Home

In het zesde dagboek van de ‘radicaal eerlijke’ J.J. Voskuil duikt ineens een minnares op

Wat krijgen we nu? In deel zes van zijn dagboeken, blijkt J.J. Voskuil (van de romancyclus Het bureau) een minnares te hebben. Houdt de schrijver wellicht nog meer achter?

is recensent voor de Volkskrant.

Tot pagina 402 kabbelt het zesde dagboekdeel van J.J. Voskuil (1926-2008) aangenaam voort. Ambtenarenleed, kibbelarijen met zijn vrouw L., ommetjes door de Amsterdamse binnenstad, vrienden- en familiebezoek – liefhebbers van de romancyclus Het bureau zullen weer heel wat herkennen.

Verschillen blijven er intussen genoeg. De roman is geschreven in de derde persoon en de verleden tijd, het dagboek in de ik-vorm en de tegenwoordige tijd. En anders dan in Het bureau figureert in het dagboek iedereen, inmiddels dood of nog altijd onder de levenden, met echte naam en toenaam.

Maar dan valt plotseling ene X uit de lucht. Door haar toedoen is volgens L. het echtpaar uit elkaar gegroeid. Verklarende voetnoot: ‘Voskuil had sinds begin 1983 een amoureuze relatie met X. X stelde Lousje Voskuil-Haspers hiervan in de loop van 1984 op de hoogte. Voskuils echtgenote veronderstelde dat de relatie hiermee beëindigd was. Niettemin bleven Voskuil en X tot zijn overlijden, buiten medeweten van zijn echtgenote, innig bevriend. In het belang van X is zij in het dagboek geanonimiseerd.’

In het personenregister heet het minder omfloerst dat X al die tijd – een kwarteeuw lang dus – Voskuils ‘geliefde’ was.

Een behoorlijk verbijsterende mededeling. Niet vanwege dat overspel, dat spreekt. En evenmin vanwege die anonimisering. Het verbijstert vooral dat Voskuil in zijn dagboek bijna twee jaar lang zwijgt over deze affaire. Natuurlijk, honderd procent oprechtheid krijgt geen enkele dagboekschrijver voor elkaar. Maar een liefdesverhouding compleet erbuiten houden?

Ongelovig terugbladeren

De onthulling heeft gevolgen. Ze leidt er bijvoorbeeld toe dat je ongelovig terugbladert. Heb ik iets gemist? Waren er eerder tekenen? Ze leidt er tevens toe dat er een niet-onwelkome spanning het dagboek binnensluipt. Hoe loopt dit af? Ze leidt er bovenal toe dat je Voskuils radicaal ogende eerlijkheid lelijk begint te wantrouwen. Wat houdt hij wellicht nog meer achter?

Neem de ruzies met L., die hij bijzonder vlijtig (en vol uitroeptekens) heeft geboekstaafd. Volgens het nawoord legde hij, ongelogen, een lijst aan die in totaal 151 ruzies omvat, van een halve pagina tot tien pagina’s lang. Of het nu gaat om hun katten (L.: ‘Het terrein waarop ik de baas ben!’), om de vraag wat te ondernemen op een vrije dag (‘Vermoedelijk heeft ze zelf een plan en dan is het zinloos om met een eigen plan te komen’), of om de kortste route van A naar B – het echtpaar kan het niet laten om de strijd aan te gaan.

Logischerwijs schildert Voskuil zijn eigen rol daarin sympathieker af dan die van haar. Kort samengevat: haar boosheid is per definitie onredelijk, de zijne per definitie begrijpelijk. Hij doet zijn best haar ter wille te zijn, zij komt eruit als een drammer. Maar dat zijn vrouw in dit deel vaker dan voorheen in woede uitbarst, valt misschien niet alléén te wijten aan haar complexe karakter.

Zijn ze voor elkaar al genadeloos, voor de buitenwereld geldt dat zo mogelijk nog meer. Bijna niemand deugt. Het publiek in tram, trein, duingebied of horeca heet bij voorkeur ‘proleterig’. En weinig werkwoorden vallen in dit dagboekdeel zo vaak als ‘ergeren’ dan wel ‘irriteren’.

Verschrikkelijke mensen

In 1984 maakt Voskuil kennis met letterkundige Jan Fontijn en diens vrouw Charlotte Mutsaers, beeldend kunstenaar en schrijver. Na een eerste gezamenlijke etentje: ‘Het is een voortdurende spraakverwarring, waarbij ik te veel drink en eet, eten dat wat smakeloos en zoutloos is, maar waar Jan duidelijk zijn best op heeft gedaan. L. zegt niet veel. Ze voelt zich ongelukkig, en als we bij onze voordeur afscheid hebben genomen, is ze triest. Ze vindt het verschrikkelijke mensen. Net zo erg als Jaap en Suus [Oversteegen], Geert en Hil [van Oorschot], en Henny en Elizabeth [Romijn Meijer]: ‘Would-be mensen met hun gepraat over Kunst. Ik wil niet met zulke mensen omgaan.’ Ik ook niet, maar ik wil vooral slapen. Ik heb hoofdpijn.’

Later raken de beide stellen volgens het uitputtende (en voortreffelijke) notenapparaat bevriend.

Hoogtepunt dezer jaren is de tweede druk van Voskuils fictiedebuut Bij nader inzien uit 1963. Eind 1984 stelt zijn uitgever Wouter van Oorschot hem voor om de ruim 1.200 pagina’s tellende cultroman opnieuw uit te brengen. Dat heeft hij goed gezien. Alle belangrijke kranten en bladen komen langs op de Herengracht om de vergeten schrijver paginagroot te interviewen, er moet zelfs een herdruk opgelegd. Voskuil laat zich het onverwachte succes wat graag welgevallen. ‘Het is en blijft een meesterlijk boek’, noteert hij.

Aan het einde van dit zesde deel neemt hij met een lucratieve regeling afscheid van zijn ambt, net als trouwens zijn alter ego doet in het zesde deel van Het bureau. En net als in de romancyclus houden we nog één deel tegoed. Ik kan niet wachten.

J. J. Voskuil: Bevrijding – Dagboek 1981-1987. Bezorgd door Thomas van Grafhorst, Detlev van Heest en Mirjam Lucassen. Van Oorschot; 800 pagina’s; € 39,95.

Lees ook

Geselecteerd door de redactie

Source: Volkskrant

Previous

Next