Julien Althuisius is schrijver en voor de Volkskrant columnist over het dagelijks leven.
Na het hardlopen word ik aan de oever van het meer opgewacht door een naakte vrouw. Ze is een jaar of zestig en heeft halflang grijs haar. Ze heeft net gezwommen en droogt zich af. Als ik langsloop, kruisen onze blikken elkaar. ‘Goedemorgen’, zeg ik. ‘Goedemorgen’, antwoordt ze.
Ik loop door naar mijn tas, die een paar meter verderop in het zand ligt. Na het hardlopen neem ik altijd een duik in het meer en in mijn tas zitten een handdoek en schone kleren. ‘O, is dat jouw tas?’, vraagt de vrouw terwijl ze haar onderbroek aantrekt. ‘Ik zag het briefje dat je had achtergelaten. Wat attent van je.’
Columnisten hebben de vrijheid hun mening te geven en hoeven zich niet te houden aan de journalistieke regels voor objectiviteit. Lees hier onze richtlijnen.
Een tijd geleden kwam ik terug van een rondje rennen (ik hoorde dat je van fanatieke hardlopers het woord ‘rennen’ niet mag gebruiken als je het over hardlopen hebt, dat dat vloeken in de kerk is. Dus daarom moet je het juist doen) en trof ik een bellende vrouw. Ze had een bezorgde blik in haar ogen, liep nerveus heen en weer en had haar ogen op het meer gericht.
Toen ik bij mijn tas kwam en die openritste, hoorde ik haar opgelucht zuchten. ‘O nee, laat maar zitten, hij is al terug. Bedankt, maar u hoeft niet meer te komen.’ Omdat ze mijn tas had zien staan, maar in of bij het water niemand te bekennen was, had de arme vrouw de politie gebeld, in de veronderstelling dat er iemand verdronken was.
Sindsdien laat ik een gelamineerd A4’tje op mijn tas achter, met daarop in twee talen de tekst dat men zich niet zorgen hoeft te maken en ik alleen maar even aan het hardlopen – pardon, rennen – ben. De naakte vrouw is inmiddels niet meer naakt. Ik vertel haar het verhaal van de bezorgde vrouw en knik naar het briefje. ‘Dus vandaar.’ Nu ben ik degene die alleen nog een onderbroek aan heeft. ‘Ik vind het een fijne gedachte’, zegt de vrouw, ‘dat we hier met zijn allen toch een beetje op elkaar letten.’
Ik moet zeggen dat ik, ondanks een kranige weerstand tegen het woord ‘gemeenschap’, die ook wel kan waarderen. Niet dat je er iets aan hebt, trouwens: als je ergens midden op het meer getroffen wordt door kramp of een hartstilstand, wens ik je heel veel succes met je gemeenschap. Maar inderdaad, het is een fijne gedachte.
‘Nu weet iedereen die dat briefje ziet, dat die zich geen zorgen hoeft te maken’, zegt de vrouw. Ze is aangekleed en ik ben naakt. ‘Precies!’, zeg ik en ik maak aanstalten om naar het water te lopen. ‘Tenzij’, zegt ze, ‘je wel al aan het zwemmen was en daadwerkelijk verdronken bent.’ Nou inderdaad, dat zou nog eens lachen zijn.
Geen column meer missen?
Volg uw favoriete columnisten via de app.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns