Home

Kees Prins: ‘Hoe diep je het ook wegstopt, uiteindelijk wil iedereen erkenning van zijn ouders’

Kees Prins (vanaf deze week weer te zien in de serie BuZa) schrijft, zingt, acteert en voelt zich thuis in drama, musicals en comedy. Wat drijft deze alleskunner? En wil hij nog steeds aardig gevonden worden, of heeft hij daar inmiddels schijt aan?

is mediaverslaggever van de Volkskrant. Hij schrijft vooral over televisie, podcasts en boeken.

Het is 10 uur op een stormachtige maandagochtend en het grote restaurant in Amsterdam-Noord is nog leeg, op één tafel na. Daar zit een man die vanaf de ingang moeilijk te identificeren is, maar als hij opkijkt en vooral als hij zijn legergroene pet afzet, verschijnt daar het onmiskenbare hoofd van Kees Prins.

Prins is hier tijdelijk. Morgen vertrekt hij weer naar Spanje, waar hij nu een half jaar woont. Op de vraag waarom hij Nederland heeft verlaten, wijst hij naar buiten. ‘En ik wil eigenlijk al mijn hele leven naar Spanje omdat het zo’n fijn land is. Mijn vrouw en ik wonen op een uur rijden landinwaarts vanaf Valencia. In heuvelachtig gebied, op 600 meter hoogte, hebben we een huis vlak bij een dorpje.’

Alleen als Prins wat te doen heeft in Nederland, is hij er. En dat is nog regelmatig. Hij gaat hier naar de tandarts, bezoekt familie en is, ondanks zijn pensioengerechtigde leeftijd, niet van plan te stoppen met werken.

In zijn werk is Prins uiterst veelzijdig. De eerste successen boekte hij begin jaren tachtig met het cabaretduo De Duo’s, met Arjan Ederveen. Begin jaren negentig werd Prins samen met Michiel Romeyn en Herman Koch voor een deel van Nederland onsterfelijk dankzij Jiskefet.

Voor een sketch in dat programma zong hij Dit is mijn club, een nummer dat was bedoeld als parodie, maar pardoes door Ajax, de club waarvan hij fan is, werd geadopteerd als officieel clublied. Prins is daarnaast stemacteur (Buurman & Buurman), schreef scenario’s voor tv-series (Bij ons in de Jordaan), musicals (Hij gelooft in mij, Tina) en toneel (Een man, een man), speelde in theatervoorstellingen (wederom Een man, een man), films (De uitverkorene) en series (Overspel).

Nu is er het tweede seizoen van BuZa, de door Frank Ketelaar geschreven dramaserie waarin Prins de rol vertolkt van Maarten Meinema, een minister van Buitenlandse Zaken die moet wheelen en dealen met louche regimes en bokkige coalitiegenoten terwijl hij kampt met een alcoholprobleem en nog in de rouw is vanwege zijn overleden vrouw.

‘De buikige onmatigheid waarmee Prins zijn minister vormgeeft, maakt die bij uitstek tot een anti-Rutte’, schreef NRC. ‘BuZa is het zeldzame geval van een serie die te kort is’, oordeelde de Volkskrant over het eerste seizoen, van vier afleveringen. Goed nieuws: het tweede seizoen, dat vanaf vrijdag op NPO 1 en NPO Start te zien is, telt er zeven.

Meer dan het eerste seizoen, waarin Prins drie Nederlanders in een fictief Zuid-Amerikaans land van de strop moest zien te redden, laat het tweede zich inspireren door de actualiteit. Het opent met Meinema in een Brusselse vergaderzaal, die een smeekbede aanhoort van een collega-minister wiens voormalige Sovjet-republiek, mede door Russische inmenging, ‘aan het sterven’ is.

Behalve over de Russische invloedssfeer gaat het ook over AI-beelden, nepnieuws en drones. Meinema krijgt het aan de stok met een hoogblonde talkshowpresentator die verdacht veel lijkt op Eva Jinek en gespeeld wordt door Jennifer Hoffman. Scènes worden afgewisseld met fraaie beelden van het Binnenhof, Paleis Noordeinde, de Lange Voorhout en de bescheiden Haagse skyline.

Scenarist Frank Ketelaar noemde The West Wing, Borgen en House of Cards als inspiratiebronnen, en ook in recensies over het eerste seizoen werden de vergelijkingen daarmee gemaakt. Het personage van Prins is ‘net zo intrigerend als Frank Underwood in House of Cards’, schreef Het Parool.

De naam Frank Underwood zegt Prins, die een koffie verkeerd voor zijn neus heeft, weinig. ‘Aan dat hele House of Cards ben ik nooit begonnen.’

Waarom niet?

‘Ik ben niet zo dol op politieke series. Meestal vind ik ze te moeilijk. Ik vergeet vaak wie iemand precies is. Dan zou ik moeten terugspoelen, maar dat doe ik niet in de hoop er later nog achter te komen. Dat gebeurt dan alleen nooit. Ik zit me dan een hele serie af te vragen: (kijkt peinzend naar boven) hé? Wie is dat ook alweer?’

Welke titel heeft u echt niet begrepen?

Soldier, Spy, Tinkler? (Tinker Tailor Soldier Spy, een film uit 2011, red.) Die heb ik helemaal gemist.

‘Scenaristen denken: ik heb in deze scène dat fotootje laten zien, dan snapt de kijker toch wel dat hij met die en die op vakantie is geweest en dat toen het verraad gepleegd is? Nou, dat kan ik dus niet volgen. Wat ik ook héél irritant vind, is als ze twee mensen casten die er hetzelfde uitzien. Soms zie je twee lange blonde mannen, maar heeft de ene alleen een ander jasje aan. Na een flits moet je begrijpen wie wie is. Je krijgt dan ook niet de kans om iemand even te bestuderen, zoals in het gewone leven.’

In 2018 zei u in de Volkskrant dat u weinig heeft met engagement. ‘Ik kan niet zo veel met ‘wat er in de wereld gebeurt’, en dat je daar dan een kunstvorm van maakt. Dat werkt ook beperkend’, zei u. Maar gebeurt dat niet ook bij BuZa?

‘Zelf ben ik niet bezig met de vraag of wat er in de wereld gebeurt ook goed in de serie terechtkomt. Dat is aan de schrijver en de regisseur. Als ik tijdens de opname op een nagebouwde compound in Kroatië rondloop, denk ik: dit ziet eruit als een realistische compound. Ik denk niet: wat is de verantwoordelijkheid van mij als minister op deze compound. Ik speel alleen die minister.’

Dat Prins het podium op wilde, wist hij op zijn 11de. Tijdens de kerstviering op school won hij de eerste prijs na het zingen van Op de step uit Ja zuster, nee zuster.

In een katholiek gezin in Heemstede met acht kinderen – vader was hoofdagent, moeder was thuis – was Prins de enige die de aandacht van het publiek wilde hebben. ‘Dat begon met kleine dingetjes’, zegt hij. ‘Op de kleuterschool tekende ik poppetjes in plaats van dat ik met een voetbal over het plein ging rennen. Als ik een gekke bek trok, moesten mensen lachen. Dat breidde zich langzaam uit.’

De typetjes hadden alles met onzekerheid te maken, zegt hij. Met brabbelstem: ‘Zo’n stemmetje opzetten is hetzelfde als ‘zeg maar’ zeggen. Dat doen mensen die bang zijn dat wat ze zeggen, als te absoluut wordt ervaren.’

Heeft de terughoudendheid om u over de politiek uit te spreken, ook te maken met die angst?

‘Natuurlijk. Dat heeft te maken met aardig gevonden willen worden en niet durven staan voor wat je zegt.’

U kunt die onzekerheid goed maskeren.

‘Dat is altijd mijn escape geweest. Daar heb ik zelfs, denk ik, mijn beroep aan te danken. Je anders voordoen dan je werkelijk bent, andere dingen zeggen dan je eigenlijk wilt zeggen, niet tegen de stoere binken in de klas op kunnen en het dan maar met humor proberen: al die uitvluchten zijn volgens mij samengekomen in de aanzet om met toneel te beginnen.’

Komt die onzekerheid door uw vader?

‘Zeker. Hij wist me eerder te wijzen op wat ik allemaal niet goed deed. Hoe diep je het ook wegstopt – uiteindelijk wil iedereen erkenning van zijn ouders, denk ik. Uiteindelijk wil iedereen dat papa of mama zegt: goed gedaan, jongen.’

Had u dat vroeg door of bent u daar later achtergekomen?

‘Daar ben ik later pas achtergekomen. Op de middelbare school hadden we met ons bandje een plaat gemaakt die werd opgepikt door Frits Spits. Ik kwam een keer eerder terug van school en zag mijn vader bij het radiomeubel aandachtig naar dat liedje luisteren. Hij voelde zich enigszins betrapt, maar zei wel, met een soort trots in zijn ogen: ‘Dat zijn jullie toch?’ (Zet hogere en zachtere stem op) ‘Ja, dat zijn wij.’ Verder hebben we er geen woord aan vuil gemaakt. Maar de gedachte dat hij zich realiseerde dat er misschien wel meer in me zat dan veel mensen dachten, voelde als een enorm compliment.’

Toen u in 2020 in het tv-programma Verborgen verleden een liefdesbrief van hem aan uw moeder las, was u ontroerd.

‘Tegenover mij was hij gewoon een karikatuur, een vader met hoofdletter V. Hij was de bordkartonnen vader en ik waarschijnlijk de... nou ja, ik zal niet de bordkartonnen zoon zijn geweest. Maar toen ik die brief las, dacht ik: o, hij is natuurlijk ook gewoon 20 geweest, (tikt een paar keer op tafel) hij heeft ook een liefdesbrief geschreven aan een meisje. Dat beeld van mijn vader had ik tot dat moment nooit gezien. Daarom was ik zo aangedaan. Ik dacht: jezus. (Na een stilte) Nou ja, dat.’

Toen Prins 18 was, ging hij naar de Kleinkunstacademie in Amsterdam. In de buurt daarvan, in de Jordaan, zat Café de Bel. ‘Na schooltijd placht ik daar nog weleens te vertoeven. Ik was jaloers op de Amsterdamse volksmuziek die ze daar draaiden. Die hadden allemaal hetzelfde woordgebruik, dezelfde vorm. Maar als ik ook zo’n nummer probeerde te schrijven, lukte het me niet.’

Waarom niet?

Met grote ogen: ‘Ik daag je uit. Schrijf maar een Hazes-nummer. Het. Lukt. Je. Niet. Hazes heeft een heel andere manier van denken.’

Welke manier?

‘Heel simpel! Ik mocht jou niet zien, maar jij was toch van mij. Als je dat leest, denk je: nee, dat gaan we niet opschrijven. Maar als Hazes het met pathos zingt en er een sentimenteel muziekje onder zet, denk je: jezus christus, jongens, dit werkt als een trein! Het ontroert. Je gaat er helemaal in mee. Toen werd ik fan. Ook omdat iedereen denkt dat iedereen het kan. Ik dacht: nee, dit kan niemand. Dit kan alleen André Hazes. Ik bleef denken: dit wil ik godverrrrrdomme ook kunnen. Het is me nooit gelukt.’

Is dat zo? Na iedere thuiswedstrijd van Ajax zingen tienduizenden mensen Dit is mijn club.

‘Ja, maar dat is een parodie. Bij Jiskefet hadden we aan Vincent van Warmerdam gevraagd of hij een lied kon componeren dat het midden hield tussen Hazes en Queen. Daarna schreef ik er tekst bij. Het zou over elke club kunnen gaan, maar onder de fans van Jiskefet zaten veel hardcore Ajax-supporters en zij pikten het op, ook omdat ik natuurlijk een Amsterdamse volkszanger speelde. Ik vind het wel heel leuk dat het nu zo’n beetje het tweede clublied is.’

Voor de fans is het geen parodie.

‘Nee, ik vind ook dat een parodie net zo goed moet zijn als een echt nummer. Als je er alleen maar een lolletje van maakt, vind ik het niet interessant.’

Wat maakt het dan nog een parodie?

‘Er zitten wel érg rare zinnen in. ‘Het kan dooien, het kan vriezen, we kunnen winnen of verliezen.’ Wat ik een geestige vind: ‘Ik was nog maar een kleine jongen, toen ik werd uitgeselecteerd.’ Maar eigenlijk is dat al te parodiecabaretterig. Ik denk toch niet dat Hazes die teksten zou schrijven.’

Heeft u eigenlijk een theorie over wat grappig is?

Met ministeriële blik: ‘Grappig is alles wat ík grappig vind.’ Lachend: ‘Ja, maar zo persoonlijk is het. Soms zeggen mensen dat iets grappig is. Johnny Kraaijkamp bijvoorbeeld, de ouwe Johnny Kraaijkamp. Maar ik vind hem niet grappig. Helemaal niet zelfs.’

Wie vindt u wel grappig?

‘Ik zou het niet weten. Gooische vrouwen vind ik soms grappig. De vrouwen vooral vind ik allemaal behoorlijk goed. Zelfs, of nee niet zelfs, ik bedoel óók Linda de Mol. De verhaallijnen en personages zijn geloofwaardig en tegelijkertijd zeggen ze dingen die zo uit een conference kunnen komen. Ik zag Linda laatst allemaal broodjes aanwijzen. ‘Die zijn puur vaginistisch’, zei ze. Dat vind ik een behoorlijk goede, geestige woordspeling.’

Vind u dat er nog goede absurdistische humor is?

‘Ik ben fan van Micha Wertheim. Hij kan verrassend en raar uit de hoek komen en doet conferences op een prettige manier. Hij lult namelijk een beetje lijzig voor zich uit, waardoor je denkt: dat kan een oom op een verjaardag ook. Maar dan blijkt dat het toch beter doordacht in elkaar zit dan je denkt.’

In de allereerste aflevering van Jiskefet, uit 1990, zit een absurdistische sketch waarin Prins de ‘Norenhater’ C. Luimen speelt. ‘Fjordenneukers, oprotten’, roept hij daarin naar een blond stel. Hij zegt dat ze cafétafels bezet houden waar ook Nederlanders hadden kunnen zitten.

Later is beweerd dat Jiskefet hiermee een vooruitziende blik toonde op de later opgebloeide xenofobie. ‘Het ging natuurlijk ook over haat tegen buitenlanders’, zegt Prins, ‘maar het absurdistische element was groter dan het maatschappijkritische. De laatste mensen aan wie je een hekel zou kunnen hebben, zijn die stille, nuchtere Noren.’

Herman Koch en Michiel Romeyn waren jeugdvrienden die al sketches maakten voor het radioprogramma Borat. ‘Later kwam ik daar bij en dat klikte meteen’, zegt Prins. ‘Na twee of drie opmerkingen dacht ik: jullie begrijpen precies wat ik bedoel.’

De sketch waaraan Prins met het meeste plezier terugdenkt, is ‘Stiften’, uit de kantoorreeks Debiteuren, crediteuren. ‘Dat is een topper. Dat ging heel goed tussen Herman en mij. Herman is snel daarin.’ Met een bloedserieus gezicht doet Prins Koch na die denkbeeldige kaarten uitdeelt. ‘Twee jack-in-the-box en dan krijg je daar een kaart.’ Vervolgt: ‘Ik kon dan fijn doen alsof ik het allemaal begreep. Dat is iets wat íédereen herkent: dat iets je veel te snel wordt uitgelegd en je de neiging hebt om te denken ‘ja ja ja, waarschijnlijk snap ik dat straks wel’ en het vervolgens alleen maar van kwaad tot erger gaat.’

Wat stond er voor die scène op papier?

‘Niks. Althans: regisseuse Ellen Jens wilde altijd een scèneomschrijving. Daarin stond: Herman legt een kaartspel uit. Kees doet alsof hij het begrijpt. In het repetitielokaal hadden Herman en ik voorafgaand natuurlijk wel overlegd over hoe we het een beetje zouden aanpakken.’

Heeft uw vader ooit iets over het succes van Jiskefet gezegd?

‘Nee, hij heeft nooit met naam en toenaam genoemd waar ik mee bezig was. Ik kan me wel herinneren dat hij, een behoorlijk goede zanger, eens zei dat ik moest stoppen met roken omdat mijn stem er anders aan ging – hem was dat overkomen door de zware pijp. Dat klonk als kritiek, maar omdat er de zweem van een compliment in doorschemerde, zag ik dat als liefdevol.’

Als het tegenwoordig over Jiskefet gaat, gaat het vaak ook over de vraag of de humor nu nog zou kunnen: Oboema, de seksistische grappen van de lullo’s, de Turkse pizzabezorger die ze uit het raam gooien. Michiel Romeyn vindt dat de samenleving is vertrut en dat die grappen nog moeten kunnen. Vindt u dat ook?

‘Ik denk dat we die dingen nu niet meer zouden doen. Ik vind het goed dat er nuance wordt aangebracht in wat er discriminerend is of niet.

‘We maken natuurlijk die lullo’s belachelijk en daarmee ook de seksistische opmerkingen die ze maken. Maar tegelijkertijd zeggen we die dingen wél en normaliseren we ze daarmee.

‘Het is een fine line. We hebben een keer een parodie gemaakt over Barry White. Maar ja, dat is een zwarte man met veel haar. We hebben ons toen alledrie zwart laten schminken en zijn met grote afropruiken op ons hoofd ‘The Barry Whites’ gaan spelen.

‘Nee, wordt er dan gezegd, dat moet je door een zwart iemand laten doen. Maar dan moet ik op zoek naar een zwart iemand die precies hetzelfde gevoel voor humor heeft als ik. Die kan ik toch nooit vinden?’

Nee?

‘Dan ben je vier maanden aan het casten. Misschien moet je het dan maar niet doen. Ik ben er nog steeds niet over uit.’

Herman Koch omschreef Jiskefet ooit als een vriendenclub. Zag u dat ook zo?

‘Nee, we waren meer een vriendenclub in het werk. Herman en Michiel waren vrienden, zij kenden elkaar al vanaf hun 10de uit Amsterdam-Zuid.

‘Toen ik ze tegenkwam en we met Jiskefet begonnen, waren we niet zo jong meer. Ik was 34 en had een vriendin, Herman was 37 en had een vrouw, Michiel was 35 en had een vriendin. Als we nog 25 waren geweest, kan ik me voorstellen dat ik bevriend met ze was geraakt, met ze was gaan keten, dat we met elkaar op vakantie waren gegaan. Dat was niet aan de orde.’

Dit jaar kreeg Jiskefet, twintig jaar na de laatste reguliere aflevering, een Ere Zilveren Nipkowschijf toegekend. In het juryrapport was te lezen dat ‘het de huidige jury al jaren niet lekker zit dat het onze voorvaderen nooit heeft behaagd Jiskefet te eren. Terwijl we nu, 35 jaar na de start, nog dagelijks de humor en de uitdrukkingen uit Jiskefet tegenkomen.’

Er volgt een opsomming: ‘Hé lul. Lullo. Raarrrr. Stiften. Jack in the Box. Goeiesmorges. Wat heb jij d’r op? De Wiedergutmachungsschnitzel van Günther und Wolfgang. Juffrouw Jannie. Sta ik op de tramhalte. Toedeledokie. Tampert. Multilul. Heb je nog geneukt? Oboema. Vogel. Petor.’

Sinds een ruzie in 2011 is Prins geen onderdeel meer van de Jiskefet B.V. Oorzaak is een rechtszaak na afloop van een reeks Goeiesmorgens-musicals.

‘In de bv hadden we alle drie evenveel stemmen’, zegt hij, weer op tafel tikkend. ‘Herman en Michiel konden met zijn tweeën alle besluiten nemen. Zij wilden toen een rechtszaak beginnen tegen onze vroegere producer omdat ze er een financiële puinhoop van zou hebben gemaakt.

‘Ik vond: die rechtszaak moet je niet beginnen en die ga je trouwens ook verliezen – je kunt niet iemand verantwoordelijk houden als je zelf eindverantwoordelijk bent. Dus ik dacht: onzin, geen rechtszaak. Zij zetten toch door. Toen dacht ik: ik moet toch een carrièreswitch maken, ik koop me uit de bv en zeg: veel plezier ermee, ik ga een andere kant op.’

Spreekt u Koch en Romeyn nog?

‘Nee.’

Vindt u dat jammer?

‘Nee. Die periode is afgesloten. Maar ik heb dat altijd zo gedaan. Als ik ergens wegging, dan weg ermee. Als ik op al die dingen terug moet blijven komen, kan ik niet door. Daarom ben ik heel rigoureus.’

Als ik met mensen zo’n gevoel voor humor zou delen, lijkt het me leuk nog af en toe een biertje met ze te drinken.

‘Maar die mensen heb jij niet vijftien jaar dagelijks gezien, toch? De hele dag.’

Arjan Ederveen spreekt u ook nooit meer, las ik in Altijd van je af, het boek dat Sara Berkeljon over hem schreef.

‘Klopt. Maar dat was ook geen echte vriendschap, hoewel Arjan dat wel zo voelde, las ik in het boek.’

In het begin van het gesprek zei u dat u graag aardig gevonden wil worden. Vindt u het dan niet lastig om zo afstand te nemen van mensen met wie u zo intensief heeft samengewerkt?

‘Gek genoeg heb ik daar dan weer geen enkele moeite mee. Zo gaat het gewoon, ook met vriendschappen. Als ze doodbloeden, bloeden ze dood. Als je bewust moet nadenken om iemand te bellen omdat je die al een jaar niet hebt gezien, houdt het toch op?’

‘Met Kees ben ik geen vrienden’, zei Romeyn in 2019 tegen Volkskrant Magazine. ‘Wij maakten een Goeiesmorgens-musical om een lange neus te trekken naar al die musicals van Joop van den Ende, gaat hij vervolgens bij Joop van den Ende bij de musicalontwikkeling werken! Hoe opportunistisch kun je zijn.’

‘We maakten daarmee inderdaad musicals belachelijk, maar dat betekende niet dat ik het hele genre slecht vond. Ook toen al vond ik West Side Story en My Fair Lady behoorlijk goede musicals.’

Dankzij Van den Ende kwam Prins ‘in een jongensdroom’ terecht, zegt hij. ‘Hij was blij met de Hazes-musical die Frank Ketelaar en ik hadden geschreven, en wilde dat we er nog eentje zouden doen. Op een première kwam hij naar ons toe met het idee voor een Britse musical over Tina Turner.

‘Joop, de grootste musicalproducent van Europa, heeft toen met haar manager, tevens man, geregeld dat wij dat mochten doen. Op zoek naar informatie voor ons script hebben we haar toen twee keer drie uur geïnterviewd in haar huis in Zürich.’

Met Turner bespraken Prins en Ketelaar haar relatie met haar man Ike, met wie ze het muzikale duo Ike & Tina Turner vormde. ‘Hij mishandelde haar ook’, zegt Prins. ‘We zeiden tegen haar dat ze waarschijnlijk vanwege de muziek bij hem was gebleven. Nou, helemáál niet. ‘Die hele muziek’, zei ze, ‘die interesseerde me geen reet.’ Het was een geestig iemand.’

Het was een ‘absolute jongensdroom’, zegt Prins weer. ‘Ze stuurde ons dat jaar allebei ook nog een kerstkaart: een foto van de straat waar ze woonde met lampjes en lintjes erop en de tekst ‘Love, Tina.’’

Prins was behoorlijk zenuwachtig toen hij met Ketelaar het script aan haar ging voorlezen. ‘Als ze zegt dat ze zich dit anders had voorgesteld, is het natuurlijk snel klaar. Maar ze was enthousiast.’

Voor Prins en Ketelaar ging het toch nog mis toen regisseur Phyllida Lloyd, beroemd van de film Mamma Mia!, op de musical werd gezet. ‘Ik ben niet bij de daarop volgende vergadering geweest, maar ik stel me zo voor dat ze hebben gezegd: dit is een musical over een vrouw en vrouwenmisbruik, we hebben een vrouwelijke regisseur, we gaan nu de vrouwenkaart spelen. Toen hebben ze de toneelschrijver Katori Hall aangesteld en die heeft ons hele script uit elkaar gehaald.’

Hebben jullie daar nog stampij over gemaakt?

‘Nee, maar we hebben wel duidelijk gemaakt dat we het jammer vonden, omdat de nieuwe vorm, een chronologisch ‘en toen, en toen, en toen’-verhaal, volgens ons minder goed werkte. Maar ja, het publiek vond het prachtig en de musical heeft een Tony Award gewonnen en is de wereld overgegaan.’

Waar bent u nu mee bezig?

‘Ik schrijf veel toneelstukken. Dat vind ik het leukst om te doen. Ik heb ooit met Roel Bloemen Een man, een man geschreven, een stuk over twee mannen – gespeeld door Pierre Bokma en mij – aan een tafel. That’s it. Daar hou ik van. Alleen dialoog, lekker simpel, geen ingewikkelde decorwisselingen. Nu schrijf ik een stuk dat zich afspeelt op een bushalte.’

Kunt u zich voorstellen dat u er ooit mee ophoudt?

‘Nooit. Ik ben lui van aard, ik kan goed dagen nietsdoen of klussen. In Spanje heb ik een stuk land dat ik moet bijhouden, dus ik zit soms op mijn tractortje om gras te maaien, of ik moet ergens een schutting bouwen. Maar na drie dagen moet ik weer aan de bak, moet ik weer dingen maken, creëren. Anders ben ik niet gelukkig.’

Het tweede seizoen van BuZa (BNNVara) is vanaf vrijdag 21/11 om 20.35 uur te zien op NPO 1 en NPO Start.

Luister hieronder naar onze podcast Culturele bagage. Kijk voor al onze podcasts op volkskrant.nl/podcasts.

Wilt u belangrijke informatie delen?
Mail naar tips@volkskrant.nl of kijk op onze tippagina.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next