Veel vuurwerkliefhebbers gaan tijdens de komende jaarwisseling de straat op onder het motto ‘de laatste keer’. Maar voordat het vuurwerkverbod daadwerkelijk van kracht wordt, moeten kabinet en Tweede Kamer het eens worden over wat er volgend jaar nog wel mag. Hoe staat het er nu voor?
is chef van de politieke redactie.
Jesse Klaver (GL-PvdA) en Esther Ouwehand (PvdD) hebben veel geduld moeten opbrengen. Jaren geleden al namen de Tweede Kamerleden samen het initiatief om een algeheel vuurwerkverbod voor consumenten in te voeren. ‘We kunnen onze hulpverleners niet afschepen met verontwaardiging alleen’, aldus Klaver nadat hij de nieuwjaarsnacht van 2019-2020 had doorgebracht met agenten in Den Haag.
Toch staakten hij en Ouwehand in 2022 de behandeling van hun wetsvoorstel nog, om de eenvoudige reden dat het dreigde te stranden als het in de Tweede Kamer zou aankomen op een stemming.
Na weer enkele nieuwjaarsnachten vol ernstige vuurwerkincidenten keerde langzaam maar zeker het tij. Eerst ging D66 overstag, daarna de SGP en vervolgens het CDA. Het was een van die punten waarmee Henri Bontenbal afstand nam van de koers van zijn voorgangers: ‘Je kunt niet steeds zeggen dat je pal achter onze politie en hulpverleners staat, maar een keer per jaar wegkijken.’
Vervolgens begon, onder druk van een deel van de achterban, ook de VVD te schuiven. Een meerderheid kwam alsnog in zicht. Op 8 april 2025 stemden alleen PVV, BBB, SP, FvD en JA21 tegen. In de nieuwgekozen Tweede Kamer hebben zij 49 van de 150 zetels. De wet verbiedt de vrije verkoop van al het vuurwerk aan consumenten, met uitzondering van het ‘fop- en schertsvuurwerk’ (categorie F1).
Om zover te komen moesten Klaver en Ouwehand wel enkele concessies accepteren. De eerste was uitstel. De twee hadden het verbod al dit jaar willen laten ingaan, maar zagen zich geconfronteerd met een meerderheid die de vuurwerkbranche meer tijd gunde. Veel van het vuurwerk voor de komende nieuwjaarsnacht was al besteld of op voorraad. Nogal wat Kamerfracties vreesden grote schadeclaims.
Het gevolg is wel dat de Wet veilige jaarwisseling nu door beide Kamers is aangenomen, maar niet officieel van kracht is verklaard. Dat moet ergens in het komend jaar gebeuren, per algemene maatregel van bestuur (AMvB). Daarin moeten dan de precieze voorwaarden worden uitgewerkt. Het kabinet kan dat niet op eigen houtje doen. In de wet staat nadrukkelijk dat het verbod alleen geldig is als het wordt goedgekeurd door de Tweede en de Eerste Kamer.
Daar kwam de tweede concessie om de hoek: de VVD dwong met een wetswijziging af dat voor die instemming nog drie dingen moeten worden geregeld. Ten eerste moet er een ‘effectief handhavingsplan’ komen voor de politie en de gemeenten. Ten tweede moet er een ‘eerlijke en nette compensatieregeling’ voor de vuurwerkbranche worden opgetuigd. Ten derde moet duidelijk worden wat er nog wel mag worden afgestoken, en door wie.
Aan de eerste voorwaarde is voldaan. Demissionair minister Van Oosten van Justitie en Veiligheid stuurde het handhavingsplan onlangs aan de Tweede Kamer, 56 pagina’s dik. Het staat vol met afspraken over hoe de gemeenten, de politie, het Openbaar Ministerie, de Stichting Halt en de Inspectie Leefomgeving en Transport het verbod willen handhaven.
De compensatieregeling is er nog niet, tot verdriet van veel vuurwerkverkopers die duidelijkheid willen over de vergoeding voor het gedwongen stoppen met hun handel. In het voorjaar liet het kabinet-Schoof weten dat importeurs en verkopers in totaal maximaal 50 miljoen euro kunnen verwachten. De branche vindt dat te weinig. Demissionair staatssecretaris Thierry Aartsen van Milieu (VVD) zegt inmiddels met de sector in gesprek te zijn over een ‘nette nadeelcompensatie’.
Maar, waarschuwde hij de Kamer onlangs, de hoogte van die compensatie kan pas worden vastgesteld als ook aan de derde voorwaarde is voldaan: er moet duidelijk zijn vastgelegd wat er na ingang van het verbod nog wel mag worden afgestoken.
De Kamer dwong – op initiatief van de ChristenUnie en de VVD – namelijk af dat er een ‘ontheffingsmogelijkheid’ komt voor lokale verenigingen om vuurwerk af te steken.
Het ontwerp van die ontheffing ligt inmiddels klaar. Het geeft burgemeesters de mogelijkheid om aan ‘georganiseerde groepen’, zoals dorps- of buurtverenigingen, een vergunning te geven om uitsluitend op oudejaarsavond in collectief verband maximaal 200 kilo aan vuurwerk uit de F2- categorie af te steken.
Dat moet buiten gebeuren, handmatig, op een goedgekeurde veilige plek, volledig bereikbaar voor de hulpdiensten en onder verantwoordelijkheid van ‘een of twee volwassen supervisors’.
Een vereniging mag ook maximaal acht mensen aanwijzen die in de regeling officieel ‘ontbranders’ worden genoemd. Zij dienen minimaal 16 jaar oud te zijn, voorzien van veiligheidsbrillen en aansteeklonten. Er mag ter plekke niet worden gerookt, er moeten brandblussers voorhanden zijn, er moeten ‘minimale veiligheidsafstanden’ in acht worden genomen en er mogen zich geen veehouderijen in de nabije omgeving bevinden.
Voor zowel de supervisors als de ontbranders geldt op oudejaarsavond een alcohol- en drugsverbod. De vereniging is civielrechtelijk aansprakelijk als door nalatigheid schade of letsel wordt veroorzaakt. Er zullen toezichthouders en handhavers worden ingezet om te controleren of vergunninghouders zich aan de afspraken houden.
Onder de vuurwerkliefhebbers in de Tweede Kamer leven zorgen of dat niet te veel voorwaarden zijn. Hoeveel verenigingen zullen er in de praktijk aan beginnen? Van het antwoord op die vraag hangt dan weer af hoeveel vuurwerk de branche in december 2026 kan verkopen en hoe hoog de compensatie voor de wegvallende omzet dus moet zijn.
Naar verwachting gaat de Tweede Kamer binnenkort met Aartsen in debat over de ontheffingsregeling.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant