De pensioenen van ruim vijf miljoen Nederlanders gaan op 1 januari over naar het nieuwe pensioenstelsel. De eerste grote testcase voor de veelbesproken transitie lijkt vooralsnog rustig te verlopen, maar de grootste uitdagingen moeten nog komen.
is politiek verslaggever van de Volkskrant en schrijft over pensioenen en sociale zekerheid.
De pensioensector telt deze dagen af naar de eerste grote lakmoesproef van de jarenlang voorbereide pensioenhervorming. Nadat al een zestal kleine tot middelgrote pensioenfondsen afgelopen jaar waren overgegaan op het nieuwe stelsel, volgen op de eerste dag van 2026 naar verwachting 24 fondsen.
Bij die fondsen zitten enkele van de allergrootste, zoals het zorgfonds PFZW (3 miljoen deelnemers), het pensioenfonds voor metaal en techniek PMT (ruim 1,2 miljoen deelnemers) en het bouwfonds Bpfbouw (750 duizend deelnemers). In totaal hebben de fondsen die overgaan 9,5 miljoen pensioenen in beheer, verdeeld over zo’n 5 miljoen deelnemers. Die zijn goed voor 500 miljard euro, een derde van al het pensioengeld in Nederland.
Het is een uitzonderlijk complexe operatie en al jaren wordt door zowel voor- als tegenstanders van het nieuwe stelsel gewezen op de risico’s. Niet alleen moet er een enorme hoeveelheid geld worden overgeheveld, ook moet alle administratie in veelal nieuwe systemen worden gezet. Een proces waarbij van alles mis kan gaan.
Daar bovenop komt nog eens dat de pensioenpot van de fondsen opnieuw moet worden verdeeld over de deelnemers. In het oude stelsel was er een gezamenlijke pensioenpot en was het pensioen een soort belofte op een deel daaruit. In het nieuwe systeem krijgen deelnemers een eigen rekening waarop ze zien wat ze hebben ingelegd en wat hun verwachte pensioen is bij goede en slechte scenario’s. Pensioenen worden afhankelijker van de beleggingen die fondsen doen: ze kunnen sneller omhoog, maar ook omlaag.
Afgelopen maanden moesten de fondsen voor die verdeling een gedetailleerd plan overleggen aan De Nederlandsche Bank (DNB), die als toezichthouder kijkt of de verdeling wel ‘evenwichtig’ is. Het gaat er dan onder meer om dat generaties er niet te veel op voor- of achteruit gaan. Hoewel DNB in enkele gevallen aan fondsen vroeg om hun plannen bij te schaven, ging voor geen fonds het sein op rood.
Toch werd afgelopen week eens te meer duidelijk dat de verdeling uiterst gevoelig ligt. Zo begint Stichting PensioenVoldoen een rechtszaak tegen zorgfonds PFZW. De stichting vindt de wijze waarop het fonds het geld verdeelt oneerlijk: gepensioneerden zouden eerst moeten worden gecompenseerd voor misgelopen pensioenverhogingen van de afgelopen jaren. Hoewel die claim door juristen als uiterst wankel wordt beschouwd, kunnen zulke zaken wel tot onrust leiden in de sector.
Veel hangt ook af van wat pensioendeelnemers straks als definitieve berekening zien. Afgelopen maanden kregen deelnemers van fondsen die overgaan al brieven met daarin een prognose van wat de overstap voor hen betekent.
Maar in de praktijk roepen die ook veel vragen op. Hoewel een van de doelen van het nieuwe stelsel meer duidelijkheid over pensioenen was, blijkt dat lastig. De Autoriteit Financiële Markten (AFM) schreef in november nog dat de toelichting van fondsen bij de verwachte pensioenen soms ‘te generiek’ is. ‘Dat kan leiden tot onrealistische verwachtingen bij deelnemers.’ Doordat pensioen geen belofte meer is maar een vooruitzicht, is het sowieso lastig om duidelijkheid te bieden.
Dat het verder meevalt met de onrust, is deels te danken aan de financiële markten, die zich afgelopen jaar herstelden van een flinke duikeling. Om voldoende geld voor de oude dag van miljoenen Nederlanders te garanderen, beleggen pensioenfondsen het ingelegde geld voor rendement. Gaat het mis op de beurs, dan dreunt dat door bij de fondsen.
Hoewel financieel zwaar weer dus altijd slecht nieuws is voor pensioenen, werd er met het oog op de overgang op 1 januari meer gewicht aan gehangen. Een goede financiële positie maakt het namelijk een stuk makkelijker om bijvoorbeeld leeftijdsgroepen te compenseren die er in het stelsel anders op achteruitgaan. Ook willen fondsen geld opzijzetten om in de toekomst tegenvallers te voorkomen en pensioenen, als het kan, wat te verhogen.
Door de stabiele financiële situatie van de fondsen, is daarvoor voldoende ruimte. ‘Het ziet er allemaal heel florissant uit’, aldus een woordvoerder van de Pensioenfederatie. Hoe hoog de compensatie of verhoging is, verschilt sterk per fonds, maar over het algemeen zijn de berichten gunstig.
Het optimisme neemt niet weg dat er uitdagingen blijven. Eigenlijk waren meer dan de 24 pensioenfondsen die nu overgaan van plan dat te doen. Maar afgelopen jaar concludeerden die fondsen dat de tijd daar nog niet rijp voor is, bijvoorbeeld omdat nieuwe ICT-systemen nog niet gereed zijn voor de overgang.
Die voorzichtige houding is begrijpelijk bij zo’n complexe operatie. Maar als meer fondsen hun overgang naar het nieuwe stelsel uitstellen, is dat niet zonder risico. Omdat fondsen maar beperkt de tijd hebben om over te gaan - de uiterste deadline voor de transitie staat nu op 1 januari 2028 - wordt gevreesd voor een flessenhals. Als te veel fondsen over willen op hetzelfde moment verhoogt dat de druk op de pensioenuitvoerders, die in de praktijk de administratie van de fondsen regelen. Zij hebben maar een beperkte capaciteit. Hetzelfde geldt voor toezichthouder DNB, die in één keer veel plannen van fondsen moet controleren.
In theorie kan zo’n situatie zich voordoen op 1 januari 2027. Volgens de DNB gaan dan inderdaad meer fondsen over dan eerder verwacht. Toch is er van bezorgdheid bij de toezichthouder geen sprake, zegt een woordvoerder. Ervaring die nu wordt opgedaan, maakt het proces in de toekomst mogelijk soepeler. ‘Zo weten we straks bijvoorbeeld waar de eerste fondsen tegenaan liepen bij hun berekeningen.’
Maar voor de volle aandacht daarop kan worden gericht, moet de sector dit aftelmoment afwachten. Ook hangt nog veel af van de komende maanden, waarin een flinke groep pensioendeelnemers de daadwerkelijke (financiële) uitwerking van jarenlang voorbereide plannen gaan merken.
Een van de grootste uitdagingen voor pensioenfondsen is de compensatie van leeftijdsgroepen die er in het nieuwe stelsel anders op achteruit zouden gaan. In het oude stelsel betalen jongeren nog voor hun oudere collega’s, maar in het nieuwe systeem wordt dat losgelaten, zodat iedereen in principe voor het eigen pensioen betaalt. Daardoor lopen mensen van middelbare leeftijd geld mis: zij hebben immers wel meebetaald voor oudere collega’s toen ze zelf jonger waren, maar krijgen dat straks zelf niet.
Om dat te compenseren krijgen zij soms tot wel tienduizenden euro’s extra bij het pensioen gestort bij de overstap op het nieuwe stelsel. Doel is dat daarmee aan de eindstreep een achterstand wordt voorkomen.
Achter de compensatie van een leeftijdsgroep ligt een behoorlijk complexe en voor deelnemers moeilijk te doorgronden berekening. De hoogte van de compensatie verschilt niet alleen per leeftijdsgroep maar ook per fonds, alleen al omdat kapitaal en leeftijdssamenstelling sterk uiteenlopen.
Maar daarnaast kan ook de situatie van individuele deelnemers grote verschillen opleveren. Zo kunnen zij compensatie mislopen als ze juist in de periode voor de overstap op het nieuwe stelsel minder gaan werken of kiezen voor onbetaald verlof. Dat komt doordat de hoogte van de compensatie afhankelijk is van de zogenoemde pensioengrondslag, en die wordt weer berekend aan de hand van het verdiende salaris over het jaar voor de overstap. Is dat salaris lager, dan is de compensatie dat dus ook.
Mensen die voor het moment van transitie helemaal stoppen met werken, bijvoorbeeld omdat ze kiezen voor vroegpensioen, of tussen werk switchen kunnen de compensatie in theorie zelfs helemaal mislopen. Er zijn manieren om dat te voorkomen, bijvoorbeeld door vrijwillig nog een tijdje pensioen in te leggen bij het fonds dat overgaat.
Luister hieronder naar onze politieke podcast De kamer van Klok. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant