Het Uur Nora Fischer was sopraanzangeres, maar verloor haar stem. In haar boek Hoogspanning vertelt ze hoe haar plezier in het zingen omsloeg in angst. In Het Uur spreekt ze met Pieter van der Wielen over het belang van mogen falen.
Nora Fischer.
Nora Fischer is een van de bekendste zangers van klassiek Nederland. Ze stond op de mooiste podia, werkte met beroemde mensen en werd alom geprezen om haar rebelse repertoire en haar bijzondere stem. Maar op een dag lukte het niet meer, haar stem blokkeerde. Over hoe dat kwam en hoe het verder ging, heeft ze een boek geschreven: Hoogspanning. In de podcast Het Uur gaat Pieter van der Wielen met Fischer in gesprek over de oordelende stem in haar hoofd en waaraan die te wijten is: Haar zus? Joods zijn? Het kapitalisme? Het calvinisme? Het patriarchaat? De prestatiesamenleving? Sociale media? Haar antwoord: het systeem.
Dit is een, voor de leesbaarheid geredigeerde versie van het gesprek dat Pieter van der Wielen voerde met Nora Fisher voor Het Uur, de wekelijkse interviewpodcast van NRC. Luister en volg Het Uur via nrc.nl, de NRC Audio-app of een ander podcastplatform. Het Uur is ook te bekijken op YouTube.
„Dat is heel veel druk, en het gekke is: als je Federer ziet tennissen, dan weet iedereen: ‘Het is, naast een fysiek spel, ook écht een mentaal spel.’ Je moet onder heel veel druk iets doen waar je eigenlijk fysiek ontspannen voor moet zijn. Alleen bij topmuzikanten is het niet bespreekbaar hoe ongelooflijk moeilijk dat is. En daardoor zit je in je eentje je op te vreten over hoe eng je het vindt, maar kun je dat slecht met mensen delen. En dan wordt het alleen maar groter.”
„De eerste keer dat ik het begon aan te kaarten, zei mijn management: ‘Als mensen eenmaal weten dat je een probleem met je stem hebt, dan kom je nooit meer van dat stigma af. Dan gaan mensen je altijd door die bril bekijken.’ Dus eigenlijk wilden ze mij beschermen tegen dat stigma. Tegelijkertijd kwam ik daardoor klem te zitten, want ik kon geen kant op. Ik kon het niet cancelen, want dan zou ik blijkbaar mijn carrière meteen in de prullenbak gooien. Maar ja, ik zou mijn eigen project The Proms doen in Londen. Het waren ongeveer de grootste optredens die je kunt doen in deze scene, en ik wist ook: als ik het ga doen, ga ik af.”
„Het was echt kiezen tussen twee kwaden. En onder dié druk probeer je je stem weer vrij te maken. Dat gaat natuurlijk niet werken. Hoe hoger je klimt, hoe erger je niet mag falen. En ik denk dat als je niet mag falen, je geen kunstenaar kunt zijn.”
„Zeker. Mijn ouders, en hun ouders, waren allemaal klassieke muzikanten van hoog niveau en zeer succesvol. Maar ook daarin zijn dingen niet zwart-wit. Het is een heel kunstzinnig, creatief broeinest, waar ik op jonge leeftijd al opera’s aan het spelen was. Er was heel veel creativiteit bij ons thuis en de lat lag heel hoog. De ene keer is dat een geschenk en de andere keer is het een vloek. Dat is er allebei.”
„En tegelijkertijd denk ik: je hebt ook nu weer zoveel meningen over opvoeding. Natuurlijk, ik was een heel getalenteerd kind en kreeg daarvoor ook heel veel applaus van mijn ouders. Maar ik denk ook weer niet dat dat slecht was. Ik denk eerder: we zijn als mens zo kwetsbaar en uiteindelijk willen we geliefd worden. In de spotlight gaan staan en erachter komen dat er iets is wat je kunt doen, waar je ineens een enorme stoot liefde voor krijgt: dát kan een valkuil zijn. Kijk, er gebeurt iets op het moment dat je besluit professioneel te gaan, dan moet je er ineens geld mee gaan verdienen. Dan moet je gevraagd worden door podia. Dan moet je een carrière gaan bouwen. Dan moet je jezelf gaan verkopen. Dan moet je op socials laten zien wat je allemaal doet.”
„Ik kom ook uit een heel interessant, fascinerend, bruisend, kunstzinnig, creatief nest. En ik denk dat ik mijn carrière, waarin ik altijd vrij tegendraadse dingen heb gedaan, niet had kunnen hebben zonder mijn opvoeding. Want ik heb echt van huis uit geleerd om bij alles vraagtekens te zetten. Om niets zomaar te doen, omdat mensen nou eenmaal zeggen dat het zo hoort.”
„Ik hield enorm van de noten op papier, maar ik hield niet van dat stemgeluid met groot vibrato en dat dikke geluid. Ik dacht altijd: ‘Die muziek kun je toch ook gewoon heel subtiel en mooi zingen, zodat het niet zo geforceerd klinkt?’ Maar nee, het moest zo. Ik wilde ook allemaal rare moderne muziek zingen en dat was allemaal niet de bedoeling. Ik denk dat ik te veel eigen ideeën had voor die opleiding. Toen hadden ze iets van: ‘We kunnen niet met je werken.'”
„Ja, ironisch. Ik heb ook vaak gedacht dat ik eigenlijk heel blij was dat ik er weer vanaf ben gestuurd. Ik denk dat ik daardoor al die dingen heb kunnen doen. Dat ik een soort vrijheid heb kunnen houden in mijn stem en in mijn interpretatie, en daar trouw aan heb kunnen blijven.”
„Het was een soort spiegel. Mijn zus had heel veel last van depressie en echt een duistere binnenwereld. Zij was vijf jaar ouder, zij was mijn grote voorbeeld. Ik wilde altijd dansen voor de camera en performen, ik was heel erg zo’n glittermeisje. Omdat mijn zus, tegen wie ik zo opkeek, dat zelf niet had, kreeg ik een soort overtuiging van: ‘Oh, dat is frivool en dat is oppervlakkig, zij is diepgaand en echt filosofisch. Zij is zo begaan met het leed van de wereld en dat is blijkbaar hoe het moet zijn. Mijn expressionistische drang is blijkbaar slecht.’
„Vervolgens kreeg ik inderdaad een vrij succesvolle carrière en had zij heel veel moeite juist om mee te komen in wat het leven van je vraagt. En werden we in die zin zulke tegenpolen dat het pijnlijk werd. Het werd iets dat ik wilde achterhouden voor haar, ik wilde dicht bij haar blijven.”
„Ik wilde dat dan vaak niet met haar delen, omdat ik de afstand tussen ons niet wilde vergroten. Ik wilde juist dicht bij haar blijven. Als ik dan op die enorme podia stond, was ik bang voor haar oordeel. Ik was bang om mezelf door haar ogen te zien, ik was bang dat ik weer dat frivole meisje was. Heel vaak denken we dat de mensen om ons heen oordelen over ons hebben. We zijn vaak zo bang voor die oordelen, dat we die voor ze gaan invullen zonder eigenlijk te testen of het waar is. Ik deed dat bij mijn zus, ik vulde constant haar oordeel over mij in, terwijl dat in bijna alle gevallen helemaal niet zo was. Ze was heel trots op mij, ze vond het geweldig wat ik deed, liet het aan haar vrienden zien. Maar ik had zo die innerlijke overtuiging … Ik deed dat ook met mijn ouders, heel veel. In plaats van het misschien aan ze te vragen.”
„Ik heb daar mijn filosofiescriptie over geschreven, over Foucault en het panopticon. Dat is een gevangenismodel waarbij de gevangenen in cellen zitten en er vanuit de toren in het midden altijd iemand zou kunnen kijken. Door de manier waarop het ontworpen is, weet je nooit zeker of je geobserveerd wordt of niet. Eigenlijk hoe wij in de maatschappij leven. Als jonge student dacht ik al: ‘Ik herken me hierin.’ Ik schreef rond mijn twintigste al in mijn dagboek dat ik de hele tijd het gevoel had dat er ogen naar me keken. Ik heb dat altijd sterk gevoeld.”
„Misschien vanuit mijn familieachtergrond, waar die lat zo hoog ligt. Gescheiden ouders, van land verhuizen, een dubbele nationaliteit hebben, een Joodse achtergrond. Er zijn heel veel redenen waardoor ik me een soort outsider gevoeld heb in het leven. Dan heb je extra een gevoel van: ik moet het blijkbaar goed doen. En als dat zaadje eenmaal geplant is, ontwikkel je dat verder.”
„Absoluut. Ik ging filosofie studeren, voornamelijk omdat mijn zus ook filosofie studeerde. En ik was gewoon zo bezig met ‘ik wil de versie van mezelf presenteren die goedgekeurd wordt’. Dus dan doe ik het conservatorium voor mijn ouders en studeerde ik muziekwetenschap voor alle voorouders. En dan filosofie voor mijn zus. Ik probeerde gewoon alle boxjes af te tikken: voor wie moet ik het allemaal goed doen? Ik ging allerlei verschillende stijlen doen: modern, klassiek, cross-overs … Want ja iedereen moest het cool vinden. Ik ging me zo breed ontwikkelen om maar te zorgen dat ik zoveel mogelijk mensen aan boord hield.”
„Haha. Nou ja, misschien moet ik even een goed winti-ritueel doen.”
„Het was inderdaad deels een opluchting dat ze het niet heeft gedaan, maar ook een verantwoordelijkheid. Dat haar mentale gesteldheid op een bepaalde manier op mijn bord lag, dat ik haar kop boven water moest blijven houden. Dat heb ik, denk ik, altijd zo gevoeld.”
„Dat was vrij heftig, ja.”
„Ja, nog zo’n taboe. Er wordt zo weinig over zelfdoding gesproken en ook zo weinig over hoe je daar als nabestaande mee om moet gaan. Er is heel weinig handleiding. Het enige wat ik dacht, was: ‘Oh, ik moet me dan nu blijkbaar heel slecht voelen. Iedereen denkt dat ik me heel slecht voel en dat het hele leven nu heel donker is.’ Maar dat was niet hoe ik me voelde. Ik voelde ook opluchting, want het was 37 jaar een soort dreiging geweest die ook in veel momenten heel erg zwaar was voor haar en ons. In het Duits heb je het woord Freitod, en dat vond ik heel veel zeggen. Het zegt zoiets anders dan zelfmoord. Er zit ook een element in van jezelf bevrijden, en dat voelde ik ook. Ik voelde ook dat ik daar een soort schuldgevoel over had. ‘Mag ik dat wel voelen?’ Ik had ook een soort freeze, ik kon bijna niet meer mijn emoties voelen. Ik probeerde te huilen, maar wist niet waar ik het vandaan moest halen. En ik ging heel veel nadenken, mijn hoofd sloeg op hol. En dan voldoe je niet aan de verwachtingen, dat is heel verwarrend.”
„Dat zit blijkbaar heel diep. Mag ik dan die bevrijding wel voelen? En is dat oké? Ben ik haar dan aan het verraden? Ben ik een heel slechte zus? Heb ik geen gevoelens? Wat is er mis met mij? Ben ik een soort koude ijskast? Dat soort gevoelens kreeg ik.”
„Dat komt ook doordat onze maatschappij geen idee heeft over rouw. We praten niet over de dood. We doen alsof de dood er niet mag zijn, vooral niet mag bestaan. De enige connotatie die we hebben met de dood, is negatief en slecht en verdrietig en donker en duister en zwart; je wil het vooral vermijden. Maar het is onderdeel van het leven en het heeft ook veel kleuren. We moeten het niet vermijden. Dat is ook waarom ik het boek aan mijn zus heb opgedragen.
„Voor mij was het ongelooflijk belangrijk, nadat zij uit het leven was gestapt, om niet gewoon door te gaan met mijn leven, maar dan verdrietiger. Ik had echt een heel sterk gevoel: ‘Nee, hier is een heel grote les te leren.’ Weer dat systemische: ik zag haar wanhoop waarmee zij besloot uit het leven te stappen, niet als iets individueels. En ook daar weer, met die westerse psychologie: ‘Wat was dan haar probleem? Hadden we haar kunnen helpen?’ Nee, ze maakte onderdeel uit van een systeem waarbij je tot zulke grote wanhoop gedreven kunt worden. En daar wilde ik naar kijken.
„Ook omdat ik precies tegelijk volledig instortte, niet meer kon zingen en alles moest afzeggen. Daardoor voelde ik: er wordt mij hier iets groters verteld. Bijna om haar te eren wil ik dat haar dood niet tevergeefs is. Ik wil dat openbreken. Ik wil daarover praten. Wat gebeurt er met twee meisjes die aan het leven beginnen, vol vreugde, vol levensenergie … Hoe kunnen zij tot het punt komen dat de een helemaal vastloopt, niet meer kan zingen, alle optredens moet cancelen, en de ander het leven überhaupt verlaat? Wat gebeurt hier? Het systemische daarvan wilde ik bekijken.”
„Ik wilde weten: wie heeft ons dat afgenomen? Het probleem is alleen: er is niet één iemand aan te wijzen. Dat is een eindeloze optelsom. Het begint bij je ouders. Nee, dan zijn het eigenlijk hun ouders. Nee, het is de Holocaust. Nee, het is het kapitalisme. Nee, het is het calvinisme. Nee, het is de westerse samenleving. Het is de prestatiedruk, het marktdenken, het schoolsysteem waar we een cijfer krijgen voor alles. Het is social media. Het is … Het is … Het houdt eigenlijk niet op.
„We leven in een maatschappij waarin we van alle kanten op ons afgeschreeuwd krijgen dat we het allemaal maar goed moeten doen. En ja, ik kwam in een soort whirlpool terecht van vingerwijzen, totdat ik uiteindelijk moest erkennen: het is te veel. Maar het is wel belangrijk om dat te zien. Nogmaals: ik kan dit niet in mijn eentje oplossen, maar het gaat over hoe we met elkaar omgaan.”
„Dat was heel interessant omdat ik ineens omgeven werd door een kring mensen die niets dan plezier hadden.”
„Ja, ik ben echt op zoek gegaan om die lichtheid en dat plezier en die pure connectie met die creativiteit weer terug te vinden.”
„Precies, want ik dacht: als er Freitod bestaat, wil ik ook begrijpen wat dan Freileben zou kunnen zijn. Want dat is niet hoe ik me voel, dacht ik vlak nadat mijn zus overleden was.”
„Kijk, ik zou niet willen doen alsof het een soort Disney-verhaal is: nou, ik heb het nu allemaal van me afgegooid en nu ben ik een verlicht mens. Absoluut niet, want nogmaals, ik leef in deze maatschappij. Maar het is wel zo dat ik echt terug ben gekomen bij die bron. Die heb ik ook in het schrijven enorm teruggevonden. Dat heb ik met zoveel plezier gedaan. Het was alsof ik weer als een kind in een snoepwinkel van plezier stond: gewoon onwijs veel priegelen totdat het helemaal klopt. Niet vanuit faalangst, maar vanuit gezond perfectionisme.
„Ik heb daar heel veel plezier in teruggevonden. Dat is wel echt een verschil: dat ik nu heel goed weet waar die bron zit en die echt als een leeuw bescherm. Als ik nu voel dat daar aan gegeten wordt, laat ik dat niet zomaar meer gebeuren. Ik denk dat ik een soort muur om dat plezier heen heb gebouwd, waarbinnen ik mezelf bescherm.”
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Stukken die je helpen om je leven fijner en je carrière beter te maken