De documentaire Fortuyn: On-Hollands maakt pijnlijke herinneringen aan de jaren negentig en nul los bij Volkskrant-redacteur Hassan Bahara. Waarom is het toch goed om te kijken?
is media- en cultuurredacteur van de Volkskrant.
‘Weten jullie wie Pim Fortuyn is?’
Mijn neefjes kijken mij glazig aan. Pim wie?
Heel even voel ik een steek van jaloezie. Hoe heerlijk moet het zijn om, als jonge Marokkaanse Nederlander, geen idee te hebben van wie Fortuyn is.
Uiteraard, alles wat voor je geboorte plaatsvond, is voor bijna iedereen antieke geschiedenis, maar dat Fortuyn niet op de een of andere manier nagalmt in het leven van deze pientere jongens, komt toch als een verrassing.
Of zegt het vooral iets over mij, en hoezeer ik nog altijd gevangen zit in dat gure decennium, de jaren nul, het tijdperk dat er mentale wonden werden geslagen die nog niet helemaal zijn geheeld? En hoe precies heeft Fortuyn de loop van de geschiedenis van dit land bepaald, vragen mijn neefjes.
Ik vraag ze naar Fortuyn nadat ik eerder die dag de vijfde aflevering heb bekeken van de loodzware, maar ook magistrale achtdelige documentaire Fortuyn: On-Hollands (KRO-NCRV) van Menna Laura Meijer.
Veel gehoord onder mensen met en zonder migratieachtergrond: ik ga niet naar die documentaire kijken, waarom zou ik mij weer moeten blootstellen aan die rottige, hysterische tijd, vol giftige politici en opiniemakers die schuimbekkend leken te verlangen naar een burgeroorlog?
Ik besluit toch te kijken, maar na negen minuten van de eerste aflevering verlang ik al naar een vluchtroute.
Archiefbeelden tonen een grote groep mensen – bruin, wit en zwart door elkaar – die zich heeft verzameld bij de woning van Fortuyn in Rotterdam, een dag nadat de politicus was doodgeschoten door de extreemlinkse activist Volkert van der G.
We zien een geëmotioneerde vrouw plotseling met beschuldigende vinger wijzen naar een groepje Marokkaans-Nederlandse kinderen dat op de achtergrond hangt. Ze zouden gelachen hebben, beweert de vrouw, gezegd hebben dat Fortuyn zijn dood te danken heeft aan Allah.
Een van de jongens sputtert nog tegen, zegt dat hij niet gelachen heeft, het juist zielig vindt voor Fortuyn, maar de vrouw heeft zich al van hem afgewend.
Dit is waarom ik niet aan deze documentaire wilde beginnen. De hoge toon waarop de jongen ter verantwoording wordt geroepen voor iets waaraan hij geen enkel aandeel heeft, het gevoel van hulpeloosheid op zijn gezicht, zijn onvermogen om met een scherp weerwoord te komen.
Het fragment van luttele seconden illustreert pijnlijk precies de vijandige houding waarmee de islamitische migrantengemeenschap, met name de Marokkaanse Nederlanders, in de jaren nul te maken zou krijgen, en de moeite van die migrantengemeenschappen – ze hadden nog maar net wortel geschoten in dit land – om het hoofd te bieden aan de orkaan van haat en verdachtmakingen die in de politiek en media over ze zou heentrekken na de moord op Fortuyn.
Documentairemaker Meijer hanteerde voor Fortuyn: On-Hollands een strak show don’t tell-principe. Zo nu en dan is er een talking head aan het woord – mensen van kleur die in Rotterdam opgroeiden, Fortuyn-getrouwen – maar de kern van het verhaal wordt verteld aan de hand van archiefbeelden uit de jaren zeventig, tachtig, negentig en begin jaren nul.
Bij elkaar schetsen de beelden een portret van een stad, Rotterdam, die langzaam verkleurt door de komst van arbeidsmigranten en hun jonge gezinnen in de jaren zeventig, de verpaupering en hoge criminaliteit die volgt in de jaren tachtig en negentig, en de gevoelens van vervreemding en ressentiment die dat oproept bij autochtone Rotterdammers.
Uit deze mix van cultureel onbehagen en sociaal-economische malaise komt Pim Fortuyn bovendrijven, de man die zijn aanhang wist wijs te maken dat hun problemen samenhangen met de ‘islamisering’ van Nederland.
Eigenlijk is het een tot op de draad versleten verhaal, maar dankzij die archiefbeelden blijft Fortuyn: On-Hollands fascinerende tv, die je volledig terug naar die tijd brengt.
Vooral de kwetsbaarheid van de Turkse en Marokkaanse gemeenschap in die jaren zeventig, tachtig en negentig vormt confronterend beeldmateriaal. Meijer hechtte archiefbeelden aan elkaar van migrantenvrouwen op taalles, Turkse gastarbeiders in krappe pensions die in gebroken Nederlands vertellen over hun leef- en woonomstandigheden, jonge migrantenkinderen die zich zo goed en zo kwaad als dat gaat proberen te vermaken in totaal verloederde wijken.
De verpaupering is moeilijk om aan te zien, net als de lichtelijk gedesoriënteerde blik in de ogen van de migrantenouders en -kinderen, alsof ze – vers van de boot, zoals dat heet – nog aan het uitvinden zijn hoe ze in godsnaam van Al Hoceima of Ankara hier terecht zijn gekomen.
Vijf jaar geleden, bij het twintigjarig bestaan van Paul Scheffers invloedrijke essay Het multiculturele drama, vertelde hoogleraar arbeids- en migratiegeschiedenis Leo Lucassen in de Volkskrant dat de migrantengemeenschappen aan het begin van deze eeuw nog maar net aan hun eigen verheffing waren begonnen.
Ze waren hooguit twee decennia in Nederland. Het merendeel van de migrantenkinderen bracht het niet verder dan de mavo, en de werkloosheids- en criminaliteitscijfers waren hoog. Later zouden die cijfers bijtrekken, maar in het Fortuyn-tijdperk – jaren negentig, begin jaren nul – was het vooral overleven voor deze gemeenschappen, uitzoeken hoe dat nu gaat, dat ‘integreren’.
Geen wonder dat deze migrantenouders en -kinderen in de archiefbeelden van Fortuyn: On-Hollands vooral onthechte omstanders lijken in het zogenaamde ‘multiculturele drama’ dat al zo vroeg over het land werd uitgeroepen.
Veelzeggend is een fragment op driekwart van de tweede aflevering. Een vrouw, vermoedelijk in de jaren negentig in een van de Rotterdamse wijken, wordt gevraagd waarom ze uit de havenstad wil vertrekken.
‘Kijk eens, daar staat al dat grut’, zegt de vrouw, een blik werpend op enkele jongetjes van kleur die achter haar staan. ‘Dat is misschien hier geboren, dat weet ik niet. Je kunt hunnie er niet op aankijken, maar ik zeg toch dat het door de buitenlanders komt.’
De jongetjes geven geen kik. Alsof de vrouw het niet over hen heeft. Of zijn ze zo vers van de boot dat ze geen Nederlands begrijpen?
Zo zijn er nog meer archiefbeelden in Fortuyn: On-Hollands van mensen van kleur die stilletjes toekijken bij straatinterviews met autochtone Rotterdammers die de aanwezigheid van ‘buitenlanders’ in de havenstad problematiseren.
In de tv-studio’s en in de debatcentra is het niet veel beter gesteld: ook daar dienen migranten hooguit als zwijgend decor bij de debatten over het ‘multiculturele drama’, die na de moord op Fortuyn in alle hevigheid losbarsten.
Het lijkt vooral het moment voor de plots zo gekoesterde ‘boze burger’ om – als compensatie voor de aanname dat de sociaaldemocratie hem ‘in de steek’ zou hebben gelaten – eindelijk en onbelemmerd zijn onderbuik te legen.
‘Al die zwarten eruit!’, hoor je ze onbeschaamd in straatinterviews roepen. Of: ‘Die kanker-Marokkanen moeten aangepakt worden! Kutmoslims.’
Ook veelvuldig aan het woord over de migrantengemeenschappen is de Nederlandse intelligentsia, die na Paul Scheffers essay over het ‘drama’ dat multiculturaliteit heet, plots gewichtige analyses te delen heeft over de ‘joods-christelijke samenleving’.
Over dit ‘witte’ monopolie op het multiculturele debat deelt Walter Palm, een ambtenaar die decennialang ministers adviseerde over minderhedenbeleid, in de documentaire een treffende observatie.
Van dichtbij maakte Palm mee hoe het debat over minderheden van slecht verlichte vergaderzaaltjes – met vooral gastarbeiders en enkele ambtenaren als publiek – in de jaren nul werd verplaatst naar deftige debatcentra in Amsterdam, met louter nette mensen in het publiek die het vooral over ‘de verkleuring’ van Nederland wilden hebben.
‘Wat mij opviel, was dat er heel weinig werd gesproken over de feitelijke vooruitgang op het terrein van onderwijs en arbeidsmarkt’, aldus Palm. ‘Wat mensen wel zeiden: ja, hoor eens, ik loop op straat, en ik kom andere mensen tegen die niet van hier zijn. Ik voel mij niet thuis. Ik voel mij niet senang.’
Het waren debatten over ons, zelden met ons, en met als belangrijkste leidraad de angst die wij de autochtone Nederlanders zouden inboezemen, het overschot aan kleur en sociaal-economische worstelingen dat we meebrachten.
Kregen we wel het podium, dan leverde dat meestal pijnlijke tv op, laat Fortuyn: On-Hollands aflevering na aflevering zien. Het zijn beelden van jonge migrantenkinderen, onwennig onder de plotse aandacht van autochtoon Nederland, die grote vragen moeten beantwoorden over integratie, islam, hun ouders, en daar slechts haperend en stotterend in slagen.
Bijzonder wrang in dit opzicht is een fragment in de laatste aflevering, met in de hoofdrol de Pakistaans-Nederlandse moslima Naeeda Aurangzeb. In 2002 is Aurangzeb 28 jaar oud en te gast in een tv-programma van Paul de Leeuw.
Haar rol is van meet af aan duidelijk, die van spreekbuis van ‘haar gemeenschap’, uitgenodigd om op tv aan de autochtone gemeenschap – ‘wij’, aldus de Leeuw – tekst en uitleg te geven over islamitische waarden.
‘Jullie (moslimvrouwen, red.) mogen heel weinig, jullie hebben meer plichten dan rechten, klopt dat?’, aldus De Leeuw.
Aurangzeb worstelt zich kordaat door het interview heen, maar in een terugblik vertelt ze hoe deze objectivering van haar persoon – ze werd gereduceerd tot islamitisch symbool – haar in haar schulp deed kruipen. ‘Dan wordt het tijd om je terug te trekken en eens opnieuw te voelen: waar ben ik dan in dit verhaal?’
We hadden, als migrantenkinderen, het stof nog niet van onze kleren afgeklopt, waren net bezig om de eerste bouwstenen van een toekomst in Nederland te leggen, toen we ter verantwoording werden geroepen voor wie we zijn, wat we hier eigenlijk komen doen.
Fortuyn: On-Hollands herinnerde mij eraan hoe zwaar de last was waarmee wij werden opgezadeld. Hoe vogelvrij wij waren voor iedereen die ons vooral wilde zien als een regelrecht ‘drama’ voor het land (funfact: in de documentaire wordt beweerd dat Paul Scheffer pas vijf maanden voordat hij aan zijn essay begon voor het eerst iemand van kleur ontmoette).
Fortuyn: On-Hollands is geen aangename, maar wel noodzakelijke tv. Het maakt inzichtelijk waarom de jaren nul bij mij, en andere generatiegenoten met een migratieachtergrond, zulke diepe kraters in het gemoed heeft geslagen.
Mijn neefjes hebben hun eigen kwelgeesten (Geert Wilders en consorten). Weinig is veranderd, zou je kunnen zeggen, maar in ieder geval hebben zij mensen in hun leven die hun uit ervaring kunnen uitleggen hoe ze de last van het gure politiek-maatschappelijke klimaat enigszins draaglijk kunnen houden.
Maandag 1/12 is de laatste aflevering van Fortuyn: On-Hollands op NPO 2 om 22.20 uur.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant