De eerste NRC-redacteur die uitgebreid door het land trok, kwam terug met een aanklacht. Suriname, concludeerde hij, was in verval. Een „ongeluksland”, achtervolgd door „ramp en tegenspoed”, dat soms „onweerstaanbaar de lachlust” opwekte, maar ook „ergerlijke indrukken” achterliet. Hij zag een „Surinaamse kwestie”, die nodig moest worden opgelost met „stevig en standvastig bestuur” – vanuit Den Haag.
Waarnemingen van dr. M. (Markus) van Blankensteijn, medewerker van de Nieuwe Rotterdamsche Courant, die najaar 1922 twee maanden door de kolonie reisde. Hij schreef er een reeks artikelen over en het boek Suriname (Nijgh & Van Ditmar, 1923). Dat vuistdikke boek bevat etnografische beschrijvingen die anno 2025 niet voor herhaling vatbaar zijn, maar het getuigt ook van diepe betrokkenheid bij land en bevolking. Slotakkoord is een Multatuli-achtige aanklacht tegen het wanbeheer van de kolonie (een gekrenkte repliek van de Chef der West-Indische Afdeling van het Ministerie van Koloniën is achter in het boek opgenomen).
Van Blankensteijn (1880-1964), ooggetuige van de Russische revolutie, NRC-correspondent te Berlijn en fervent antifascist, werd in 1936 om zijn uitgesproken politieke opvattingen ontslagen; honderden abonnees zegden uit protest de krant op. Hij werkte later voor het Parool.
Het engagement van Nederlandse journalisten met Suriname bereikte een nieuw hoogtepunt in de jaren zeventig, bij linkse journalisten in de greep van tiers-mondisme. Hun idealisme had „iets onmiskenbaar koloniaals” en paternalistisch, aldus Suriname-veteraan John Jansen van Galen in de bundel Suriname en ik (2010). Dekolonisatie bleek bovendien verwarrender dan in theorie: wat je verwachtte aan te treffen was „haat” tegen Nederland maar wat je kreeg was „aanhankelijkheid”, aldus Van Galen in een andere terugblik op zijn tropenjaren.
Toen ik als Surinameverslaggever van NRC Handelsblad in 1993 afscheid nam van toenmalig president Venetiaan, die op het nippertje een crisis met het leger had overleefd, zei hij, met zijn brede glimlach: „Zonder jullie was het niet gelukt.” Ik was te perplex om door te vragen. Bedoelde hij dat de berichtgeving niet neutraal maar in zijn straatje was geweest? Foei. Of waren „jullie” de Nederlandse bewindslieden die, om hem voor een staatsgreep te behoeden, inderhaast een lading wapens naar het land hadden gestuurd? Nu denk ik: hij was verheugd, wie weet opgelucht, dat de Nederlandse journalistiek niet onverschillig was gebleven maar zich met de herwonnen democratie in het land had geëngageerd. Goed, met een postkoloniale witte blik.
Op de Nederlandse berichtgeving over Suriname is altijd wel kritiek gekomen: eenzijdig (Bouterse!), sensationeel (drugs!) en natuurlijk koloniaal, met een white savior-complex. Grotendeels onterecht, laat Ellen de Vries zien in Mediastrijd om Suriname (2017). Nederlandse media waren – ook voor Surinamers – onmisbaar toen het land onder militaire censuur stond en nog lang daarna. Maar ze hekelt ook de romantisering van good guy Brunswijk en de onkritische houding van de media tegenover de eigen Nederlandse regering.
Zeventig jaar na Van Blankensteijn wekte het niet meteen mijn lachlust op, maar was het wel zo’n bizar journalistiek moment dat ernst en scherts samenkomen. Met Hollandse collega’s zat ik in een snikhete Memre Boekoe-kazerne te luisteren naar een nog hetere toespraak van waarnemend bevelhebber Graanoogst. Het was mei 1993, Suriname was in de greep van een confrontatie tussen leger en de regering-Venetiaan. Legerleider Bouterse was woedend opgestapt, zijn getrouwen namen er geen genoegen mee. Graanoogst riep de manschappen op met zijn allen naar het kabinet van de president te trekken.
Aha, coup? Wij haastten ons naar de uitgang. Een hand hield me tegen, ik voelde een ruk naar achteren en een knal tegen mijn hoofd. Suizende oren. „De bevelhebber is nog niet uitgesproken”, snauwde een militair. Postkoloniaal in de kladden gegrepen. Er vormde zich een boze kluwen.
De bevrijding kwam even abrupt. Iemand greep in, en ik keek recht in het gezicht van mijn redder: Borger Breeveld. De Surinaamse acteur die in Pim de la Parra’s Wan Pipel een verhouding krijgt met Willeke van Ammelrooy. Nu was hij legerwoordvoerder. Opluchting en jaloezie streden om voorrang. Bijna vergeten, we waren tenslotte in Suriname, waar Nederland nooit ver weg was.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Wat moet je deze week kijken? Tips voor boeiende programma's series en films
Source: NRC