Twee jaar geleden verhuisden we. In de zes weken dat we de overstap gingen maken, stierven twee familieleden. In de dagen voor hun dood, toen ze allebei al erg ziek waren, woonden we in een tijdelijk huis aan het strand. Al onze spullen zaten in dozen in een opslag. In dit appartement rook het naar een autodealer en hadden we een glimmend kookeiland. Vanachter een grote glazen pui keken we naar de verlaten boulevard en de kolkende zee.
‘Het is waarschijnlijk goed om even niets van jezelf te hebben en in generieke leegte te wonen,’ zeiden we tegen elkaar. ‘Of misschien niet goed, maar het pást bij hoe het nu is,’ verduidelijkten we, en knikten elkaar instemmend toe, omdat we wilden geloven dat we ondanks de voortdurende paniek in onze keel nog steeds een weloverwogen grip op onze levens hadden.
Tussendoor bezochten we het ziekenhuis en probeerden we ontregelde kinderen aan hun – eveneens – nieuwe school te laten wennen. We werkten, dof, achter onze laptops, telefoon op tafel, want ieder moment kon de uiteindelijke rampspoed zich aandienen.
Elke avond zat ik, terwijl novemberstormen om het appartement raasden, met verfwaaiers op tafel na te denken over de kleuren van ons nieuwe bestaan. Uren ging ik door de stalen heen, schreef combinaties voor kinderkamers en keuken op, was er bijna, en begon daarna gewoon weer opnieuw.
Was ik niet een beetje gek aan het worden, bedacht ik me, terwijl ik een uur lang ingespannen naar een modderig olijfgroen staarde. Dat dacht ik ook toen ik drie keer in één week de sleutel van het appartement zomaar verloor, of een halve dag rondliep met mijn jas binnenstebuiten aan.
Maar, zo redeneerde ik, al die dingen waren hoogstwaarschijnlijk te wijten aan verhuisvermoeidheid en toeval. Met ons ging het goed, want we bevonden ons toch slechts aan de periferie van het grote verdriet. We hoefden alleen maar een beetje overeind te blijven.
We verhuisden nu echt. Het eerste familielid was inmiddels overleden. We hadden haar begraven, we sjouwden onze spullen naar binnen, hingen schilderijen op en ruimden kasten in.
Het tweede familielid overleed een dag voor kerstmis. We gingen toch maar iets koken, vanwege de kinderen. Veel weet ik er niet meer van. Een week daarna begroeven we het tweede familielid.
Het nieuwe jaar gaf moed. We konden onze telefoons weer wat vaker in onze zak houden. Willem sloeg verbeten dertig spijkers in de muur langs de trap, en hing daar de foto’s op van iedereen van wie we houden.
De lente kwam, eindelijk. We hadden ons er goed doorheen bewogen.
Maar toen ik laatst de zolder wilde opruimen, zag ik hoe de dozen daar schots en scheef opgestapeld zijn. Zakken met kleding, ongesorteerde troep overal. Alles zomaar neergesmeten. Ik liep de trap af naar beneden, de hal in en keek met plots wakkere ogen om me heen. Alles is daar grijsblauw, omdat ik bij het uiteindelijke kiezen van de kleuren vaag had besloten dat het misschien wel goed was om de zee mee naar het nieuwe huis te nemen.
Nu voelde ik pas hoe die ruimte al twee jaar lang diep en donker op me drukt.
De doden verhuizen met ons mee, maar ik had nog niet begrepen dat ze in de muren zitten.
Buiten raast de storm net zoals toen. Tijd om een raam open te zetten.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Elke donderdag de mooiste verhalen over kunst en cultuur: interviews, recensies en achtergronden
Source: NRC