Home

‘Er is geen alternatief voor diplomatie en internationale samenwerking’

Ze is geen ‘thrillseeker’, maar als vertegenwoordiger van de EU en de OVSE kwam ze wel in oorlogssituaties terecht. Caecilia van Peski wil vrede om mensen in staat te stellen zichzelf te verwezenlijken – daarbij loopt ze soms grote risico’s.

schrijft voor de Volkskrant over zingeving.

‘Ik voel me geen idealist, maar ben het wel. Ik ben iemand die zich richt op de mensheid en de wereld, dat vind ik normaal. Eerlijk gezegd snap ik niet goed waarom andere mensen dat niet doen.’ Op 55-jarige leeftijd kan Caecilia van Peski nog altijd met verwondering naar haar medemens kijken. Van jongs af heeft ze het gevoel ‘er niet bij te horen’ en ‘van een andere planeet’ te komen, tegelijkertijd zetten die gevoelens haar aan tot ‘uitreiken, tot een diepe interesse in de ander’.

Haar carrière speelt zich voor een belangrijk deel in het buitenland af. Na een studie psychologie komt ze aanvankelijk in het Nederlands hoger onderwijs terecht, maar daarnaast ook bij internationale jongerenorganisaties als Youth for Europe en CISV (Children’s International Summer Villages); indachtig de idealen van de Verenigde Naties beogen die via culturele uitwisselingsprogramma’s bij te dragen aan wereldvrede.

Haar internationale werk vormt de opmaat voor een rol vanaf 2002 als verkiezingswaarnemer voor de OVSE, de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa. Vier jaar later leidt dat tot meerjarige uitzendingen naar landen als Georgië en Oekraïne voor onder meer de Europese Unie en de OVSE. Haar laatste standplaats is Ramallah, de Palestijnse stad op de Westelijke Jordaanoever, waar ze een vredesproject probeert op te zetten namens defensie, haar werkgever sinds 2021.

Vanaf komend jaar vormt het Zuid-Italiaanse Brindisi haar standplaats voor werkzaamheden rond de veiligheid bij VN-missies wereldwijd. Ze ziet zichzelf als onderdeel van een ‘vreemdelingenlegioen’ – een internationaal ingestelde groep mensen die ze aanduidt als ‘een specialistenpool van oud-militairen, oud-politiemensen en burgers’, maar ook als ‘een verzameling idealisten, realisten en avonturiers’. Haar grootste aversie geldt de ‘onverschilligen’ onder hen; degenen die door hun missies zo veel van de wereld hebben gezien ‘dat ze niet meer door menselijk leed worden geraakt’.

Voor haar zelf geldt dat laatste zeker niet, al heeft ze ‘de meest verschrikkelijke beelden’ op haar netvlies staan. Zo was ze in juli 2014 als een van de eerste Nederlanders op de rampplek van MH17 in Oekraïne. Bij de aanslag met een Russische luchtdoelraket kwamen alle 298 inzittenden, onder wie 196 Nederlanders, om. ‘Daarover wil ik het nu niet hebben’, zegt ze beslist.

Ook het ‘grote lijden’ van de plaatselijke bevolking doordat het Oekraïense leger en ‘separatisten’ in het oosten van Oekraïne elkaar vanaf 2014 bestrijden, ziet ze voor zich: ‘Veel mensen, onder wie ook kinderen, hebben dat met hun leven moeten bekopen.’ Dat soort ervaringen maakt dat ze geregeld over ‘het kunnen schoonwassen van mijn ogen’ fantaseert. Toch heeft ze geen spijt van haar uitzendingen. ‘Ik voel tevredenheid over het langs deze weg deelnemen aan de wereld.’

Hoe zou u uw idealen omschrijven?

‘Bij mij komen dan vooral de begrippen autonomie en authenticiteit naar boven. Ik wil dat de mens diens potentieel kan verwezenlijken, dat gaat me zeer aan het hart. Dat komt voort uit een diepe behoefte: het is wat ik voor mezelf wil, me ontwikkelen tot de kern van wie ik ben. Dat gun ik iedereen. Maar dan moet de omgeving waarin we leven dat wel toelaten. Dus moeten we proberen een wereld te bouwen waarin dat mogelijk is. Daarvoor zijn veiligheid, vrijheid en gelijkwaardigheid nodig. Als die er zijn, kan ieder zijn potentieel benutten. Dat streven naar zelfverwezenlijking geldt trouwens niet alleen voor mensen, maar voor de hele schepping, dus ook voor planten en dieren.’

Waarom is die zelfverwezenlijking zo belangrijk?

‘Hoe beter we daartoe in staat zijn des te beter functioneert het grotere geheel. In mijn ogen is er een samenhang tussen alle entiteiten, tussen mensen, dieren en planten. Die vormen geen op zichzelf staande levende wezens, maar zijn van grote invloed op elkaar. Ik geloof dat er voor ieder mens een plan is, een blauwdruk van zijn leven, dat zich aan het ontvouwen is, al kennen we het niet.’

Wat is de herkomst van die kijk op het leven?

‘Ik ben een domineesdochter, mijn vader was remonstrants predikant – een vrijzinnige stroming die veel ruimte laat je eigen denkbeelden te vormen. Vanaf mijn puberteit was ik met de kerk niet veel meer bezig, na een jeugd die ik vanwege mijn vaders werk grotendeels in Zwitserland had doorgebracht. Maar ook al nam ik afstand van de kerk, toch was ik van het geloof doordrongen. Op mijn 40ste heb ik alsnog belijdenis gedaan. Nu zie ik het als mijn taak te helpen het ideeëngoed door te geven. Het idee van dat levensplan moet je overigens niet zien als een boekje waarin alles over je bestaan is vastgelegd. Er zijn juist allerlei richtingen mogelijk, denk aan boomblaadjes die zich ontvouwen. Er is alle ruimte voor de vrije wil, maar dat het leven uit louter toeval zou bestaan geloof ik niet.’

Die vrije wil bracht u in 2010 naar Georgië. Kon u daar van betekenis zijn in het licht van uw idealen?

‘De bevolking zat in doodsangst na de vijfdaagse oorlog tussen Rusland en Georgië. Toen wij arriveerden, was er nog volop oorlogsdreiging. Gori, de geboortestad van Stalin waar we terechtkwamen, was grotendeels verwoest. Uitgebrande tanks stonden op straat. De inwoners verwelkomden ons, we vormden een missie van de Europese Unie die moest toezien op naleving van een zes punten vredesplan van de EU, Rusland en Georgië. Dat deden we met zestig man. De wapens van de beide strijdende partijen moesten grotendeels op hun eigen grondgebied worden teruggetrokken. We zorgden voor een hotline tussen Rusland en Georgië om te voorkomen dat incidenten zouden escaleren, we reden patrouilles en inspecteerden troepen en wapens. Geleidelijk verminderde de stress van de bevolking over het hervatten van de oorlog, we konden de mensen geruststellen.

‘Allerlei onverwachte problemen kwamen op ons af. Op het platteland dreigde bijvoorbeeld een muizenplaag, omdat boeren geen verdelgingsmiddelen op hun land durfden te spuiten omdat er mijnen lagen. We deden daar eerst lacherig over, dat wij als internationale waarnemers ons met muizen moesten bezighouden. Maar die bedreigden de graanoogst en daarmee de voedselvoorziening, terwijl de voedselsituatie voor de bevolking al nijpend was. Dus gingen we dagelijks ‘muizenpatrouilles’ rijden, dat werd ons codewoord voor het toezien op het ontmijnen. Dat heeft geholpen.’

U kreeg een ernstig auto-ongeluk tijdens zo’n patrouille.

‘Er was op een bepaald moment sprake van een gespannen, chaotische situatie in het gebied van onze missie. Mijn chauffeur verloor daarbij de macht over het stuur en onze wagen ging over de kop, terwijl ik op de achterbank zat en ons voertuig geen veiligheidsgordels achterin had. Ik werd door de achterruit naar buiten geslingerd. Ik brak van alles, maar vooral mijn nekwervels. Dat was einde missie.’

U had wel dood kunnen zijn. Vindt u zo’n missie zulke grote risico’s waard?

‘Dat heb ik me nooit diep afgevraagd, want dat zou het einde van dit werk kunnen betekenen. Ik ben geen thrillseeker, maar ik ben ook niet in de wieg gelegd om maandenlang naar dezelfde Albert Heijn te gaan. Wat ik bijzonder aan een missie in een oorlogsgebied vind, is dat je veel intensiever leeft, je zintuigen staan de hele dag volop open. Ik voel me dan echt onderdeel van de wereld. Dat is iets moois, zeker als ik ervan overtuigd ben met het goede voor de wereld bezig te zijn. De risico’s voor mezelf zijn er zeker, maar die aanvaard ik.

‘Meer moeite heb ik met nare gebeurtenissen. Die maken dat mijn leven zwaar kan gaan aanvoelen – en ik ben toch al nooit erg blijmoedig geweest. Een voorbeeld? In Hranitne, een stadje in Oekraïne, zagen we op onze patrouilles vaak hetzelfde groepje kinderen langs de weg spelen. Op een lenteochtend in 2015 lagen vijf van hen bewegingloos op straat. We stopten, ze bleken geëlektrocuteerd door neervallende hoogspanningskabels. Die waren door beschietingen beschadigd geraakt. Pas na afloop van een missie kan ik met de verwerking van dat soort gebeurtenissen beginnen.’

Na Georgië kreeg u het in Oekraïne nog veel zwaarder, u kwam in een oorlog terecht.

‘Ja, dat was echt gevaarlijk. Ik had nooit eerder midden in een zich ontvouwende oorlogssituatie gezeten en hoop dat ook nooit meer mee te maken. Aanvankelijk had niemand door hoe ernstig het zou worden. We bleken te zijn ondergebracht in een hotel zonder schuilkelder, terwijl straaljagers van het Oekraïens leger even verderop het vliegveld van Donetsk bombardeerden, wat heel gevaarlijk voor ons was bij gebrek aan een schuilplek. Ik zat bij de eerste groep van onze OVSE-missie – we begonnen met tien man in Donetsk, first responders. Later werden dat er zeshonderd in het hele gebied. We waren ter plekke de ogen, de oren en de neuzen van de 57 landen die de OVSE vormen. Iedere dag gingen we in gepantserde wagens uit op fact finding-missies; gevaarlijk, maar ook belangrijk werk, want verder kon niemand zien wat er in dat deel van het land gebeurde; journalisten en niet-gouvernementele organisaties werden niet toegelaten, er was zelfs geen Internationaal Rode Kruis. Dus overdag reden we rond en verzamelden we overal informatie, ’s avonds tikten we die razendsnel op in onze rapportages zodat alles op tijd bij de OVSE in Wenen en daarna bij de regeringen van die 57 landen belandde.’

Kon u ook iets voor de lokale bevolking betekenen?

‘Absoluut, maar natuurlijk altijd te weinig. We hebben bijvoorbeeld een vrijgeleide kunnen regelen voor de zeshonderd inwoners van Shyrokyne, een dorpje aan zee in de buurt van Marioepol. Er woonden vooral oude mensen in dacha’s met kleine tuintjes, her en der afgewisseld met boerderijen, heel idyllisch. De inwoners waren klem komen te zitten tussen het Oekraïense leger, dat het hoger gelegen gebied in handen had, en de separatisten, die beneden zaten. Die beide partijen waren elkaar de hele dag aan het beschieten, de burgerbevolking zat er tussenin, volledig klem.

‘Uiteindelijk hebben we bijna alle inwoners met bussen kunnen evacueren – het waren scènes zoals ik die kende van oorlogsfilms. Wat het nog wranger maakte, was dat die mensen in de jaren tachtig ook al eens huis en haard hadden moeten verlaten, omdat ze destijds in de buurt van Tsjernobyl hadden gewoond. Een grootvader die met zijn kleinzoon vertrok zei tegen me: ‘Dertig jaar geleden lieten we ook alles wat we hadden opgebouwd in de steek. We vertrokken toen met onze buren, nu vertrekken we weer met hen om helemaal opnieuw te beginnen.’ Zijn lot maakte diepe indruk op me.’

Hoe kijkt u naar de tijd waarin we leven?

‘Het zijn donkere tijden waarvan we niet weten hoe lang die gaan duren, maar ik zie toch ook veel mensen die hoop willen houden – niet op een naïeve manier, maar gebaseerd op de overtuiging dat er in deze wereld geen alternatief bestaat voor diplomatie en internationale samenwerking. Die beide mogen nu dan onder druk staan, maar de organisaties waarvoor ik werk gaan er wel mee door, zij houden het vuurtje brandend. Dat doen al die mensen bij vredesdemonstraties ook, zij geven me hoop. Het mogen dan geen goede tijden zijn voor dialogen over alle grenzen heen, voor het openhouden van communicatiekanalen met iedereen, dus ja, ook met Moskou, maar tijden veranderen ook weer. Daar vertrouw ik op.’

Boekentip: The Lost Peace van Richard Sakwa

‘Richard Sakwa laat zien hoe de wereld na de Koude Oorlog een unieke kans op duurzame vrede heeft laten glippen. Als iemand die in conflictgebieden werkt, besef ik maar al te goed hoe kostbaar en kwetsbaar vrede is. Ik onderschrijf volledig Sakwa’s oproep verantwoordelijkheid te nemen voor onze gezamenlijke veiligheid.’

Klaar? Vergeet de doorleessuggesties niet

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next