Een jong iemand die zijn sociale klasse wil overstijgen, dat is vragen om problemen, weten Édouard Louis en Rasit Elibol. De twee schreven over de onderkant van de maatschappij, waaraan ze zich ontworstelden. Het levert totaal andere boeken op: het ene klinisch, het andere juist invoelbaar.
is schrijver en historicus.
‘Je kunt beter een sociale stijger zijn dan een sociale daler.’ Dat was een stelling van wijlen Meindert Fennema, hoogleraar politieke theorie aan de Universiteit van Amsterdam en een sociale stijger.
Fennema bestudeerde een carrière lang elites, zijn eigen vader was keurmeester in het slachthuis in Zeist. Als enige gezin in de wijde omgeving spraken ze Fries.
Fennema redeneerde dat je hoger kunt stijgen wanneer je ouders tot een lagere sociale klasse behoren. Wanneer je ouders daarentegen deel uitmaken van de elite, draag je altijd de last van de erfenis mee. Rijkdom en bezit zijn een rem op ambitie; in het beste geval behoud je het erfgoed of het kapitaal, en daarna is er de zorg hoe je het doorgeeft aan de volgende generatie.
Voor een sociale stijger ligt de toekomst open: in vergelijking met je ouders kun je het alleen maar beter doen.
In een notendop is dit het ideaal van de sociaaldemocratie: ieder dubbeltje moet een kwartje kunnen worden. Terwijl ik dat opschrijf, besef ik dat deze zegswijze op zijn zachtst gezegd sleets is, een cliché. Ook het idee dat de staat de motor is van verdeling van kennis, inkomen en macht is iets van de vorige eeuw.
Typerend is Mark Ruttes uitspraak die stelt dat je je moet invechten. Dromen worden niet vanzelf waarheid; je moet het zelf doen.
In de praktijk valt daar nogal wat op af te dingen, en het past zeker niet bij het idee van de sociaaldemocratie, maar voor een boek is het een goed startpunt. Een jong iemand die zijn eigen sociale klasse wil overstijgen, en in een ander milieu terechtkomt, dat is vragen om problemen. En problemen zijn de motor van elke roman.
Het oervoorbeeld is Le Père Goriot (1835) van Honoré de Balzac. Het eerste deel van de duizelingwekkende romancyclus La Comédie humaine. De jonge Eugène de Rastignac verhuist naar Parijs met de ambitie om het daar te gaan maken. Hij wordt geconfronteerd met de meedogenloze hospita van zijn pension, meedogenloze vrouwen die hem niet zien staan, dat alles in een meedogenloze stad. Een sociaal vangnet is er niet, iedereen is berekenend, meelevendheid wordt afgestraft, de enige weg is de weg vooruit.
Balzac laat zien dat een sociale stijger één ding nodig heeft om zijn nieuwe milieu te trotseren: grenzeloze ambitie.
De 21ste-eeuwse Rastignac heet Édouard Louis. Louis beleefde een stormachtige opkomst met zijn romans Weg met Eddy Bellegueule en Ze hebben mijn vader vermoord. Onlangs werd de Franse schrijver 33 en publiceerde zijn zevende boek. In Nederland is hij een van Frankrijks best gelezen schrijvers – en met recht.
Begin november verscheen zijn boek De ondergang, waarin hij methodisch beschrijft hoe zijn oudere broer zich de vernieling indrinkt. De eerste zin: ‘Ik voelde niets toen ik hoorde dat mijn broer dood was; geen droefheid, geen wanhoop, geen blijdschap, geen genoegen.’
Een goede opening voor een onderzoek naar een verstoorde familierelatie en een literaire afrekening. Een provocatie, maar ook een knipoog naar L’Étranger van Albert Camus.
Louis en zijn halfbroer zijn op dezelfde manier opgevoed, met geweld, en getekend door de schaamte en onzekerheid die armoede met zich meebrengt. Maar waar Louis zich ontworstelt aan het milieu, blijft zijn broer erin hangen. Dickensiaanse problemen stapelen zich op: werkloosheid, slechte gezondheid, eenzaamheid en vooral de fles. Alles is te herleiden naar het arme milieu waaruit hij voortkomt. De broer krijgt kansen, maar elke keer verpest hij het weer door te veel te drinken. Een gevolg van een trauma: zijn vader liet hem in de steek. Zelf noemt hij dit De Wond.
Uit alles blijkt dat de verhouding tussen Louis en zijn broer slecht was: beiden voelen zich door de ander niet gezien. De broer is bang dat Louis op hem neerkijkt en Louis vindt zijn broer homofoob. Louis wil niet meebetalen aan de begrafenis van zijn broer. Daar laat hij zien hoe goed hij kan schrijven, en vooral hoe groot de afstand tussen hemzelf en zijn familie is.
Toch is De ondergang geen geslaagd boek. Louis weet zijn personage niet tot leven te wekken, zijn broer blijft naamloos, omdat zijn verhaal inwisselbaar is met dat van velen die hun sociale klasse niet kunnen ontworstelen. In theorie is dat treffend, want in Noord-Frankrijk zijn er veel van dit soort families. In de praktijk van een roman is het echter rampzalig, Louis slaat zijn broer plat tot een tweedimensionaal personage, niet veel meer dan de som van zijn tegenslagen.
In het wereldbeeld van Louis is het onmogelijk om aan je afkomst te ontkomen, maar is hij zelf niet de uitzondering? In Veranderen: methode schrijft Louis dat hij een personage moest worden om te ontsnappen. Gaandeweg werd ik nieuwsgierig naar het verschil tussen Louis en zijn broer. Naar de wereld die Louis niet beschrijft, naar zijn leven in Parijs – een leven dat machtig interessant is, en dat zou contrasteren met de Noord-Franse negorij. In de De ondergang is dat niet de bedoeling. We worden opgezadeld met een karikatuur van een kansloze man in beschimmelde appartementen.
Ik kreeg zelfs de indruk dat de methode van Louis is verworden tot parodie. Zoiets laat zich zien aan de bladspiegel: de hoofdstukken – die pompeus feiten worden genoemd – beginnen haast onderaan de bladzijde. Ook worden ze van elkaar gescheiden door een royale hoeveelheid witte pagina’s. Ik kon me moeilijk aan de indruk onttrekken dat Louis alles uit de kast heeft gehaald om uit te komen op tweehonderd bladzijden. Een VVD’er zou dit een cashcow noemen.
Interessanter is het nieuwe boek van Rasit Elibol. Vuistslagen verscheen in september. Net als De ondergang is het een portret van de onderkant van de maatschappij, maar waar het boek van Louis een klinisch verslag is van de narigheid en de armoede, is het bij Elibol invoelbaar. Instinctief vertrouw je hem.
Elibol blikt terug op zijn jeugd in Wormerveer, waar hij opgroeide in een arm gastarbeidersgezin uit Turkije. Met zijn vieren woonden ze in een flatje van 60 vierkante meter. Elibol beschrijft hoe hij op een avond getuige is van een vechtpartij tussen zijn ouders.
In het eerste hoofdstuk keert hij terug naar zijn ouderlijk huis, waar hij naartoe gaat voor een reportage voor De Groene Amsterdammer. Elibol is een sociale stijger, en Vuistslagen is het verslag van de overwonnen obstakels.
Ik heb het in één adem uitgelezen. Elibol is eerlijk over de klappen die hij moet incasseren, maar ook over de klappen die hij zelf uitdeelt. Sterk is het hoofdstuk over zijn wietverslaving, met name de passage waarin zijn ouders grote moeite doen om 100 euro bij elkaar te rapen zodat Elibol met zijn klas mee kan op schoolreisje. 100 euro die hij onderweg naar school al uitgeeft, de ene helft bij de coffeeshop, de andere helft bij de snackbar.
Hoe moet het nu met het uitzwaaimoment? Tegen zijn ouders liegt hij dat het er niet is, maar die zijn niet achterlijk. Op de dag van het schoolreisje staan ze wachten bij de school, en zien een volle schoolbus vertrekken – zonder hun zoon. Elibol heeft zich verstopt in een hutje in de polder, uiteraard met een ruimbeten portie softdrugs.
Smeuïg vertelt hij over drank, drugs, geweld. Jeugdvrienden sneuvelen, maar Elibol komt zijn verslaving te boven, hij verwerft een plek binnen de journalistiek. Tegelijkertijd blijft hij geplaagd door onzekerheid: ‘Hoe ben ik hier überhaupt terecht gekomen?’ Die vraag laat hij elegant onbeantwoord, maar aan de schrijfstijl kun je zien dat het een kwestie is van talent, doorzettingsvermogen en ambitie.
De ondertitel van Vuistslagen, ‘opklimmen en invechten’, verwijst naar een uitspraak van Mark Rutte. Rutte stelde dat allochtonen harder moeten werken om iets te bereiken. Impliciet onderschrijft Elibol die stelling.
Hij schetst ook de dilemma’s van zijn afkomst, hij zoekt naar een goede verhouding met zijn nieuwe omgeving, tegelijkertijd blijft hij een buitenstaander. Hij illustreert dat in een passage waarin hem wordt gevraagd te jureren bij een prijs. Elibol vraagt zich meteen af: willen jullie me soms omdat ik een allochtoon ben?
Ook dat is het dubbele aan opgroeien in een migrantengezin. Het is een achterstand in een cultureel milieu, maar het levert ook ervaringen op die binnen de elite zeldzaam zijn. Bijvoorbeeld in de passage waarin Elibol een wedstrijdgevecht in België wint. Ik gun Elibol een prijs voor Vuistslagen, maar die valt waarschijnlijk in het niet bij de trofee die hij tijdens The Night of the Gladiator won.
En de sociaaldemocratie, of de verspreiding van kennis, inkomen en macht? In beide boeken blijft die buiten beeld en dat is veelzeggend.
Vlak voor zijn dood had ik Fennema aan de telefoon. Ook toen ging het niet goed met de PvdA: het rode bastion dreigde op te gaan in GroenLinks.
Ik vroeg hem hoe het nu verder moest met de sociaaldemocratie. ‘Vergeet de sociaaldemocratie’, zei Fennema, ‘dat is iets van vroeger en het komt niet meer terug.’
Uiteindelijk wordt zowel in Vuistslagen als in De ondergang duidelijk dat het individu niet wordt opgestuwd door een systeem. Integendeel, er is geen systeem. Er zijn wel dreigingen, vooral in de vorm van geweld, alcohol en drugs. Desondanks is het mogelijk om je te ontworstelen uit je milieu, maar het vergt wel wilskracht en vernuft, en vuistslagen dus.
Édouard Louis, De ondergang. Uit het Frans vertaald door Kiki Coumans. De Bezige Bij; 230 pagina’s; € 22,99.
Rasit Elibol, Vuistslagen – Over opklimmen en invechten. De Bezige Bij; 192 pagina’s; € 22,99.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant