De bevolking van Suriname, deze week vijftig jaar onafhankelijk, is jonger dan ooit. Na jaren van corruptie, vriendjespolitiek en een zwalkende economie weet de nieuwe generatie maar al te goed: het is nu aan ons om het land de goede kant op te sturen.
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
‘Dus…’, begint Shay-Michell MacDonald (12), een zacht pratend meisje met een pony, in jeans-tuinbroek. ‘We hebben een fan gemaakt. Kijk.’ Ze duwt twee draadjes tegen elkaar en de minipropellor in haar hand begint te draaien. ‘We hebben alles zelf geprogrammeerd’, roept Alden Vaarnold (11) – brilletje, opgeschoren haar, Hugo Boss-slippers. ‘Bij het vak coderen 3’, van ‘meester’ Shawun Sidin (29), afgestudeerd in technische informatica, in het dagelijks leven programmeur.
In het lokaal van de technische hogeschool UNASAT in Paramaribo blaast de airco op volle kracht. Elke zaterdag krijgen kinderen hier college op de Kinderuniversiteit Suriname, het project van Jo-Ann Monsels (35). Ze kijkt trots toe, kuiltjes in haar wangen.
De kiem voor haar initiatief werd jaren geleden gelegd, door haar klasgenoot Shaam op de Tammengaschool, in volkswijk Abrabroki. ‘Hij was de slimste van de klas. Maar op zijn 12de moest hij van school om te gaan werken in een Chinese supermarkt. Het gezin kon anders niet rondkomen.’ Het voelde onrechtvaardig: ‘Shaam had zich zoveel verder kunnen ontwikkelen.’
Het verhaal van Shaam staat niet op zichzelf. Een gemiddeld kind in Suriname volgt maar 8,4 jaar onderwijs. ‘De helft van alle kinderen stopt rond hun 12de, 13de met school’, zegt Monsels. Slechts 4 procent rondt uiteindelijk een universitaire studie af, zoals Monsels – een bachelor en twee masters, waarvan één in België.
Dat Monsels kon doorleren kwam door haar moeder, die scholing belangrijk vond, het ingelijste mulo-diploma van haar oudoom Humphrey Pinas aan haar oma’s wand, én een non die tegen haar moeder zei: ‘Er zit potentie in dit kind.’
Nu zit ze hier: socioloog, schrijver van educatieve kinderboeken en oprichter van de Kinderuniversiteit Suriname. In het lokaal, vlak bij haar oude lagere school, vertelt ze over het belang van beter onderwijs in Suriname, dat deze week vijftig jaar onafhankelijkheid viert. ‘Het onderwijs is er die jaren eerder op achter- dan op vooruitgegaan’, constateert ze. Maar Monsels is een glas-half-vol-denker, zoals meer van haar generatiegenoten.
Suriname telt 640 duizend inwoners. De bevolking is jonger dan ooit: de mediane leeftijd is 28,6 jaar. Jonge mensen bepalen voor een belangrijk deel het straatbeeld in Paramaribo, ze scheuren op e-brommertjes langs de vlaggen met het getal 50 die de stad bekleden, en de Surinaamse vlaggetjes die overal wapperen. De culturele agenda rond het jubileum puilt uit: Suriname viert een feest dat op 25 november zijn formele hoogtepunt beleeft.
Steeds meer Surinamers zijn ná de onafhankelijkheid geboren. Hun blik richt zich als vanzelf richting toekomst. Ze hebben ideeën over wat hun land nodig heeft, die verder reiken dan de ‘oil and gas’-koorts die het land in haar greep heeft.
Een waaier aan pijnpunten loopt als een rode draad door de voorbije 50 jaar: corruptie, vriendjespolitiek, economische instabiliteit en een fors toegenomen kloof tussen arm en rijk. Dat verklaart waarom veel Surinamers een wankel vertrouwen in instituties hebben. Spaargeld blijft liever in een sakanisi (‘zakdoek’) in huis, dan op de bank.
Monsels noemt de voorbije jaren ‘een harde les’. Ze pleit voor verandering. ‘Politici zouden, om te beginnen beter kunnen handelen naar die ‘eenheid in verscheidenheid’ die Suriname graag bezingt, in plaats van polarisatie op te poken.’
Haar eigen missie is concreet: kinderhorizonnen verbreden en een onderwijssysteem helpen bouwen waarin kinderen zoals Shaam niet uitvallen. Vier jaar geleden begon ze daarom een volledig door fondsen gedragen ‘school’ voor kinderen van 6 tot 15 jaar: de Kinderuniversiteit Suriname. Via samenwerkingen met scholen en tehuizen zorgt ze dat minimaal de helft van elke groep uit kwetsbare kinderen bestaat. ‘Zij melden zich niet vanzelf, en ieder kind verdient een kans.’
Elke zaterdag volgen leerlingen college van academisch geschoolde docenten: programmeren, microbiologie, archeologie, bodemkunde, hydrologie, ecologie, meertaligheid. Doordeweeks geven de docenten, wanneer het financieel kan, gastlessen op scholen.
Overheidssubsidies krijgt ze niet. ‘Bij ons zoekt de overheid zelf geld’, lacht Monsels. Toch volgden inmiddels bijna negenduizend kinderen lessen. Surinaams onderwijs is nog sterk traditioneel, zegt ze: ‘de wijze juf met krijt en schoolbord.’ ‘Bij ons is de leraar assistent van de leerling; ze leren zélf denken.’ Juist dat heeft Suriname nodig, de komende vijftig jaar: kinderen die doorleren, kritisch en creatief kunnen denken en die hun eigen land en de wereld kunnen beschouwen.
Wie twintigers en dertigers in Suriname spreekt, voelt een energieke onderstroom. Ze zijn na de dictatuur geboren, volwassen geworden onder regeringen die vaak tekortschoten. Dat schept behalve frustratie ook een besef dat je er zelf iets van moet maken. In een land waar dyugu dyugu (‘gedoe’) in de haarvaten zit, moet je haast wel een glas-half-vol-denker zijn.
Dat geldt ook voor Rio Zalman (26), werkzaam in toerisme gericht op Surinaams cultureel erfgoed. Wie hem ziet lopen bij de Palmentuin, hartje Paramaribo — lang, blond, blauwe ogen, lichte huid — vraagt zich misschien af: is dit een Surinamer? Boven het vogelgekwetter slaakt Zalman een gespeelde zucht: ‘Boi, laat me je zeggen, ik doe dit al mijn hele leven: mijn afkomst uitleggen.’ Zijn vader is inheems, zijn moeder een moksi (‘mix’) van Nederlands en Afro-Surinaams.
Een tropische regenbui barst los terwijl hij onder een parasol gaat zitten. ‘Ruik, boi. Je ruikt het groen.’ Daarna wandelt hij richting het Onafhankelijkheidsplein. Schoolkinderen vragen giechelend om een handtekening; hij zat in een TikTok die viral ging. ‘Ja, ik ben die generatie.’
Waar oudere generaties vanzelfsprekend in Nederland gingen studeren, is dat pad nu nog maar voor weinigen weggelegd. Nederland voert geen warm beleid. Een studievisum vereist 12 duizend euro op je rekening – voor de meesten is dat onhaalbaar. Tenzij je, zoals Zalman, ‘een enorm privilege’ in de vorm van een Nederlands paspoort hebt. Hij studeerde communicatie aan de VU in Amsterdam. ‘Daar was ik one of a million, tot ik begon te praten.’ Imiteert: ‘Dat accent, leg het uit!’
In Nederland maakte hij kennis met ‘structureel racisme, en het leven in een land met een dominante witte meerderheid’, én hij genoot van het wereldse leven in vergelijking met ‘dorp Paramaribo’.
Veel Surinaamse studenten blijven na hun studie in Nederland, wat Suriname – bovenop de zorgwekkende braindrain van vooral medisch specialisten – kwetsbaar maakt. Zalman keerde voor zichzelf terug, zegt hij eerlijk, maar dat eigenbelang is verweven met een drang iets bij te dragen.
Zalmroze gordijnen houden de inmiddels fel brandende zon buiten het oude houten pand op neuten aan de Prinsessenstraat in Paramaribo. Hier huist het reisbureau dat Zalmans vader in 1993 begon. Gericht op marron-erfgoed in het Surinaamse binnenland (marrongemeenschappen, zoals de Saramakaners of Aukaners, ontstonden vanaf de 17de eeuw uit Afrikanen die zich uit slavernij vrijvochten); en op slavernij-erfgoed op de voormalige plantage Frederiksdorp, op een uur rijden van de hoofdstad.
‘Je moet op sociale media’, zei Zalman tegen zijn vader, na terugkeer uit Nederland. ‘Boi, graag, maar ik weet niet hoe’, klonk het. Geen probleem voor Gen Z. Nu lopen de meeste boekingen via Facebook, TikTok en Instagram.
Zalman geniet van de feeststemming rond Srefidensi, zoals de Surinamers de onafhankelijkheid noemen. ‘Er hangt een buzz, het nationalisme zit er goed in, ik vind het géweldig, overal in de stad zijn feestjes.’ Tegelijk zegt hij: in Suriname staat de tijd stil, wie iets wil, moet zelf actie ondernemen. ‘Want het land gaat het niet op je pad sturen.’
En dus richtte hij bij het reisbureau zelf een tak op voor lokaal publiek: ‘Ik wil dat Surinamers hun eigen land leren kennen. Het is hún erfgoed.’ Daarbij krijgt hij hulp van ‘TikTok-genie’ collega Chievany Doelrak (20), ‘expert short form videos’. Trots toont Doelrak een filmpje: ‘Een kwart miljoen views.’
Even verderop, in een felverlichte zaal aan de Commewijnestraat, betreedt woordkunstenaar Jean-luc Josafath (32), artiestennaam Koloku (‘geluk’), het podium tijdens een culturele avond rond Srefidensi 50 jaar. De hal is, net als de stad, in de nationale kleuren groen, wit, rood en geel gehuld. Van het balkon boven de zaal komt de geur van cassavesoep, pom en kip.
Voor het jubileum schreef hij een gedicht in de vorm van vijftig vragen aan Suriname.‘Mi kondre, tru, mi lobi yu, ma piki mi’, begint hij — mijn land, ik houd van jou, maar vertel me. Eerder die week, op een bankje op de Waka Pasi, oefent Koloku zijn voordracht vanaf zijn telefoon. De zon is net gezakt, de kikkers zetten hun avondkoor in.
Koloku is een van de nieuwe literaire stemmen van Suriname, en hij neemt zijn taakopvatting als woordkunstenaar serieus: ‘Vragen stellen die niemand durft te stellen.’ Glimach: ‘De dichter heeft altijd ruzie met de koning, toch?’
In zijn gedicht vraagt hij: ‘Mijn land, waar is je rijkdom? Wie beschermt de heilige leefgebieden van je tribale volkeren nu concessies en contracten de nieuwe goden lijken?’ En: ‘Hoe gaat het met je DNA? Ik heb het over de 51 leden van het hoogste college van staat, dat waakt over wetten, maar soms niet over jouw hart.’
Voor Koloku is dichten een vorm van revolutie. ‘Het is niet niks om een kunstvorm te beoefenen in Suriname, je kunt er niet van leven. Je moet erin geloven. Dat doe ik, want ik denk dat het woord een volk kan optillen. Voor mij zijn schrijvers en dichters de ruggengraat van de samenleving.’
Hij omschrijft zichzelf als ‘een gewone jongen uit volksbuurt Geyersvlijt’. Tien broers en zussen heeft hij. Hij is van marronafkomst. Zijn Saramakaanse moeder en overleden Aukaanse vader kwamen uit het binnenland. In 2014 volgde hij nog een avondopleiding tot elektromonteur toen hij via Facebook een oproep zag voor een poëziemasterclass. ‘Zo maakte ik kennis met het woord.’ Hij wilde ooit rapper worden, schreef teksten, maar had nooit een gedicht gelezen.
De masterclass werd gegeven door dichter Zulile Blinker (49), die met haar Stichting Platform Suriname nieuwe generaties stimuleert te schrijven in het Sranantongo, de taal die door de kolonisator als onontwikkeld werd beschouwd. En hen te scholen in creatief ondernemerschap.
Zij liet Koloku kennismaken met spoken word, leerde hem ‘het woord te bezielen’. Uit de masterclass ontstond dichterscollectief Kokolampu (‘gaslamp’). Josafath kreeg al snel veel boekingen. Zo ontstond de bijnaam Koloku Boi, geluksjongen. Hij begon ‘Koloku’ als artiestennaam te voeren.
Met het communicatiebedrijf dat hem managet, klikte het zo goed dat hij er nu werkt. Als hij tijdens werktijd moet optreden, mag hij gaan. Ze leerden hem zakelijker te zijn. Te vragen wat hij waard is. Gemiddeld heeft hij drie optredens per maand, bij verjaardagen, begrafenissen. En hij dicht op verzoek — over dementie, of zoals laatst, over gefrituurde kip.
Zijn moeder begreep niet wat hij deed, tot ze hem, drie jaar na zijn eerste optreden, voor het eerst op een podium zag; ze huilde van trots.
Afgelopen juni vertegenwoordigde Koloku Suriname op Poetry International in Nederland. Aan de vooravond van Srefidensi Dey (‘dag’) verzorgt hij met een groep dichters onder leiding van zijn mentor Zulile Blinker een Puwema Neti (‘poëzie-avond’). Het thema van de avond: Wortu d’e abra — woorden die oversteken, verwijzend naar een bekende Surinaamse poëzie-bloemlezing uit 1970 met daarin werken van maatschappelijk-geëngageerde dichters als Trefossa, Johanna Schouten-Elsenhout, Slory, Shrinivási en Dobru. ‘Onze voordichters’, zegt Koloku. ‘De schouders waarop wij mogen staan.’
Op het bankje in het centrum wuift hij een mug weg. Hij wil nog iets zeggen. ‘Weet je, het is goed om terug te blikken op de afgelopen vijftig jaar, de eeuwen die eraan vooraf gingen. Want ik weet, die geschiedenis is donker. Maar ik kijk liever naar wat we ervan gaan maken in de komende vijftig jaar.‘
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant