Home

Geloof in de democratie is hard werken – met liefde

Politieke deugden Democratie kan niet zonder geloof – fides – in de democratie. Geloof is meer dan religie, zeggen Beatrice de Graaf en Rik Peels, en het vereist vertrouwen, affectie en volharding.

Een democratie kan niet zonder democraten. En democraten kunnen niet zonder geloof in de democratie. Daarom moeten we het over dat geloof hebben. Want waar gelooft u nog in, als het gaat om ons politieke bestel? In onze regering? In de instituties van de rechtstaat? En als het antwoord daarop enigszins twijfelachtig zou zijn, hoe staat het dan met uw toewijding aan de idee van democratie als zodanig?

Beatrice de Graaf is faculteitshoogleraar en bekleedt de leerstoel Geschiedenis van de Internationale Betrekkingen aan de Universiteit Utrecht.

Rik Peels is hoogleraar en bekleedt een onderzoeksleerstoel godsdienstfilosofie aan de Vrije Universiteit Amsterdam.

Ze werken samen bij onderzoeksconsortium Adapt!

Als we er de krantendatabank op naslaan neemt het aantal hits op ‘geloof in de democratie’ de afgelopen paar jaar evenredig toe met de negatieve toonzetting van die artikelen. Het geloof in die democratie, zo veronderstellen veel van die bijdragen, wordt uitgehold door individualisering, door globalisering, doordat onze regeringen er zelf een potje van maken, of doordat het nu eenmaal een trend is die in de VS al langer gaande was en langzaam ook naar Europa en Nederland overslaat. We kunnen lang over die verklaringen doorbomen, maar aan het einde van het jaar gekomen willen we het over dat geloof als zodanig hebben.

Want geloof is van de klassieke deugden het ondergeschoven kindje. En dat komt omdat deze deugd van fides (geloof) geplaagd wordt door twee wijdverbreide en met elkaar samenhangende misverstanden. Dat is jammer, want daarmee doen we onszelf, onze samenleving en ja, ook de democratie, tekort.

Het eerste serieuze misverstand is dat geloof vooral een religieus fenomeen zou zijn, iets voor ‘gelovigen’. Aan deze misvatting hebben sommige gelovigen overigens actief bijgedragen: mensen die niets met God en kerk hebben werden dan ‘ongelovigen’ genoemd. Zeker, geloof in God, in een hiernamaals, in de drie-eenheid, in Mohammed als profeet zijn allemaal zeer duidelijk omlijnde vormen van religieus geloof. Maar dat neemt niet weg dat geloof meer is dan alleen religie, er zijn nog twee belangrijke vormen te noemen die de brandstof vormen van ons sociale leven.

Alledaags geloof

Er is alledaags geloof. De meeste mensen geloven toch wel in de betrouwbaarheid van hun geliefde. Anders geloven ze misschien in de missie van hun bedrijfsleiding, hun partij (‘Het kan wél!’, luidde de campagneleus van D66), of gewoon in hun eigen kunnen. En er is seculier geloof. De meeste Nederlanders geloven nog altijd in het belang van onpartijdige rechters, in de waarde van het aangaan van de dialoog, in de intrinsieke waardigheid van alle mensen en in de democratie als minst slechte regeringsvorm.

Nu zult u zeggen, ja maar voor veel van zulk geloof is toch ook bewijs? En dan is het toch eigenlijk geen geloof meer? Dat brengt ons bij het tweede misverstand, namelijk dat geloof iets irrationeels (want onbewijsbaar) zou zijn. Geloven komt dan tegenover redelijkheid en kennis te staan. Geloven zou dan zijn dat je iets voor waar houdt wat je helemaal niet aan kunt tonen. Die karikatuur is in de literatuur en de wetenschap inderdaad wijdverbreid. Voor de Amerikaanse schrijver Mark Twain was geloof „believing what you know ain’t so”. Voor de Britse filosoof Bertrand Russell was het „a firm belief in something for which there is no evidence”. In de filosofie en godsdienstwetenschap zijn die karikaturen inmiddels allang en grondig weerlegd, bijvoorbeeld in de analytische godsdienstfilosofie (zie Daniel Howard-Snyder en Meghan Page).

Bij dit onderzoek moeten we even stilstaan, en wel om uit te leggen waarom geloof niet irrationeel is, en juist broodnodig voor elk mens, en voor elke samenleving. Het laat namelijk zien dat geloof drie cruciale componenten heeft. Ten eerste moet je in het leven ergens op kunnen vertrouwen (reliance), anders ben je nergens. Je dient enige fiducie in sommige mensen en zaken te hebben. Daarmee maak je jezelf inderdaad kwetsbaar, want je gaat uit van de betrouwbaarheid van je partner of van de goede bedoelingen van je collega’s, maar zonder zulk vertrouwen gaat iets van waarde verloren.

Toch is dat nog niet genoeg. Want je kunt er misschien wel blind op vertrouwen dat je partner op donderdag de vuilnis zal buiten zetten, maar dat betekent nog niet dat je ook echt in je partner gelooft. Daar is ten tweede een positief gevoel (positive affection) voor nodig. Je schenkt niet alleen vertrouwen maar ook affectie aan die persoon. En dat geldt ook voor andere objecten van ons geloof. Als je in de democratie of de rechtstaat gelooft, dan laat dat je niet onberoerd: je hecht eraan en als het ondermijnd wordt, dan baart dat je zorgen. Affectie zorgt ervoor dat je ook iets gaat doen met je geloof (je komt ervoor in actie).

In de derde plaats heeft geloof nog wat robuustheid nodig, of resilience. Geloof moet tegen een stootje kunnen. Het moet weerbaar zijn wanneer het met vijandschap of aanwijzingen voor het tegendeel te maken krijgt. Je moet je geloof in je partner niet meteen kwijtraken als hij een keer gemeen naar je is. En je geloof in de wetenschap hoort ook niet meteen te verdwijnen als je leest over een replicatiecrisis waarbij herhaling van bestaand onderzoek andereresultaten oplevert.

Bestookt met complottheorieën

Vertrouwen, affectie en robuustheid zijn geen irrationele zaken. Je kunt op goede gronden iets of iemand vertrouwen, iemand jouw gevoelens van affectie schenken en daar ook best stevig in verankerd staan. Het is misschien niet altijd makkelijk, maar onredelijk of ongefundeerd hoeft het zeker niet te zijn.

Aldus toegerust met een beter begrip van geloof, gaan we ook zien hoe noodzakelijk het is om die deugd van fides te voeden en te koesteren. Want we leven in tijden waarin juist deze deugd op het spel staat. We worden geconfronteerd met pogingen om ons geloof in de rechtspraak, de wetenschap, de media te ondermijnen met des- en misinformatie. We worden bestookt met complottheorieën over kwaadaardige elites die het op ons drinkwater, vaccins, bloed en wat dies meer hebben voorzien. Om al die complotten dan simpelweg af te doen als onzin volstaat niet. Want ook complotten hebben soms een kleine kern van waarheid (we weten bijvoorbeeld nog lang niet alles over de bijwerkingen van vaccins). En ook ons geloof kan soms te overtrokken zijn (noch de wetenschap noch de democratie kunnen alles oplossen).

Hoe moeten we de deugd van fides dan vormen, voeden en koesteren? Hoe doe je dat als het gaat om zulke abstracte zaken als ‘de democratie’ of ‘de dialoog’? Volgens filosofen is geloof een ‘drieplaatsige relatie’, en moeten alle onderdelen van die relatie goed worden begrepen. Als er geloof is moet er (1) iemand zijn die (2) iets of iemand anders gelooft (3) met betrekking tot iets waar dat geloof op is gericht.

Geloof in de democratie vraagt op al die drie punten groot onderhoud. Er moeten genoeg burgers zijn die in principe vertrouwen willen schenken aan die democratie. Ze moeten niet bij voorbaat al wantrouwend en sceptisch zijn. Democratie, dat zijn wij zelf, dus schouders eronder, en laten we elkaar vooral ook aanspreken als mensen te makkelijk aan de zijlijn gaan staan schimpen. Het is veel te kort door de bocht om het geloof in dialoog tussen andersdenkenden als een cynische vorm van machtsuitoefening terzijde te schuiven (zoals journalist en historicus Tineke Bennema bijvoorbeeld heeft gedaan), en het is noodzakelijk om tegen de klippen op toch in die prepolitieke grondstof van de democratie te blijven investeren (zoals Natasha van Weezel laat zien in haar boek Hoe houd je je hart zacht).

Oefenen in geloven

In de tweede plaats moeten we onszelf oefenen in het geloven in mensen of partijen die het waard zijn, die daadwerkelijk opkomen voor die democratie. Maar zonder dat we hen op een voetstuk zetten of verwachten dat ze altijd als engelen van het licht ons van al het onheil zullen redden. We moeten iemand niet te snel aan de kant zetten. Wel mogen we van een partijleider of bestuurder verwachten dat hij of zij betrouwbaar is, het goede compromis zoekt, en eerlijk de Kamer informeert over de schade die bepaald (mestuitrijd-)beleid voor de natuur oplevert. Als iemand niet bona fide is, moeten we concluderen dat we ons geloof dus beter in iemand anders kunnen stellen.

Tot slot dienen we ook eerlijk te zijn over wat we van die persoon kunnen en mogen verwachten. Geloof in rechters betekent niet dat je mag verwachten dat ze jou altijd gelijk zullen geven. Geloof in de minister van Landbouw betekent niet dat zij het mestoverschot kan wegtoveren. Zo werkt noch de rechtspraak, noch het landsbestuur. Geloof in een partij of partijleider betekent in een democratie evenmin dat de standpunten van die partij ten koste van alle andere partijen erdoor gedrukt zullen worden. We leven immers niet in een éénpartijenstaat.

Geloof in de democratie, geloof als zodanig vraagt om een bewuste keuze. Zoals de filosoof Thomas van Aquino al zei, „geloof is een handeling van het denken dat de waarheid beaamt na een wilsbesluit”. Geloof is niet irrationeel en ook niet alleen emotioneel. De theoloog Anselmus van Canterbury vatte het nog bondiger samen: fides quaerens intellectum, geloof zoekt het begrip. De democratie heeft democraten nodig. Geen blinde gelovigen, maar burgers die bereid zijn willens en wetens en geïnformeerd te kiezen. Dus, als u toch al lijstjes met goede voornemens aan het maken was, voeg dit er dan aan toe: hoe blijf ik investeren in dialoog en democratie? Aan wie hecht ik eigenlijk geloof? Met betrekking tot welke zaken geloof ik hem of haar? En hoe houden we met elkaar dat emotionele én rationele verlangen naar een betere stad, een beter land, tegen de klippen op in leven?

Source: NRC

Previous

Next