijfelen en hoopt dat hun analyse helpt het „taboe” op wetenschappelijk debat over migratie te doorbreken. Zelfstandig onderzoeker Jan van de Beek, die op de politieke rechterflank naam maakte met kritiek op migratiebeleid en zijn boek Migratiemagneet Nederland (2024), houdt het, gevraagd of hij wil reageren, op een kort en bondig nee.
De Cubaans-Amerikaanse George Borjas (1950), hoogleraar aan Harvard, is een gerenommeerde immigratie-econoom die bekendstaat als criticus van laaggeschoolde immigratie en ‘politieke correctheid’ in de wetenschap. Borjas, die op zijn twaalfde met zijn moeder van Cuba naar de VS kwam, publiceerde veel over de effecten van immigratie op de economische positie van laaggeschoolde Amerikanen. Zijn boek We Wanted Workers (2016) is een kritiek van het „immigratienarratief”. Op zijn blog sprak hij zich uit voor strengere immigratieregels en belasting op bedrijven die profiteren van goedkope arbeid door migranten, maar tegen „onmenselijke” massale deportaties en tegen het bouwen van een muur aan de grens met Mexico.
In 2017 werd Borjas het middelpunt van een controverse over zijn analyse van Cubaanse migratie in 1980 naar de VS die een negatief effect zou hebben gehad op de lonen van Amerikaanse arbeiders. Dat artikel trok veel inhoudelijke kritiek, maar werd instemmend aangehaald door toenmalig president Trump als steun voor zijn plan om immigratie te bepreken. Borjas kreeg ook sporadisch bijval uit progressieve hoek, van academici die vonden dat links in de VS de discussie over de effecten van migratie ten onrechte uit de weg ging.
Op de hoogte van kleine ontdekkingen, wilde theorieën, onverwachte inzichten en alles daar tussenin
Source: NRC