Booker Prize-winnaar Arundhati Roy ‘schrijft alsof ze al haar tegenstanders al heeft vermoord’. In Mother Mary Comes to Me is ze even nietsontziend, nu richting haar moeder, een in India bekende feministe, maar thuis onberekenbaar. ‘Toen ze dood ging, viel mijn interne structuur weg.’
Ianthe Sahadat is redacteur van de Volkskrant, met bijzondere aandacht voor de koloniale geschiedenis.
Met spoken uit het verleden valt niet te onderhandelen, schrijft Arundhati Roy (63) in haar zojuist verschenen memoires Mother Mary Comes to Me (de Nederlandse vertaling heeft dezelfde titel). Of je zet de deur wagenwijd voor ze open – met alle gevolgen van dien. Of je smijt hem keihard dicht en waagt het niet ooit nog om te kijken.
De Indiase schrijver van twee bejubelde romans (De God van kleine dingen, uit 1996, waarmee ze de Booker Prize won, en Het ministerie van opperst geluk, uit 2017) en een omvangrijk oeuvre aan vurige maatschappelijke essays en boeken, leeft ‘met de deur open’. Al realiseerde ze zich dit pas na de vrij plotselinge dood van haar moeder in 2022.
In Mother Mary Comes to Me ontleedt Roy de complexe relatie die ze met haar buitenissige moeder Mary Roy (geboren in 1933) had. Parallel daaraan ontvouwt ze haar eigen wordingsgeschiedenis tot schrijver annex zelfverklaard dissident, wier woorden even betoverend als politiek geladen zijn.
‘Mevrouw Roy’, zoals Roy haar moeder noemt in het boek, is vanwege haar levenslange inzet voor vrouwen- en meisjesrechten een geliefd feministisch icoon. Ze runde een school in het Zuid-Indiase Kerala, waar ze ‘hele lichtingen lieve, zorgzame en respectvolle mannen kweekte’ en meisjes ‘met ruggengraat, vleugels en vrijheid’ de wereld instuurde.
Ander wapenfeit: Mary Roy vocht het seksistische erfrecht in Kerala aan. Dankzij haar inspanningen kunnen ook dochters van hun ouders erven. ‘Die strijd heeft in de praktijk trouwens niets opgeleverd’, zegt Roy met opgewekte stem via een videoverbinding vanuit een appartement in Oslo, een van de tussenstops van haar drie weken durende Europese boektournee. ‘De wet is van toepassing op mensen die geen testament nalaten.’ Ze lacht schamper: ‘Vervolgens is iedereen testamenten gaan opstellen, om er zeker van te zijn dat hun geliefde zonen alsnog voorgetrokken worden.’
Dus uiteindelijk was het voor niets?
‘Het is nooit voor niets. Ook als symbolische verzetsdaad was het belangrijk.’
Als moeder van Roy en haar drie jaar oudere broer betoont Mary Roy zich echter een onberekenbare, explosieve tiran die haar kinderen onderwerpt aan een regime van verwensingen en vernederingen. Al haar liefde en licht, noteert Roy, gingen naar haar ‘derde kind’, de school. De wervelstorm aan emoties die ze voelde bij het overlijden van haar moeder ‘verbaasde’ haar nogal, vertelt ze.
‘Als kind voegde ik mij naar mijn moeder, ik probeerde haar te voorspellen, doorgronden en voor haar te zorgen, ook fysiek, ze had vreselijk zware astma. Ik was als een soort extra long, een orgaanvormig kind. Dan brulde ze naar me: als ik dood ben, heb je niemand!
‘Ik had mijn inlevings- en aanpassingsvermogen zo ver opgerekt, ik had geen idee wie ik was zonder haar. Op mijn 16de ben ik ontsnapt. Dat is zonder enige twijfel mijn redding geweest. Ik vluchtte naar Delhi, waarna ik acht jaar geen contact met haar heb gehad.
‘Omdat ik uiteindelijk tóch contact wilde, heb ik vervolgens jaren energie gestoken in het beheren van een ingewikkelde relatie met haar. Toen ze dood ging, viel mijn interne structuur weg. Wat ik voelde is niet zoiets eenvoudigs als verdriet. Ik moest simpelweg al mijn moleculen herschikken.’
De christelijke Mary Roy ontsnapte als jonge vrouw aan een gewelddadige vader door te trouwen met een man die verslaafd bleek aan illegaal gestookte drank (‘Het gele en oranje spul’). Ze voedde haar kinderen alleen op, nadat ze ‘De Nietsnut’ wegstuurde toen Arundhati 3 was.
In haar memoires, die op onnavolgbare wijze ook als ode aan haar moeder lezen, noteert Roy een scala aan tirades die haar en haar broer ten deel vielen. ‘Had ik je maar in een weeshuis gestopt’, ‘je bent een molensteen om mijn nek’, ‘teef’, tegen haar dochter, ‘als ik jou was zou ik me van kant maken’ of ‘seksist’ tegen haar zoon (op dat moment 6 jaar oud).
Uw broer reageerde haast verontwaardigd dat uw moeders dood u zo raakte. ‘Ze was tegen niemand zo gemeen als tegen jou’, zei hij.
‘Dat ik anders naar mijn moeder kijk, komt deels omdat ik een vrouw ben. Mijn moeders strijd voor vrouwenrechten heeft indirect betrekking op mij als vrouw. Ik kan haar als publiek persoon zien, als de onbevreesde gangster die ze ook was. Mijn broer moest al mijn moeders woede en toorn richting mannen en haar afkeer van de in India heersende zonenverering incasseren.
‘Mijn broer en ik zijn close, maar we zitten heel anders in elkaar. Toen hij vertrok, trok hij de deur dicht en besloot nergens meer aan te denken. Bij mij gaat alles via ingewikkelde afslagen, mijn binnenwereld is als een doolhof met uit het niets opduikende zigzagpaden.’
Lachend: ‘Daarom is hij een succesvol zakenman met een zeevruchtenimperium, en ben ik schrijver geworden.’
Heeft hij het boek wel gelezen?
‘Natuurlijk!’
Hoe was dat voor hem?
‘Hij zei: ik moest tegelijkertijd huilen en lachen, en dacht dat ik doodging. Maar bij de boekpresentatie stond hij wel op het podium om Let It Be (waaraan de boektitel is ontleend, red.) te spelen voor het publiek. Zo is mijn broer. De zaal puilde uit van de bezoekers. Allemaal mensen die daar voor mijn moeder kwamen, niet per se voor mij.
‘Mijn broer begrijpt me niet, maar accepteert me totaal. Hij weet dat ik dit boek móést schrijven.’
Op haar 16de vluchtte Roy naar Delhi, drie dagreizen verwijderd van haar geboortedorp, om architectuur te studeren. Ze hield direct van de stad, schrijft ze. ‘De chaos, de groezeligheid, de anonimiteit. Tegenwoordig is Delhi een beklemmend oord vol beveiligers en bewakingscamera’s. Op iemands gazon plassen is er niet meer bij.’
In Delhi ontwikkelde haar creatieve carrière zich via architectuur naar film en uiteindelijk literatuur. Vlak voor de eeuwwisseling katapulteerde Roy zichzelf vanuit het niets naar het literaire wereldpodium met haar debuutroman, The God of Small Things, over tweeling Estha en Rahel, op 7-jarige leeftijd na een noodlottig ongeval van elkaar en hun ‘zedeloze’ moeder gescheiden, en een tombola aan kleurrijke personages.
Nog voor publicatie had haar Engelse uitgever het manuscript al in twintig landen verkocht. Het werden er uiteindelijk meer dan vijftig. Binnen een paar maanden tijd ging Roy van ‘anoniem en straatarm’ (‘ik had geen huis, geen geld en zwierf rond’) naar ‘wereldberoemd en belachelijk rijk’.
En toen won ze ook nog de Booker Prize.
In eigen land werd Roy met trots onthaald: een Indiase auteur had een grote internationale prijs gewonnen. Ze wil ‘absoluut niets afdoen’ aan het winnen van de prestigieuze prijs, zegt ze, want ‘die heeft me de vrijheid gegeven om te leven en te schrijven op mijn eigen voorwaarden’. Maar er waren ook andere gevolgen. ‘Om mij uit volle borst toe te kunnen juichen moest De God van kleine dingen gedepolitiseerd worden.’
Uw boek werd alleen nog geprezen om het ontroerende verhaal en de lyrische taal. Alle maatschappijkritiek, over ongelijkheid ten gevolge van het kastenstelsel, vrouwenonderdrukking en na-ijlende koloniale structuren, werd eruit gefilterd.
‘Vanwege de Booker verscheen ik overal, in bladen, kranten, op tv. Voor ik het wist, werd ik opgediend als bestanddeel van een parade van nationale trots die naadloos overging in een verheerlijking van het hindoenationalisme.’
Wat deed u toen?
Guitige blik: ‘Toen heb ik mijzelf afgescheiden.’
Roy doelt op haar geruchtmakende essay (Het einde van de verbeelding) uit 1998, waarin ze zich kritisch uitsprak tegen India’s kernbewapening, het steeds militantere hindoenationalisme en de discriminatie van en het geweld tegen moslims dat daaruit voortvloeide. De verwensingen en razernij van India’s (rechtse) elite en middenklasse die daarop volgden (‘nestbevuiler’, ‘donder dan maar op uit India’), zijn nooit meer verstomd.
‘Ik viel in een klap van mijn voetstuk’, zegt Roy opgewekt. ‘Ik was meteen díé vrouw, niet hindoe genoeg, niet christelijk genoeg, ik wist niet waar ik het over had, moest een toontje lager zingen.’ Grote grijns: ‘Het was, kortom, een bevrijding.’
Geen ‘gouden kooi van literaire roem’ voor Roy. In plaats van uithangbord werd ze dissident.
In de loop der jaren schreef ze talloze vlammende essays, waarin ze opkomt voor ‘de verdrukten’ in haar land, zoals moslims, vrouwen, transpersonen of dalits, de kastelozen.
Daarnaast was ze betrokken bij een protest tegen een miljardendeal die de regering had gesloten met multinationals voor de bouw van een reeks dammen in de Narmada-delta in het oosten van het Indiase subcontinent. Honderdduizenden mensen werden daardoor uit hun dorpen en huizen verdreven, en er voltrok zich een ecologische ramp. Voor haar betrokkenheid werd Roy veroordeeld tot een boete en een symbolische gevangenisstraf van een dag.
Een ander onderwerp waarin ze zich vastbeet zijn de mensenrechtenschendingen en Indiaas (militair) geweld tegen moslims in het bezette Kasjmir, de door India en Pakistan betwiste deelstaat. Haar roman Ministerie van opperst geluk speelt zich er deels af. In Mother Mary Comes to Me beschrijft ze het leed dat ze aantreft tijdens een bezoek aan Kasjmir.
Mensen vertellen u over alle gedode, gemartelde en ‘verdwenen’ geliefden, broers en zonen, maar het is de vanzelfsprekendheid waarmee de Kasjmiri-moslims ‘de routinematige, dagelijkse vernederingen door Indiase militairen ondergaan’ die u het meest raakt. Wat maakt juist dat zo erg?
‘Een militaire bezetting betekent: overal soldaten. Letterlijk. Ze versperren wegen, bospaden, pleinen, markten en ziekenhuizen, houden alles en iedereen in de gaten. Ze porren met de loop van hun geweren in de intimiteit van het dagelijks leven van de Kasjmiri. Elke ademhaling of zucht wordt door militairen gereguleerd.
‘De meeste Indiërs hebben geen idee, al het nieuws uit de Kasjmirvallei is gecensureerd of verdraaid zodat het past in het verhaal van de Indiase regering.’
Wie het waagt op te komen voor moslims in Kasjmir of in heel India is al snel ‘een spion van Pakistan’. Zo ook Roy. Die het, al in 2004, ‘waagde’ zich uit te spreken voor zelfbeschikking van Kasjmiri. Sindsdien kampt ze met felle haatreacties en dreigementen. In tv-programma’s roepen prominente politici, van ‘zogenaamd progressief’ tot radicaal-rechts, dat de schrijver gearresteerd moet worden. In 2017 richtte een presentator van een populair nieuwsprogramma zich zelfs rechtstreeks tot haar. Blik in de camera: ‘Arundhati Roy, we walgen van je.’
Hoe is het om zo veel publieke haat te incasseren?
Diepe zucht: ‘Ik richt me op datgene wat ik met mijn woorden oogst. Door de jaren heen heb ik zoveel mensen leren kennen die vele malen dapperder zijn dan ik, die hun lichamen dag na dag in de strijd werpen om te mogen bestaan. Betere royalty’s dan zulke vriendschappen kan een schrijver zich niet wensen.’
Het leeuwendeel van haar daadwerkelijke royalty’s steekt Roy in een fonds ten behoeve van lokale Indiase journalisten, ngo’s en activisten die het opnemen tegen een arsenaal aan onrechtvaardigheden. ‘Dat is geen liefdadigheid’, zegt ze. ‘Maar solidariteit. Ik besefte al snel: het beste wat je met geld kunt doen, is het delen met anderen. Dat bedoel ik niet nobel, het is gewoon echt zo. Dat ben ik dus altijd blijven doen, met iedereen die het wat mij betreft verdient. En als het op een dag op is, is het op.’
U spreekt zich ook al jaren uit over de Israëlische onderdrukking van Palestijnen. Ziet u parallellen tussen de Kasjmiri en de Palestijnen?
‘Zowel India als Israël presenteren zich als democratie, terwijl ze een gemilitariseerde bezetting uitvoeren, met andere regels voor bepaalde groepen mensen. Palestijnen leven onder apartheid. Moslims zijn niet alleen in Kasjmir, maar in heel India tweederangsburgers.
‘Hindoenationalisme en zionisme vertonen fundamentele overeenkomsten die uiteindelijk in fascisme uitmonden: het ene volk is uitverkoren, het andere wordt ontmenselijkt.
‘Niet elke toeschouwer zag de afgelopen twee jaar in de gelivestreamde genocide in Gaza een verschrikking. Sommige wereldleiders maakten aantekeningen bij wat Netanyahu aanrichtte, waarmee hij kon wegkomen, waarover hij mocht opscheppen. Zij denken nu: dat kan ik ook.’
Narendra Modi, sinds 2014 de premier van India, onderhoudt een warme band met Israël. Op X noemt hij Netanyahu ‘mijn vriend Bibi’.
‘Na 7 oktober 2023 veranderden veel hindoenationalisten hun WhatsApp-foto in de Israëlische vlag. De ultranationalistische BJP van Modi streeft naar een hindoeïstische etnostaat. De overeenkomsten tussen India en Israël zijn zeer verontrustend.
‘Modi komt voort uit de RSS (Rashtriya Swayamsevak Sangh), een extreemrechtse club gemodelleerd naar Mussolini’s paramilitaire, fascistische zwarthemden, met een uitgebreid netwerk van scholen en honderdduizenden vrijwilligers. Kinderen worden er lid, Modi kwam er als 8-jarige bij. Ze vierden onlangs hun 100-jarig bestaan.
‘Modi was regeringshoofd van deelstaat Gujarat toen daar in 2002 bijna tweeduizend moslims zijn vermoord door een opgezweepte menigte. Modi weigert geweld tegen moslims te veroordelen. Mensen krijgen voortdurend het politieke signaal dat geweld is toegestaan.
‘Recentelijk probeerde de BJP de wet zo aan te passen dat moslims hun burgerschap konden verliezen. Het is een dunne lijn tussen democratie en majoritarisme.’
Wat bedoelt u met majoritarisme?
‘In een gezonde democratie beschermt de meerderheid minderheden. Bij majoritarisme is er sprake van een dictatuur van de meerderheid. Dat is geen democratie, maar fascisme. Deze beweging zie je op het moment in de hele wereld.
‘Via een giftig vijandbeeld probeert de BJP de meerderheid van 80 procent hindoes in India tot eenheid te smeden. Ze maken de tweehonderd miljoen moslims tot gehate minderheid die een homogeen India zou bedreigen. Het is een systematische aanval op wat India eigenlijk is: een heel divers land.
‘Indiërs zien zichzelf als Assamezen, Punjabi’s, als mensen uit Kerala of Maharashtra. Hindoes identificeerden zich traditioneel gezien met hun kaste. De BJP beweert dat moslims van buitenaf naar India zijn gekomen, wat onzin is. De meeste Indiase moslims hebben zich ooit tot de islam bekeerd om te ontsnappen aan de knellende hiërarchie van het hindoeïstische kastesysteem.’
Ervaart u een déjà vu als u bijvoorbeeld naar de ontwikkelingen in de VS kijkt?
‘De gelijkenissen zijn absoluut krankzinnig. De aanval op universiteiten, op burgerschap, op de economie. De ophemeling van het leger, het gebruik van oorlogstaal, Trumps bondgenootschap met christelijk rechts.
‘Net als Modi combineert Trump politiek fascisme met ongebreideld kapitalisme. Toen Modi in 2014 werd beëdigd tot premier, liet hij zich per privéjet van een mijnbouwmiljardair naar Delhi vliegen.
‘Er zijn ook verschillen. Een systematisch georganiseerde extreemrechtse beweging als de RSS kent de VS niet, daarom zie je daar meer chaos. India heeft nauwelijks nog onafhankelijke media. Alles is in handen van enkele bedrijven die ook in mijnbouw of olie zitten, één bedrijf heeft 27 nieuwszenders. Als je in India de tv aanzet, zie je alleen nog maar moslimhaat. In de VS zijn in elk geval niet álle media pro-Trump.’
Wie met Roy spreekt, belandt op enig moment vanzelf in een geopolitiek gesprek. ‘Schrijvers zijn politieke wezens, niet allemaal, maar velen.’ Ze moet lachen als mensen haar typeren als ‘schrijver én activist’. ‘Schrijver dekt de lading al. ‘Schrijver-activist’ klinkt een beetje als ‘bedbank’. Ik verzet me ook tegen de typering, omdat het een poging is om literatuur te beperken tot entertainment. Al mijn schrijven is politiek, ook mijn romans.
‘Ik zie het meer dan ooit als mijn taak om impopulair te zijn als schrijver, juist vanwege het majoritarisme dat overal wortel schiet. En dan bedoel ik niet alleen de overheid, maar ook individuen, die op allerlei manieren tot micro-fascisten worden gemaakt, de meutes en de burgerwachten die mensen lynchen.’
Laatst gaf iemand haar een treffend compliment: ‘U schrijft alsof uw tegenstanders u al vermoord hebben.’ Ze buigt nooit, bedoelde diegene. Uitbundige lach: ‘Dankzij mevrouw Roy heb ik een levenslange training in doodsbedreigingen achter de rug.’
Arundhati Roy: Mother Mary Comes to Me. Uit het Engels vertaald door Inger Limburg en Lucie van Rooijen. Wereldbibliotheek; 352 pagina’s; € 24,99.
Arundhati Roy
1961 Geboren op 24 november in Shillong, Assam (heden: Meghalaya), het noordoostelijke puntje van India.
1963 Verhuist met moeder en broer naar Kerala in het zuiden.
1977 Vlucht naar Delhi, studeert architectuur, werkt kortstondig als architect.
1982 Werkt als acteur, script- en scenarioschrijver.
1996 Roman The God of Small Things verschijnt, wordt meteen een internationale bestseller.
1997 Wint de Booker Prize.
1998 Publiceert geruchtmakend essay The End of Imagination.
2010 Essaybundel Listening to Grasshoppers – Field Notes on Democracy.
2011 Walking with the Comrades, over haar tijd bij de naxalieten (communistische guerilla’s in de Narmada-vallei).
2017 Roman The Ministry of Utmost Happiness.
2019 Essaybundel My Seditious Heart.
2025 Mother Mary Comes to Me.
Roy woont in Delhi met haar twee geadopteerde zwerfhonden. Ze is sinds 1984 getrouwd met oud-filmmaker, bioloog en milieuactivist Pradip Krishen, ze wonen niet samen.
Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant