Het was de zevende avond van Chanoeka en ik dineerde met de directeur van Auschwitz en zijn vriendin in een piepklein Grieks restaurant op 1st Avenue. Het restaurant was zo klein dat we bijna op schoot zaten bij een groep jongeren die het leven vierden. Toen we vroegen of er iemand jarig was, zeiden ze dat het zaterdag was en december en dat ze daarom dronken.
Daarop vertelde de directeur van Auschwitz dat hij opdracht had gekregen zich voor te bereiden op oorlog en de evacuatie van de belangrijkste voorwerpen uit het museum.
Onderwijl bestelden de jongeren naast ons nog een fles Retsina en de directeur van Auschwitz zei: ‘Laten we dat ook maar doen.’
‘Waar moeten die voorwerpen heen?’, vroeg ik.
‘Naar Duitsland’, zei hij, ‘maar als ze daarheen gaan, zie ik ze nooit meer terug’.
Een vis werd geserveerd en aangesneden.
Toen die op was, kregen we een gratis varkenspoot en ik vroeg: ‘Geloven jullie echt dat de Russen in aantocht zijn?’ Daarna zei ik snel: ‘Ik eet eigenlijk geen varkensvlees.’
‘Die Russen kunnen niet eens Oekraïne veroveren’, zei de directeur, ‘wat gaan ze beginnen tegen een Navolid? Kun je niet doen alsof het kip is?’
Ik had even geen zin om te doen alsof het kip was. Dat soort zijn avonden zijn er ook, dat je even geen zin hebt om te doen alsof het kip is.
‘En hebben jullie veel last van Gaza?’
‘Gaza heeft alles veranderd’, zei de directeur, ‘maar ik heb mijn gidsen de opdracht gegeven er zo min mogelijk over te praten’.
Er kwam nog een dessert van het huis op tafel, de Grieken hielden van deze directeur.
Het werd middernacht, uit de keuken kwam inmiddels voorzichtig gezang, het slordige leven beviel me wel, en de directeur zei: ‘Beter voorwerpen evacueren dan mensen.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns