Zondagavond laat arriveerde ik in Berlijn, de receptionist was naar huis maar door middel van een code kon ik mijn kamersleutels uit een kluisje halen. De kamer was koud maar groot. ‘De ware tegenstander boezemt je grenzeloze moed in’, noteerde Kafka. Wie het ontbreekt aan moed is zijn ware tegenstander nog niet tegengekomen. Al die tegenstanders die amper de moeite van het negeren waard zijn.
Rond het jaar 2015 huurde ik een gemeubileerde woning in Berlijn, in de Schlüterstraße, Charlottenburg. Ik was te weinig in Berlijn om de huur van die woning te kunnen rechtvaardigen. Al die woningen waar je amper bent. Mijn economie is de economie van de verspilling. Wie het leven ondanks alles toejuicht kan niet anders dan verspillen.
Ik nam een warme douche en bleef er een half uur onder staan. Toen ik me eindelijk afdroogde was de zondag voorbij. Het was te koud om nog door Mitte te flaneren, bovendien flaneer ik het liefst rondom de Savignyplatz. Voor mij is Paris Bar nog altijd het centrum van Berlijn. Op onverwachte momenten herinner ik mij passages uit Wir Kinder vom Bahnhof Zoo.
Van welk station ben jij een kind? Ik noem er een paar. Amsterdam Centraal. Grand Central Station. Zoologischer Garten. Gare du Nord. Zürich Hauptbahnhof. Milano Centrale.
Ik was in Berlijn om antwoord te krijgen op de vraag wanneer het verleden is afgelopen. Je draagt wat mee aan verleden, daarom zeg ik: zorg dat er wieltjes onder je verleden zitten. De rest is uitleg.
Ristorante Bonfini, Chausseestrasse, dinsdagavond. Voor mij zit een man alleen, jaar of veertig, op de stoel tegenover hem staat een grote reistas. Die tas lijkt zijn partner. Hij bestelt Penne all’Arrabbiata en drinkt water. Vlak voor sluitingstijd zegt hij tegen de eigenaar van Bonfini: ‘Toch maar twee grappa.’
Twee. Ja, daarvoor leef je.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns