Schaatsen is in de Verenigde Staten bepaald geen populaire sport – en toch kent de schaatsgeschiedenis vele Amerikaanse iconen. Zo is Jordan Stolz bij de komende Winterspelen de grote favoriet. Wat is het geheim achter dit succes?
is sportverslaggever voor de Volkskrant en schrijft vooral over schaatsen, zwemmen en tennis.
In de Verenigde Staten, het land van basketbal en American football, is langebaanschaatsen een nichesport. Tegelijkertijd kan het land bogen op een geschiedenis vol schaatsgrootheden. Van fenomenen als Eric Heiden en Bonnie Blair tot Shani Davis en Jordan Stolz, het icoon uit de huidige generatie. Zij verlegden grenzen en verpulverden records.
Hoe komt het dat er in de VS toch telkens weer een nieuw schaatsfenomeen komt bovendrijven?
Het is geluk, zegt oud-coach Bob Corby zittend langs de rand van de ijsbaan van Salt Lake City, dat ene Dirk Stolz in 2010 de televisie aanzette, afstemde op de Winterspelen van Vancouver en zijn twee kinderen vroeg: welke van deze sporten willen jullie proberen? De toen 5-jarige Jordan koos samen met zijn zus Hannah voor langebaanschaatsen. Daarop maakte Dirk de vijver bij hun boerderij sneeuwvrij en ging moeder Jane op pad om schaatsen te kopen.
Maar daarnaast ligt er nog iets ten grondslag aan het succes van Jordan Stolz, meent Corby, die in de jaren tachtig coach was van Bonnie Blair, Dan Jansen en Nick Thometz, en Stolz inmiddels al een paar jaar begeleidt. ‘De vader van Jordan hanteert een eigen filosofie over sport. Hier is het gebruikelijk om als kind veel verschillende sporten uit te proberen, maar hij vindt dat je iets moet zoeken waar je goed in bent, en dat vol overgave moet doen, zonder andere sporten ernaast.’
In februari 2026, bij de Winterspelen in Milaan, is Stolz (21) een van de favorieten voor olympisch goud op de 500, de 1.000 en de 1.500 meter en de massastart. Zijn succes is het resultaat van een groot arbeidsethos, een geweldige schaatstechniek en het feit dat hij ongelofelijk sterk is, zegt Corby.
Stolz is zevenvoudig wereldkampioen en werd door zijn veelzijdigheid – hij kan zowel sprinten als allrounden – al vroeg vergeleken met Eric Heiden, de succesvolste schaatser ooit op één Winterspelen. Heiden won in 1980 in Lake Placid alle vijf de individuele afstanden.
Schaatscoach Dianne Holum, op de 1.500 meter in Sapporo in 1972 de eerste Amerikaanse olympisch schaatskampioen, zei eens tegen voormalig shorttrackbondscoach Jeroen Otter: ‘Ik had ooit een paar geweldige talenten in mijn team, die heel hard wilden trainen.’ Otter: ‘Een daarvan was Eric Heiden.’
Corby slaat deze middag in de Utah Olympic Oval meermaals met zijn vuist op zijn vlakke hand, om zijn woorden te ondersteunen. ‘De aanpak van Dianne was: trainen, trainen, trainen. Dat hielp Heiden.’ Die had zijn eigen aanpak: waar het veel gebruikelijker was om een paar minuten op een schaatsplank – een gladde houten plank van een meter of twee breed – in diepe schaatshoeken te trainen, pijnigde Heiden zichzelf telkens minstens vijftien minuten lang.
Otter, de huidige coach van de coaches bij sportkoepel NOCNSF, was jarenlang trainer in het buitenland, waaronder zes jaar in de VS en drie jaar in Canada. Hij werkte met Eric Flaim, de Amerikaan die zowel in het shorttrack (zilver in 1994 in Lillehammer) als op de lange baan (zilver in 1988 in Calgary) olympisch eremetaal verzamelde.
Otter zag ook Shani Davis als tiener langskomen bij een scoutingkamp. ‘Hij had niet eens een fietsbroek, dus fietste hij in een atletiekbroekje, zonder zeem, maar hij was zo atletisch dat hij over een motorkap van een auto kon springen.’
Davis zei tegen hem: ‘Coach Otter, ik word de eerste die op dezelfde Spelen een medaille haalt in het shorttrack en op de lange baan.’ Die missie mislukte; wel werd Davis een van de grootste langebaanschaatsers aller tijden, met twee keer olympisch goud, tien wereldtitels en wereldrecords op de 1.000 en 1.500 meter.
Bob Fenn, de man die Davis later naar zijn grootste successen in het langebaanschaatsen begeleidde, was geen coach die veel wist van energiesystemen in het lijf, herinnert Otter zich. ‘Maar net zoals Holum liet hij mensen hard trainen en deed hij je geloven dat je de king zelf was. Die combinatie kon heel succesvol zijn. Er zijn veel sporters overtraind geraakt, maar als je iemand hebt die het aankan, zoals Heiden in zijn tijd, dan kunnen er speciale dingen gebeuren.’
Bart Schouten werkte van 1996 tot 2006 als langebaancoach in de VS en beaamt dat. ‘We zien nu de eenlingen die erboven uitschieten, met harde koppen en verschrikkelijk veel geloof in zichzelf. Maar er zijn ook veel mensen die wel wilden, maar het niet gehaald hebben.’
Vraag olympisch medaillist en meervoudig wereldkampioen Brittany Bowe om het succes te duiden van een natie waar langebaanschaatsen geen grote bekendheid geniet, en ze zegt: ‘Omdat we van de sport houden. De mensen die schaatsen, doen het niet voor bekendheid en het geld.’
‘Want er is geen geld of roem’, voegt olympisch kampioen Erin Jackson daaraan toe. ‘Je doet het omdat je ervan geniet.’
Bowe: ‘Als je denkt aan de grootste Amerikaanse langebaanschaatsers aller tijden, kun je zo tien namen noemen. Maar in Nederland kun je misschien wel per stad tien namen opnoemen. Het is echt opmerkelijk wat wij als kleine schaatsnatie hebben bereikt.’
De VS zijn niet altijd een kleine schaatsnatie geweest. Schouten vertelt dat er vroeger in de winter in Minnesota door veel schaatsclubs op meertjes werd geschaatst. Er was een speciale meisjescompetitie tussen middelbare scholen. ‘Maar toen werd er in 1972 een wet doorgevoerd, Title IX, waarmee vrouwelijke sporters op scholen en universiteiten dezelfde rechten kregen als mannen.’
IJshockeyteams, waarvoor universiteiten budgetten moesten vrijmaken, zagen een kans in hun zoektocht naar vrouwen met ervaring op het ijs. Schouten: ‘Die teams hebben veel schaatsers weggehaald, waardoor de highschoolcompetitie uiteindelijk in het nauw kwam. Daarnaast groeide de opvatting dat kunstijs noodzakelijk was voor schaatssucces, en zo gingen die clubs langzaam ter ziele.’
Maar er kwam een nieuwe impuls. Schouten: ‘Het langebaanschaatsen heeft de mazzel dat inlineskaten geen olympische sport is.’ Veel Amerikaanse schaatsers zijn hun carrière namelijk in die sport begonnen.
Erin Jackson, die vier jaar geleden met haar winst op de 500 meter in Beijing de eerste zwarte Amerikaanse vrouw werd met individueel olympisch goud in een wintersport, was haar sportcarrière begonnen in het inlineskaten. Brittany Bowe, net als Jackson oorspronkelijk afkomstig uit het zuiden van het land, speelde aanvankelijk basketbal en was eveneens succesvol in het inlineskaten.
Zij maken deel uit van een lange lijst sporters die na hun succes op wieltjes op jacht gingen naar olympische roem, zoals Derek Parra, Jennifer Rodriguez, Heather Bergsma-Richardson en Joey Mantia. Joey Cheek, winnaar van olympisch goud op de 500 meter in Turijn in 2006, begon ooit ook op wielen – maar dan niet als inliner, maar als rolschaatser.
Olympisch kampioen Chad Hedrick, met zijn opmerkelijke double push-techniek, was eveneens een fenomeen in het inlineskaten. Hij had al meer dan vijftig wereldtitels gewonnen toen hij in 2003 zijn eerste internationale wedstrijd schaatste. Als kind en tiener was hij bovendien succesvol geweest als ijshockeyer.
Schouten, die Hedrick als langebaancoach begeleidde: ‘Daar komt zijn succes eigenlijk uit voort, de basis van ijshockey. En uit heel veel trainen en een soort Texaanse harde kop.’ Maar, zegt hij: ‘Wilskracht is een belangrijk onderdeel, maar je moet ook ongelofelijk veel talent en toewijding hebben.’
Wat vervolgens helpt in een niet-schaatsnatie als de VS, zegt Otter, is de relatief makkelijke instroom naar faciliteiten. Iemand met de droom om topschaatser te worden kan er makkelijker terecht op het ijs van Salt Lake City en in een ondersteunend bondsprogramma, dan in Nederland, waar de plekken schaars zijn.
Otter noemt daarnaast een andere belangrijke reden voor de haast onophoudelijke stroom aan Amerikaans langebaansucces. ‘Er is geen rem door een bond, sponsor, televisie of media. Het probleem bij een schaatsland als Nederland is dat er ook een beperking in vrijheid bij komt. Verwachtingspatronen zijn er in Amerika niet of nauwelijks, en je kunt je daar best een keer een misstap veroorloven of jezelf juist overtreffen omdat je een weg inslaat die anderen niet durven in te slaan.
‘Voetbalteams veranderen ook slechts mondjesmaat, in kleine stappen. Behalve wanneer ze zo vaak op de broek hebben gekregen dat er echt wat moet gebeuren. Zoals FC Groningen dat degradeerde, maar een jaar later succesvol terugkwam met een heel andere aanpak.’
Otter haalt ook Ted-Jan Bloemen aan, de zoon van een in Canada geboren vader, die halverwege zijn sportcarrière voor Canada ging schaatsen. In Nederland schaatste hij aanvankelijk bij diverse commerciële ploegen, maar echt succesvol werd hij pas na zijn verhuizing naar Canada, waar hij onder leiding van Bart Schouten zijn eigen alternatieve route kon volgen. In Pyeongchang pakte hij in 2018 de olympische titel op de 10 kilometer.
Schouten: ‘Ik denk dat Jeroen daar wel een punt heeft.’
En er is het Amerikaanse denken. Schouten: ‘De mentaliteit om je eigen weg naar succes te zoeken is wel typisch Amerikaans.’ Daar stond Shani Davis bijvoorbeeld bekend om. Maar ook Jordan Stolz, die weigerde naar de snelste ijsbaan van het land te verhuizen en liever op zijn thuisbaan in Milwaukee blijft trainen.
‘Ik zie hem nog eerder naar Nederland verhuizen’, zegt Bob Corby.
Nederlanders zijn nuchterder, waar Amerikanen meer durven te dromen, zegt Otter. ‘Bovendien is het aantal Amerikaanse atleten dat ‘doping van boven’ krijgt, door hun geloof, groot. Dat doet soms ook wat met je.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant