Home

Ook het Limburgse tuindorp Kerensheide werd opgeslokt door de industrie, maar is nog niet vergeten

Industrie Het tuindorp Kerensheide was een enclave van mijnwerkers en beambten, gebouwd door de Staatsmijnen. In de jaren zeventig moest het – evenals Moerdijk nu – wijken voor oprukkende bedrijvigheid. Bewoners werden uitgekocht en huizen tegen de vlakte gehaald. „Kerensheide lag overal een beetje tussenin.”

Chemelot nabij het Limburgse Stein en Geleen.

Het nog jonge Kerensheide viert de installatie van een nieuwe pastoor. Een processie trekt door de rijkversierde straten. In een van de riante tuinen roken zwartgerokte geestelijken lachend hun sigaren.

De film die Wim Janssen (79) – penningmeester van de Stichting Erfgoed Stein – op het scherm projecteert, is bijzonder. Door alle vreugde in beeld, met geen bezetter in beeld, vergeet de kijker al snel dat de beelden dateren uit 1941. Bovendien is een verloren wereld te zien. De dominantie van het rooms-katholieke geloof? Tegenwoordig verdwenen. De naastgelegen Staatsmijn Maurits? Nu gesloten. En Kerensheide zélf? Ook weg.

Vanaf de jaren twintig van de vorige eeuw verrees Kerensheide. De woningvereniging van de Staatsmijnen bouwde een tuindorp voor mijnwerkers en beambten. In de jaren zeventig viel het doek. De chemische bedrijvigheid van DSM, de voormalige Staatsmijnen, rukte op. Nieuwe snelwegen kregen ruim baan. Voor Kerensheide was – net als wat nu speelt in Moerdijk – geen plaats meer.    

Voordat het Limburgse tuindorp werd gesloopt, fietste Janssen zelf „misschien wel duizenden keren” door Kerensheide. Een doorgaande weg en vier aanpalende straten, vlak buiten de bebouwing een café en een kapelletje. „Het lag overal een beetje tussenin. Kerensheide viel onder de gemeente Beek, onder een parochie in Stein, terwijl de post werd bezorgd vanuit het kantoor in Geleen.”

Maastrichtenaren

Jan Boekema (83) kwam in 1952 als kind in Kerensheide wonen. „Mijn vader werkte in Vlissingen. Overdag op de werf, ’s avonds op de bedrijfsschool. In Limburg kon hij met één baan meer verdienen dan in Zeeland met twee.”

De onderwijzer in Vlissingen wijdde speciaal voor Boekema’s vertrek een aardrijkskundeles aan Limburg. „98 van de 100 mensen was er katholiek, vertelde de onderwijzer. Nou, op onze roomse school was me altijd geleerd dat alle geloofsgenoten vrienden waren. Dus ik verheugde me op de verhuizing.” Aan speelmaatjes geen gebrek: de Boekema’s hadden zeven kinderen, maar gezinnen met meer dan tien vormden geen uitzondering.  

In Kerensheide lag het percentage katholieken overigens lager dan wat Boekema’s Zeeuwse onderwijzer had verkondigd. Meer bewoners hadden wortels elders. „Toen we er kwamen wonen, werden we gewaarschuwd voor onze buren. Rechts woonden mensen die niet katholiek, niet eens protestant, maar zónder geloof waren. Voor de mensen links moesten we ook uitkijken: dat waren Maastrichtenaren.”

Voor Boekema bleef Kerensheide een avontuur. „Maar mijn moeder kon moeilijker wennen. We kwamen aan in de winter. Alles was kaal. Bij oostenwind zat alles onder de grijze sneeuw, ook het wasgoed. Dat was uitstoot van de cokesfabriek van de Maurits. Maar toen in de lente bij de huizen achter ons de forsythia’s begonnen te bloeien, was mijn moeder om.”

De voortuinen werden in Boekema’s eerste jaren in Kerensheide nog onderhouden door personeel van de Staatsmijnen. „Toen een man in onze straat zijn veertigjarig jubileum vierde en een van de directeuren op bezoek zou komen, kregen ze zelfs een extra goede beurt.”

Meer was goed op orde in Kerensheide. Er waren een speelterrein, voetbalveld en tennisterrein. Steeds vaker klonken echter geluiden dat het tuindorp werd bedreigd door oprukkende bedrijvigheid.

Boekema vertrok zelf in 1967 uit Kerensheide. Dat was het jaar dat hij trouwde met Rita. „Een vriendin van mijn zus. Waarom zou je verder zoeken? Ze kwam ook uit Kerensheide, maar we kregen een huis in Stein.”

Beambtenwoningen bij de kerk te Kerensheide, in 1950.

Boekema’s ouders bleven tot 1972 in Kerensheide, het jaar waarin het dorp definitief verdween. Ze konden tegen dezelfde huur een huis in Stein krijgen. „Mijn ouders zagen in dat verzet geen zin had. Bovendien protesteerde je dan tegen je eigen werkgever. En ze waren bang dat Kerensheide door toenemende leegstand snel achteruit zou gaan.”

Anderen gingen wel demonstreren. Bewoners waren ook verontwaardigd over 2.000 gulden die DSM bood als de vertrekvergoeding. Vanuit Den Haag klonk eveneens protest, onder anderen van de PvdA’er Jan „In gelul kun je niet wonen” Schaeffer, destijds Tweede Kamerlid.

Het tij bleek niet meer te keren.  In 1976 vertrok de allerlaatste bewoner uit Kerensheide en kon de laatste bebouwing tegen de grond.

Boekema’s schoonouders kwamen toevallig terecht in dezelfde straat in Stein waar ook zijn ouders kwamen wonen. Over het algemeen kwamen de Kerensheidenaren verspreider over de regio terecht. Oude banden vervaagden in de loop der jaren.

Op de voorgrond bebouwing van Geleen en het spoor Maastricht-Sittard. Op de achtergrond de wijk Kerensheide. In het midden Staatsmijn Maurits.

„Rond de eeuwwisseling is er nog wel een reünie georganiseerd”, vertelt Boekema. „Dat bleek een succes. Normaal groette je de mensen die je nog kende uit Kerensheide, maar op de reünie kwamen daar de oude verhalen en de gezelligheid van vroeger weer bij.”

Janssen van de Stichting Erfgoed Stein keerde na de sloop een tijdje terug naar Kerensheide, om te werken op de naftakraker. Die chemische installatie ‘kraakt’ het olieproduct nafta, dat door verhitting uiteenvalt in stoffen als etheen en propeen. „Van de oorspronkelijke bebouwing stond één huis overeind. Dat diende als portierswoning bij de kraker.”

NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.

Schrijf je in voor de nieuwsbrief NRC Voorkennis

Economieredacteuren nemen je mee in de discussies die zij op de redactie voeren over actuele ontwikkelingen

Source: NRC

Previous

Next