Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Als u binnen twee dagen niet weer van mij hoort, licht dan de autoriteiten in. Op dit moment bevind ik mij in een piepkleine koffiebar. Ik ben hier uren geleden naar binnengestapt om koffie te kopen. Niet om hier op te drinken, maar om thuis koffie mee te zetten. Ik had gewoon naar de supermarkt moeten gaan en een pak huismerk filterkoffie moeten kopen en dan had ik nu thuis met mijn dochters het Sinterklaasjournaal kunnen kijken.
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Maar ik sta hier in een pijpenlaatje van een winkel. Ik kan geen kant op, sta ingeklemd tussen zakken koffie, een koffiemolen en een gigantische koffiemachine, en ik wil naar huis. Ik wil gewoon naar huis, mama. Er zijn twee andere mensen. De een, een jongen van een jaar of dertig, werkt hier. De ander, een meisje van ergens in de twintig, is hier omdat ze het wil. Het is allemaal ongeveer zo gegaan:
Ik: ‘Hallo.’
Koffieman: ‘Hallo, wat kan ik voor je doen?’
Ik: ‘Ik ben op zoek naar filterkoffie.’
Hij: ‘Wat voor filterkoffie?’
Ik: ‘Nou gewoon filterkoffie.’
Nadat ik een zak koffiebonen uitgekozen heb, vraag ik hem of hij ze wil malen voor me. Hij trekt de zak open en duwt hem onder mijn neus. ‘Aan jou de eer.’ Ik ruik eraan alsof ik aan een glas wijn ruik. ‘Heerlijk’, zeg ik ongemakkelijk.
Vanachter me klinkt een stem. ‘Mag ik ook even?’
Het meisje wil ook aan mijn zak ruiken. Ik hou hem onder haar neus en ze snuift. ‘Aaaa’, doet ze. Hier had ik weg moeten rennen.
De jongen pakt de zak van me af, giet een scheutje bonen in de maler, drukt op een paar knoppen, pakt een piston en maakt een espresso voor me. Plechtig reikt hij me het kleine kopje aan. ‘Hier, proef.’
Dat doe ik. ‘Lekker.’ (Overigens, ik wil hier toch even opmerken dat er door alle aanwezigen tot nu toe nul keer is gelachen). Ik draai me om naar het meisje dat net aan mijn zak rook en reik haar het kopje aan. ‘Wil je ook proeven?’ Ze trekt een gezicht alsof ik voorstel mijn vuist in haar mond te steken. ‘Eh, nee bedankt’, zegt ze. Eh, nou sorry hoor.
Inmiddels ben ik alle notie van tijd verloren. De jongen haalt nu nog meer bonen uit de zak en maalt ze. ‘Is dit grof genoeg?’ Misschien wel, misschien niet. ‘Ja, het is grof genoeg’, zeg ik aarzelend. Hij kijkt me wantrouwend aan. ‘Weet je wat we doen? Ik maal een klein beetje. Dan kan je thuis een kop koffie zetten en daarna kom je terug om de rest te laten malen.’ Hij kijkt me aan. Ik kijk hem aan. Hij kijkt mij aan. Buiten rijdt een veegwagen voorbij. Help.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns