Home

De muziek is prachtig, het orkest een droom, maar het jaarlijkse Nieuwjaarsconcert is een façade en de wals een leugen

Nieuwsjaarsconcert Niets is zo voorspelbaar als het Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker. Miljoenen kijkers in ruim 150 landen zien op 1 januari jaarlijks een topdirigent marsen, walsen en polka’s van voornamelijk de Strauss-familie uitvoeren. Maar het verhaal achter die Weense luchtigheid is een mijnenveld.

Het Nieuwjaarsconcert van de Wiener Philharmoniker op 1 januari 2025, onder leiding van de Italiaanse dirigent Riccardo Muti, in de Gouden Zaal van de Musikverein in Wenen (Oostenrijk).

In de eeuwige herhalingsoefening die Nieuwjaarsconcert heet, is de editie van 2026 haast een revolutie. Wereldster en nieuwjaarsdebutant Yannick Nézet-Séguin voert twee werken van twee vrouwen uit, een wals van Florence Price (1887-1953) en een polka van Josefine Weinlich (1848-1887). Riccardo Muti’s keuze voor een stuk van Constanze Geiger (1835-1890) was afgelopen jaar al een trendbreuk op het onwrikbare nieuwjaarsmenu. Buiten een enkel mopje van Joseph Hellmesberger of Franz von Suppè regeren hier de walskoningen Strauss zoals ze in het Wenen van de lichte muze al twee eeuwen doen. Na grondlegger Johann Strauss Vater (1804-1849) maakte Johann Strauss II (1825-1899) met zijn eveneens componerende broers Josef en Eduard en hun rondreizende orkesten de BV Strauss tot miljoenenbedrijf, van Wenen tot Boston en Sint Petersburg. Op een selectie uit hun honderden walsen, polka’s, marsen, galopps en quadrilles volgen de klassieke uitsmijters. Eerst de door Brahms bewonderde, wonderschone concertwals An der schönen blauen Donau van Johann II en daarna zijn vaders Radetzkymars met in de Gouden Zaal van de Musikverein de meeklappende high society die zich de astronomische toegangsprijzen tot 1.200 euro kan veroorloven.

De muziek is prachtig, het orkest een droom, de Weense wals een machtige verleider. Zwierig vertragen, lonkend inhouden, knipogend versnellen – dit is versierkunst waar charmeurs mee kunnen toveren. Dat maakt dit repertoire onweerstaanbaar materiaal voor topdirigenten met theaterinstinct.

Toen in 1989 en 1992 grootmeester Carlos Kleiber de Nieuwjaarsconcerten dirigeerde, transcendeerde het genre. Weg was de geparfumeerde welluidendheid van oudgediende Strauss-kapelmeesters als Willi Boskovsky, van 1955 tot 1979 dirigent van het Nieuwjaarsconcert. Boskovsky was een eersterangs dirigent, maar Kleiber omwikkelde de meesterkitsch met prikkeldraad. Misschien moet dat ook wel. De wals heeft twee gezichten. Hoofs en vals, serieus en ironisch, zwevend en plompverloren. Aan het flirterige in de wals kleeft sowieso iets hypocriets. Versieren doe je uit eigenbelang. Het is je mooier voordoen dan je bent. De vuile was blijft binnenboord, we gaan het leuk hebben. Daar lag het speelveld voor de rijpe Kleiber, die onder het pseudoniem Karl Keller in 1955 debuteerde met Carl Millöckers operette Gasparone. De concerten in 1989 en 1992 waren briljant. De accenten bijna knokig spits, elk sjansgebaar ironisch met het sloddervossige gemak van de versierder.

Gelukkig is bij de competente sterren zonder Kleibers buitenaardse aura, de Riccardo Muti’s en de Zubin Mehta’s, in Wenen nog steeds alles mooi. De Straussen waren zoveel beter dan hun reputatie. Hun muziek is geweldig.

Bruin verleden

Waar zit het onbehagen dan? Het bruine verleden van het in 1939 door de nazi’s geïnitieerde instituut Nieuwjaarsconcert is één. Des te pikanter dat de Strauss-familie joodse wortels had. Maar als Hitlers trawanten dat ontdekken zijn hun helden als symbolen van een groot-Duitse volkscultuur al too big to fail. Propagandaminister Joseph Goebbels besluit de belastende documenten voor de lieve vrede tot ‘Geheime Reichssache’ te verklaren. De illusie moest heel blijven. Hoe ironisch: zo speelden de Straussen in de negentiende eeuw al steeds succesvoller voor een steeds antisemitischer publiek.

De joodse Oostenrijkse schrijver Arthur Schnitzler (1862-1931) beschrijft in zijn autobiografie Jugend in Wien de schijnacceptatie van de buitenstaander door een heimelijk vijandige cultuurbourgeoisie. De dokterszoon Schnitzler bezoekt zoals iedere Wener uit de betere kringen het ene bal na het andere. Zijn wezen is de wals en in zijn eigen klassenbewustzijn is hij kind van zijn tijd. Met glimlachende verachting onderscheidt hij zijn volkse amourettes van de ‘solideren weiblichen Elementen‘ op de betere dansvloeren. Schnitzlers culturele bipolariteit neemt komische vormen aan. Hij speelt in Frankfurt ‘ein paar Wiener Walzer‘ op Goethes jeugdspinet en amuseert zich in zijn studietijd met ‘süsse Mädel‘ uit ‘minder bevoorrechte kringen’. Hoor die toon, hautain establishment. Maar echt integreren zal hij nooit. Hij herinnert zich hoe een gymnasiumleraar de voornamen van joodse leerlingen ‘met tendentieuze nadruk’ uitsprak. Je voelt de frictie tussen de blinkende oppervlakte van de Weense society en de zwerende diepte van het aanstaande verraad aan de beschaving. De wals is een mijnenveld. Hoe ironisch dat de jonge erotomaan Schnitzler kortstondig zal verkeren met ‘die pikante Witwe Strauß‘, de derde vrouw van Johann II.

Het kan niet anders, of vergelijkbare spanningen hebben zich geworteld in de muziek van de Straussen, die zich vanuit de heffe des volks opwerkten tot cultuurelite. Ze pantserden zichzelf à la Schnitzler met hetzelfde kunstmatige optimisme dat alles ziet maar niet genoeg wil weten. De mens is een afgrond, maar hij kijkt er niet in.

Violist en orkestleider Andre Rieu tijdens een nieuwjaarsconcert in de Ziggo Dome.

‘Die heile Welt’

Ooit vroeg ik de aardige, intelligente André Rieu, met zijn showconcerten in variété-stijl hun ware erfgenaam, naar het wezen van de wals. Die heile Welt, zei hij. De gelukzalige vergetelheid, vertaal ik vrij. Wat de heile Welt vergeet is alles wat de struisvogels niet willen horen. De muziek thematiseert dit escapisme openlijk. De titels liegen alle kanten op in Heiter auch in ernster Zeit van Strauss Vater of in Johann II’s polka-mazurka Glücklich ist, wer vergisst, naar een beroemd duet uit zijn briljante operette Die Fledermaus: ‘Gelukkig is, wie vergeet, wat niet te veranderen is.’ Met de hypocrisie van de schone schijn voel je de inspanning van de verdringing. De uit beeld gewalste wereld is het Waterloo van de lichtvoetigheid. Strauss senior leefde van 1821 tot zijn sterfjaar 1848 nota bene onder de knoet van het totalitaire, op censuur en verklikkers draaiende regime van de Oostenrijkse kanselier Metternich, waarin de dans voor de intellectueel geknevelde Weense burgerij een van de weinige expressieve uitlaatkleppen was. De overdruk moet voelbaar zijn geweest. Als Richard Wagner in 1832 Johann Strauss met zijn orkest ziet optreden, is hij bijna geïntimideerd door diens ‘aan razernij grenzende enthousiasme’.  Hij noemt hem de ‘demon van de Weense muzikale volksgeest’ die de dansroes naar ‘een voor mij bijna beangstigende hoogte’ stuwt. De dansvloeren waren een erotische vluchtweg. Daar, schrijft Michael Lemster in zijn boek over de familie Strauss, kon je zonder een onvertogen woord jezelf zijn: „Zo dicht bij elkaar als bij de wals kwamen paren verder alleen in de slaapkamer.” En die intimiteit kon ook nog „publiek worden getoond onder gelijkgezinden”. Lemster vergelijkt de Weense danscultuur met het rock-’n-roll-tijdperk in de vorige eeuw, een zinnelijke opstand tegen een bedorven tijdgeest. Zo werden vlucht en ontkenning het alfa en omega van dit genre. Anderzijds, zo is muziek. De sterren van de hemel zingen en maar hopen dat de wereld net zo mooi wil worden.

Dat werd hij, in de fictie van de heile Welt. Maar over de lichte muze van de Strauss-dynastie ligt de schaduw van bedrieglijkheid die grote kunstenaars niet toevallig transformeerden tot symbool van verdoemenis. Joseph Roths Radetzkymarsch, die geweldige roman over de ondergang van de dubbelmonarchie, is vernoemd naar de mars waarmee Johann sr opportunistisch gezagsgetrouw de Oostenrijkse overwinning van veldmaarschalk Radetzky op de Italianen vierde. De wals Freut euch des Lebens van Strauss II duikt als bitterzoete herinnering op in het eerste deel van Mahlers nihilistische Negende symfonie. In de opera Der Rosenkavalier van de Duitser Richard Strauss, geen familie, spot de wals als koekje van eigen deeg vernietigend luidruchtig met de feodale hypocrisie van de hogere kringen. In Sibelius’ Valse triste nadert de dood, in Ravels La Valse danst de wals zichzelf naar de gallemiezen. En ik, ik reed met de opnamen van Kleibers nieuwjaarsconcerten in de auto door Amsterdam. De muziek spotte met alles wat ik zag, de mensen en de dingen, hun blije buitenkant het rookgordijn voor hun geheime drama’s. Het was enig en tragisch. Niets te zien, alles voelbaar. Dat is de wals.

NieuwjaarsconcertRechtstreeks verslag vanuit Wenen van Wiener Philharmoniker o.l.v. Yannick Nézet-Séguin. NPO1, 11.15.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Cultuurgids

Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden

Source: NRC

Previous

Next