Home

De rechtse stickers weg, Che Guevara blijft zitten

Opinie Thomas Hogeling beschouwt wekelijks de publieke opinie. Wat wordt er gezegd en vooral niet gezegd? Deze week: je steentje bijdragen.

Een huisje, bestaande uit een vierkant met een kruis erin en daarbovenop een driehoekig dakje. De kenner weet wat hij ziet als hij dat op een wc-deur getekend ziet staan. Dat gezellige huisje was eerst een hakenkruis. Door de lijnen te verbinden en een vorm toe te voegen, is het onschadelijk gemaakt. Al zolang ik me kan herinneren koester ik een bepaalde fascinatie voor het hakenkruis. Als kind tekende ik het regelmatig, waarna ik er snel een huisje van maakte. Wat is er nou spannender dan iets dat absoluut verboden is, het symbool van het kwaad? 

Die onhebbelijke gewoonte heb ik afgeleerd, maar de focus op politieke symbolen heb ik altijd behouden. Automatisch scan ik op straat bekladde muren en bestickerde regenpijpen. Helaas moet ik concluderen dat de hoeveelheid extreemrechtse straatbekladding fors toeneemt, zelfs in het relatief progressieve Amsterdam. Het zijn met name stickers; veel Prinsenvlaggen, regenboogvlaggen met een kruis erdoor en white power-logo’s. Volgens Sander Schimmelpenninck is het niet de vraag waarom we die extreemrechtse rotzooi in de openbare ruimte zien, maar waarom niemand het binnen 24 uur weghaalt: „Waarom de rest van ons er zwijgend langsrijdt, soms jarenlang, is waarover u echt geschokt moet zijn”. 

Hoewel ik het altijd waardeer als Schimmelpenninck aanwijst waarover ik geschokt moet zijn, is mijn observatie in het centrum van Amsterdam toch echt anders. Waar radicaal-linkse stickers goed blijven plakken, zijn extreemrechtse symbolen meestal binnen een week weer weg. Natuurlijk, ik woon in een links reservaat in een rechts land, maar toch. Zelf draag ik ook mijn steentje bij; extreemrechtse stickers krab ik weg, Che Guevara laat ik zitten. Halverwege december wachtte een flinke klus, want op de ramen van het gebouw waarin ik mijn kantoortje heb, waren zeker twintig extreemrechtse stickers geplakt. Terwijl ik naar de NOS Voetbalpodcast luisterde, begon ik de stickers met m’n nagels eraf te krabben. 

Toen gebeurde er iets bijzonders, iets filmisch haast. Zwijgend kwamen twee jongens naast me staan om te helpen. Het gebouw is van de UvA en ik denk dat ik ze het best kan omschrijven als typisch linkse UvA-studenten. Denk in clichés, overdrijf dat nog een beetje en je hebt een beeld. Zo stonden we daar een tijdje te krabben, zonder iets te zeggen. Ik deed mijn koptelefoon af, keek een van de jongens aan en opeens voelde het heel ongemakkelijk. Wat waren we nou aan het doen? Dachten we soms dat we in het verzet zaten? De stickers kwamen er ook niet lekker af, er bleef steeds wit overblijfsel zitten. Juist door niets te zeggen, voelde de situatie plechtiger en plechtiger en daar kan ik niet zo goed tegen. Maar ik wist ook niet wat ik moest zeggen. ‘Ja, dit moeten we niet accepteren op ons gebouw’, had ik in mijn hoofd, maar dat leek me voor zich spreken. Dus in eerste instantie glimlachte ik maar wat, waarop een van de jongens met een serieus gelaat terug knikte.

Ik begrijp niet waarom ik zo’n situatie niet gewoon kan accepteren. Wat is er mis met zwijgen op zo’n moment? Waarom moet ik per se iets roepen waarmee ik de schoonheid weer kapot maak? Ik kon me niet langer inhouden. „Kijk, de boodschap is prima, maar stickers op ramen plakken, dat doe je gewoon niet”. Ik vind het niet eens een slechte grap, maar het is de compulsieve neiging waar ik me achteraf het meest aan stoor. Dat het niet voelt als een keuze; als ik de grap eenmaal in mijn hoofd heb, bestaat er gewoon geen scenario waarin ik ‘m niet maak. De jongens hadden me kunnen redden door gul te lachen, maar dat deden ze niet. Een van de twee leek ietsje te grinniken, maar ze leken vooral niet zeker te weten of ik het meende of niet. In een split second moet je dan besluiten of je de grap gaat uitleggen, ik liet het erbij. Eenmaal op kantoor zag ik mezelf in de spiegeling van het raam. Geblondeerd haar, een keurige donkergroene trenchcoat, een nette spijkerbroek en zwarte leren schoenen. Met een beetje fantasie zou ik zo de Kamer in kunnen voor Forum voor Democratie. Ze zullen toch niet gedacht hebben dat ik?

Source: NRC

Previous

Next