Van spin in het sociale web van vooroorlogs Engeland veranderde glamourfotograaf Cecil Beaton daarna in vast meubilair: te bekend, en dus te saai. Maar wie zijn portretten nu in Londen ziet, wordt geraakt door de voorbije levens.
is schrijver en chef van Zondag, het essay- en boekenkatern van de Volkskrant.
Er zijn van die namen waar je jaren overheen kunt lezen, totdat je een keer toevallig bij ze stilstaat. En daarna kun je, lijkt het, geen boek meer openslaan zonder ze tegen het lijf te lopen.
Bijvoorbeeld: als je over de Britse jaren dertig leest, is het moeilijk te ontsnappen aan ‘Chips’ Channon (1897–1958). Hij was elitair, pompeus, vals als een viool, en daardoor zijn zijn bewaarde dagboeken geweldig om te lezen. Hij dineerde en dronk schijnbaar met iedereen, waardoor zijn schetsen van politici en culturele figuren in talloze geschiedenisboeken opduiken.
Op 18 januari 1935 lunchte Channon, erfgenaam en conservatief parlementariër, met Cecil Beaton. Wat Channon in dagboeken was, was Beaton als fotograaf. Hij kwam uit een familie die haar sociale klasse ontsteeg, en toonde zichzelf op dat gebied een alpinist. Iedereen met een aristocratische titel, een hoofdrol of een ministerschap fotografeerde hij, vooral voor Vogue.
‘Geluncht met Cecil, die doorgaans ‘Sexy Beaton’ wordt genoemd’, noteerde Channon die dag. ‘Een vreemd wezen, vrolijk, alles wat hij doet, insinueert flair en geslepenheid, maar hij is zonnig en aardig en homoseksueel.’
De eerste keer dat hij Beaton ontmoette, memoreerde Channon, was op een feestje op Longleat, het landhuis van de markies van Bath. Opeens was er rumoer – Beaton was in de vijver gegooid en nu stond hij drijfnat in zijn rokkostuum te druipen tussen de schilderijen van Anthony van Dyck.
Maar alles wat hij heeft, noteerde Channon, heeft hij gekregen op basis van zijn persoonlijkheid. ‘De pestkoppen die hem in de vijver gooiden, zijn nu zijn grootste supporters!’
Het probleem van de spin in een sociaal web zijn, is dat je uiteindelijk tot het meubilair behoort. Te bekend, en dus te saai. Voor de oorlog was Beaton de meest gevraagde fotograaf in de modewereld, na de oorlog was hij belegen. Die reputatieval zit treffend in de gelauwerde Netflix-serie The Crown. Beaton is de huisfotograaf van de koninklijke familie. De aflevering moet zich ergens in de jaren vijftig afspelen. Beaton zet de royals in vol ornaat op de foto, in baljurken en tiara’s voor een geschilderde achtergrond, terwijl hij vanachter zijn camera geaffecteerd Shakespeare citeert: ‘This earth of majesty, this seat of Mars, this other Eden, demi-paradise.’
Voor de jonge prinses Margaret is Beaton het toonbeeld van cringe. Ze papt aan met een jonge, hippe, sarcastische fotograaf Anthony. Ze laat Beatons klassieke foto zien. ‘Cecil, mijn god’, zegt Anthony. ‘Gênant.’
In Londen is nu de overzichtstentoonstelling Cecil Beaton’s Fashionable World te zien (National Portrait Gallery, t/m 11 januari). Het is een heerlijke tentoonstelling als je zin hebt om te googelen. Vrijwel elke geportretteerde heeft een lemma op Wikipedia.
De tentoonstelling maakt er natuurlijk geen geheim van dat Beaton gay was, maar in de zaal met portretten van heren – vrienden van hem, vaak – staat geschreven dat hij zijn vrienden transformeerde ‘in bloemen, simpel of als orchideeën’. Dat lijkt wat eufemistisch. De heren zijn gefotografeerd als jongetjes, dun, zacht, egaal. Deze stijl, kun je zeggen, is buitengewoon queer. ‘Twinks’, zou de lhbti-gemeenschap zulke jongens vandaag noemen.
Omgekeerd zijn de vrouwelijke modellen weer heel anders gefotografeerd. In een zaal is Beatons pantheon te zien; toen hij in 1968 een eerste overzichtentoonstelling mocht maken in de National Portrait Gallery, hing hij een zaal vol met portretten van wat volgens hem de mooiste vrouwen van zijn generatie waren.
De stijl is niet te missen: hun haar is weggestopt in hoeden, hun uitzinnige jurken maken hun lichamen onzichtbaar. Beaton kiest perspectieven waardoor hun kaken hoekig worden. Ook in de foto’s die hij tijdens de oorlog maakte, zien soldaten eruit als modellen. Beaton bepaalde hoe de wereld eruitzag, niet andersom.
Vandaag kijkt een oudere meneer naar een foto van een knappe maar vooral strenge vrouw. De hertogin van Kent, zegt het bijschrift. ‘Ik denk dat ik haar ooit in een bus heb gezien’, zegt de meneer net even te luid.
Zijn echtgenote kijkt hem aan, wacht een seconde, en zegt: ‘Darling, I’m sure you haven’t.’
In de zaal proest iedereen het uit.
Het is moeilijk in de National Portrait Gallery niet aan fotograaf Erwin Olaf te denken. Bij leven werd hij door het Stedelijk Museum Amsterdam genegeerd, tot zijn eigen irritatie.
Nu, postuum, hangt hij er wel (Freedom, t/m 11 maart te zien). Toen de tentoonstelling opende, zei Stedelijk-directeur Rein Wolfs in NRC dat het museum zijn blik op Olaf wilde bijstellen. Maar, zei Wolfs ook: ‘Wij laten weinig hoogglans en glamour zien, weinig vermeende highlights ook. Die hangen we alleen aan de buitenmuur van de tentoonstelling. We willen binnen liever ook de rafelranden van zijn werk laten zien, de radicale kanten ervan.’
Klinkt daar nog steeds iets zuinigs in door? Alsof Wolfs zegt: we willen wel dit deel, maar niet dat deel van zijn oeuvre.
De tentoonstelling in Londen heeft geen buitenmuur. Alles hangt aan de binnenmuur, net als in 1968 – Beaton was toen de eerste levende fotograaf die hem kreeg. Niet alleen zijn ingeslapen reputatie leefde er door op, maar de hele reputatie van modefotografie kwam in een ander daglicht te staan. Ook glamour kon kunst zijn.
Bovendien, denk je: die glamour valt weg. Omdat we zo veel decennia verder zijn en de geportretteerden zijn overleden, zie je niet zozeer mensen op hun mooist. Je ziet vooral levens – tijdperken – die voorbij zijn. De foto’s resoneren direct.
Dus over dertig, vijftig, zeventig jaar kijken we zo naar het werk van Olaf, ongetwijfeld aan de binnenmuren.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant