Verdwenen sportvelden Meer dan honderd kinderen die samen op één voetbalveld trainen, wachtlijsten die uit wanhoop worden opgedoekt: doordat miljoenen vierkante meters aan sportruimte verdwenen zijn, is het op sommige plekken in Nederland een kwestie van geluk of je kunt sporten.
Voormalig sportterrein De Melkweg in Amsterdam
Ga eens aan de zijlijn van een voetbalveld staan, en bedenk hoeveel huizen er op die plek kunnen worden gebouwd. En die velden liggen daar maar, op doordeweekse dagen, helemaal leeg. Stel je voor dat het om vierduizend voetbalvelden gaat, en je ziet hele woonwijken verschijnen, met kantoren en winkels erbij.
En beeld je dan eens in dat je de ambtenaar bent die in de gemeente over sportvelden gaat. Soms is die ambtenaar in z’n eentje, terwijl de collega’s die moeten ‘bouwen, bouwen, bouwen’ met hele teams zijn. Dan wil je als ambtenaar dat mensen kunnen sporten, genoeg bewegen, gezond blijven. En de anderen willen dat ook best, maar de uitkomst is meestal toch anders: huizen gaan voor.
Dit is wat er gebeurt, op heel veel plekken tegelijk. En niemand die merkt dat Nederland stilletjes verandert, perceel voor perceel. Tot duidelijk wordt dat er iets vastloopt.
Deze week werd uit NRC-onderzoek duidelijk dat inwoners van grote steden steeds minder ruimte hebben om te sporten, omdat velden en zalen verdwijnen en nieuwbouw ervoor in de plaats komt. Landelijk verdween 3.000 hectare, gelijk aan vierduizend voetbalvelden of zeventigduizend basketbalvelden. Er kwam ook ruimte bij, maar niet in grote steden, terwijl juist daar de beweeg- en gezondheidscijfers in sommige wijken alarmerend zijn. Er zijn gemeentes in Nederland waar kunnen sporten niet meer vanzelfsprekend is, maar een kwestie van geluk.
Iedere keer dat een veld wordt afgegraven om woningen of kantoren te bouwen, verdwijnt er iets. Niet alleen gras of gravel, maar ook, zegt directeur breedtesport Guido Davio van sportkoepel NOC-NSF, „een deel van de gemeenschap”. Want, zo vraagt hij zich af: „Wat voor wijken heb je straks als je alleen stenen stapelt?”
En dat terwijl mensen in Nederland veel minder bewegen dan goed is. Naar verwachting heeft binnen 25 jaar bijna 65 procent van de Nederlanders overgewicht. De overheid belooft daar al twee decennia iets aan te doen. Omdat sport en bewegen niet alleen van cruciaal belang zijn voor het lichamelijk en geestelijk welzijn, maar ook, zoals internist en ‘obesitasprofessor’ Liesbeth van Rossum zegt, „de basis vormen van onze economie. Wil je mensen aan het werk houden en dus gezond, dan móét je ruimte maken voor sport.”
Wat betekent het voor het dagelijks leven van mensen dat er zoveel sportruimte is verdwenen? Hoe heeft het zover kunnen komen? En valt er nog iets aan te doen? Een tocht langs vier plekken waar sport de strijd om de ruimte verliest.
Volleybalvereniging MVC De Hangar in Eindhoven.
Je ziet het aan de netten van volleybalvereniging MVC De Hangar in Eindhoven. Op woensdagavond zijn die over de hele zaal gespannen, vastgeschroefd aan de tribunes, zodat er acht krappe veldjes uitgezet kunnen worden. Zo kunnen zoveel mogelijk kinderen trainen. Jammer voor hun ouders, die kunnen daardoor niet meer op de tribune zitten.
Toch hebben ze nog geluk, want voor nieuwe leden is al tijden geen plek. Er was eerst een wachtlijst voor de allerjongsten, maar het lukte al twee jaar niet om hen lid te laten worden. Daar raakten ouders én vereniging zo gefrustreerd door dat ook de wachtlijst nu gesloten is. Niki van Deursen, voorzitter van de vereniging uit de wijk Meerhoven: „Dit is, helaas, wat ruimtegebrek doet.”
Je ziet het ook op scholen in Veldhoven, tegen Eindhoven aan. Daar trainen de kinderen van basketbalclub Vido doordeweeks noodgedwongen in gymzaaltjes, omdat er in hun ‘thuishal’ geen ruimte is. De vereniging heeft 117 wachtenden op een bestand van 160 leden. Op zondag lukt het nét om alle teams een wedstrijd te laten spelen in de eigen City-sporthal. Uitwijken naar zaterdag kan niet, dan is de zaal bezet door andere verenigingen. Voorzitter Judith Hoeben spreekt met gevoel voor understatement van „genoeg ruimte voor potentie”.
Bij de voetbalverenigingen in en rond Eindhoven zie je het ook. In de kleedkamers van V.V. UNA (1.100 leden) uit Veldhoven, die door allerlei teams gedeeld moeten worden. Of bij de kinderen die bij V.V. DBS (1.200 leden) in Meerhoven wel mogen trainen, maar in weekenden geen wedstrijden kunnen spelen omdat daar geen plek voor is. Bij beide clubs: meer dan honderd mensen op de wachtlijst.
Meerhoven en Veldhoven vormen het ommeland van ASML. De chipmachinefabrikant brengt de omgeving welvaart, maar zorgt tegelijkertijd voor extreme drukte. Eindhoven is een van de snelst groeiende gemeenten van Nederland. De stad zal tot 2050 groeien met een vijfde, naar meer dan 300.000 inwoners. Er zijn tienduizenden woningen nodig. De kinderopvang zit in sommige wijken bomvol, een huisarts vinden is lastig.
Het is ook een van de plekken in Nederland waar de sport vastloopt. In een gebiedsanalyse schrijft de gemeente Eindhoven dat er „nu al” een „stevig” tekort is van 29 (voetbal)velden. Ook sporthallen zijn er met het oog op de groei te weinig. Volgens een onderzoek uit 2023 hadden toen alleen al de voetbalverenigingen in de stad 1.500 mensen op de wachtlijst. Ook andere clubs, waaronder de vier cricketverenigingen (populair bij expats uit India en Pakistan), hebben een wachtlijst of ledenstop.
In grootstedelijke gebieden zal de ruimte om te sporten alleen maar verder afnemen door de bouw van huizen en kantoren. NOC-NSF becijferde dat in grote steden, waar vier miljoen Nederlanders wonen, inmiddels een op de vijf amateursportverenigingen een wachtlijst of ledenstop heeft.
Bij volleybalvereniging De Hangar worden op woensdagavond maar liefst acht veldjes uitgezet.
ASML ziet de problemen en financierde een kunstgrasveld (kosten: minimaal 600.000 euro) dat verschillende clubs delen. De gemeenten Eindhoven en Veldhoven zijn ook druk bezig met het aanleggen van kunstgras, dat intensiever bespeeld kan worden dan gras. In Eindhoven is een nieuw zwembad geopend en de gemeente vraagt van scholen om hun sporthallen beschikbaar te stellen aan verenigingen – „zo benutten we de ruimte beter, al is het niet realistisch om de wachtlijsten tot nul terug te dringen”.
Bij volleybalvereniging De Hangar hebben ze van alles geprobeerd, vertelt voorzitter Niki van Deursen. Maar iedere oplossing geeft weer een nieuw probleem. Andere sporthallen gebruiken is onpraktisch en vermindert het clubgevoel. Trainingstijden verkorten maakt dat leden minder goed leren volleyballen – het is een technische sport. En één in plaats van twee keer per week trainen kan ook, maar dan lukt het niet om op meerdere niveaus te spelen en komt de teamindeling in de knel.
Als „klap op de vuurpijl”, zegt Van Deursen, heeft de volleybalbond dit seizoen voor de jongste leden een nieuw spelconcept bedacht: ‘volley stars’. Een nieuwe en meer uitdagende spelvorm voor zes- tot twaalfjarigen die, helaas, méér ruimte vergt. Zoveel meer, dat De Hangar heeft besloten om de jongste groep te verkleinen van 85 naar 64 kinderen. „Toen we dat hoorden”, zegt Van Deursen, „besloten we onze wachtlijst te sluiten. Als mensen nu vragen of er plek is, zeg ik: probeer het over een half jaar nog maar eens.”
De Haagse wethouder Hilbert Bredemeijer (CDA) op sportpark Escamp I in de wijk Morgenstond.
Toen Hilbert Bredemeijer (CDA) in 2019 aantrad als wethouder Sport in Den Haag, schrok hij zich wezenloos. In de tien jaar ervoor was zijn gemeente bijna negentigduizend vierkante meter aan sportruimte kwijtgeraakt, zo bleek – het equivalent van twaalf voetbalvelden, toch al gauw twee of drie verenigingen.
Hij zag dat de discussie al die tijd ging over woningen en niet over sportvoorzieningen. Bij overleg over de besteding van de schaarse ruimte „zat sport überhaupt niet aan tafel”, zegt Bredemeijer – letterlijk dus, wethouder en ambtenaren waren vaak niet uitgenodigd. Als bestuurslid van de Vereniging voor Sport en Gemeenten, een landelijk samenwerkingsverband, ziet hij dit op veel plekken. „Ergens ruimte voor maken is een politieke keuze, en bij die keuze is sport vaak het sluitstuk.”
Bredemeijer zit in een kantoortje op sportpark Escamp I, gelegen in de wijk Morgenstond in het zuidwesten van Den Haag. Hij drinkt koffie uit een papieren bekertje. Vanuit het raampje van de keet heeft hij uitzicht op de vier gloednieuwe kunstgrasvelden van voetbalclubs GSC ESDO en Wanica Star. Zandhopen en bouwcontainers verderop getuigen van een grote herinrichting: Escamp wordt getransformeerd van een verouderd en nogal gesloten terrein naar een ‘vitaal sportpark’ dat toegankelijk is voor iedereen in de buurt. Daar ging „een lange politieke strijd” aan vooraf, zegt Bredemeijer.
Den Haag, 2009 en 2025. Voetbalvelden en een tennispark verdwenen voor een nieuwbouwwijk.
Bij zijn aantreden besloot Bredemeijer, zelf fanatiek hardloper, dat er onder zijn verantwoordelijkheid „geen vierkante meter sport” meer zou verdwijnen. Hij voerde ‘sportnormen’ in: per inwoner streeft Den Haag naar een bepaald aantal vierkante meter aan sportvelden, zwembaden, trapveldjes enzovoort, dat per wijk kan verschillen.
In vrijwel alle wijken zit de gemeente op dit moment „in de buurt van de sportnorm”, zegt Bredemeijer, en de sportruimte is niet verder afgenomen. Hij heeft daar wel „voor moeten knokken” in het college en de gemeenteraad. Den Haag is de meest dichtbevolkte stad van Nederland en aan alle kanten ‘ingesnoerd’: door de Noordzee, door de kassen in het Westland, door andere gemeenten. Bovendien wil Den Haag de komende jaren massa’s huizen bijbouwen, tienduizend alleen al hier in Zuidwest. „Op een gegeven moment”, zegt Bredemeijer terwijl hij naar de kunstgrasvelden gebaart, „was de vraag in de coalitie: kunnen we niet tóch een deel van het sportpark gebruiken voor woningbouw?” Nee dus.
De nieuwe kunstgrasvelden van sportpark Escamp I in de Haagse wijk Morgenstond.
De transformatie van Escamp I is nu halverwege: de komende twee jaar maken de resterende zes velden plaats voor kunstgras. Midden op het sportpark is een brede strook ontstaan waar straks openbare sportvoorzieningen komen: fitnessapparaten, een 3×3 basketbalveldje, een pumptrack om te bmx’en. Toch is het grootste deel van het sportpark straks nog steeds gewijd aan teamsport: american football, voetbal en – een eindje verderop – hockey.
Sportverenigingen, zegt Bredemeijer, zijn voor hem „heilig”. De onstuitbare opmars van individuele, ‘ongeorganiseerde’ sporten als hardlopen, fitness en skaten ten koste van het traditionele clubverband – daar gelooft hij niet zo in. Veel gemeenten, zeker grote steden, gebruiken deze ‘urban sports’ „een beetje als excuus” om verenigingsvelden af te stoten, zegt hij. „Maar ik leg me er niet bij neer dat het allemaal vrijblijvender moet, dat vrijwilligerswerk iets is van vroeger.” De cijfers geven hem gelijk: landelijk is het aantal sportverenigingsleden al zeker tien jaar stabiel. Bredemeijer: „In Den Haag neemt het aantal leden van verenigingen zelfs toe, bij vrijwel alle sporten.”
Den Haag Zuidwest is een kwetsbare wijk: er wonen veel mensen met een laag opleidingsniveau en weinig geld. Een vijfde tot een kwart van de twee- tot vijftienjarigen heeft overgewicht, twee keer zoveel als het landelijk gemiddelde. Er is flinke bewegingsarmoede: slechts 42 procent van de bewoners voldoet aan de landelijke beweegrichtlijn van tweeënhalf uur matig intensief bewegen per week, versus 49 procent in heel Nederland. „Veel bewoners in Zuidwest bewegen zich op buggy- en rollatorafstand”, staat er in gemeentelijke gebiedsanalyse van dit jaar.
Juist in dit soort wijken, zegt Bredemeijer, „moet je er aan trekken” om mensen lid te laten worden van een sportvereniging. De meeste gebruikers van Escamp I komen dan ook niet uit de wijk zelf – en het zal „een hele klus” zijn om dat te veranderen. Daartoe wil hij laagdrempelige speelveldjes aanleggen en organisaties inhuren die bijvoorbeeld een speciaal sportaanbod voor meisjes organiseren. „En het sportpark wordt dus zo open mogelijk. Ja, en anders weet ik het ook niet meer.”
En de sportnormen? Met de verwachte bevolkingsgroei heeft Den Haag in 2040 volgens eigen onderzoek 18 hectare (180.000 vierkante meter) aan extra sportvelden nodig – dubbel zoveel als de gemeente heeft laten verdwijnen in de jaren voordat Bredemeijer aantrad. „Je kunt concluderen dat we nu voor een dubbele uitdaging staan”, zegt de wethouder. De helft van de benodigde hectares hoopt hij te vinden in de Vlietzone, een nog te ontwikkelen gebied in het zuidoosten van de stad, langs de A4. De rest zal moeten komen van „slim ruimtegebruik”, zegt hij. „En ook dan blijft de vraag of het gaat lukken.”
Komend voorjaar, na de gemeenteraadsverkiezingen, stopt Bredemeijer als wethouder. Of zijn beleid zal worden voortgezet, is ongewis. Anders dan bij woningbouw of parkeerplaatsen bestaan er geen landelijke vereisten voor sportruimte. Dus de aandacht voor sport en bewegen is in een gemeentebestuur vaak afhankelijk van individuen, zoals een wethouder die van hardlopen houdt. Verdrietig maar waar, zegt Bredemeijer. „Doordat er geen wettelijke normen zijn, staat sport uiteindelijk zwak.”
Voetbalclub Hatto-Heim in Hattem (Overijssel).
In de bossen van Hattem, een stadje vlak bij Zwolle, rennen op een maandagavond in oktober zeker honderd kinderen over een kunstgrasveld. Ze passeren rode pionnetjes, dribbelen om blauwe, schieten op doeltjes als ze bij de gele zijn. Hier trainen op hetzelfde tijdstip, op hetzelfde veld, tien teams – de ‘onder-9’ en de ‘onder-10’. „Pass, pass, ik sta vrij”, roepen ze, en ze juichen hard als ze de winnende maken in het partijtje. „Komaaaan, yes!”
In de kantine van SV Hatto-Heim zitten voorzitter Henk Bultman en Wilco Liefers, die over jeugdzaken gaat. Liefers laat een Excel-sheet zien waarop is bijgehouden welk team wanneer mag trainen, welke van de twaalf kleedkamers ze kunnen gebruiken en wanneer de volgende groep komt. De vereniging heeft 850 leden, 31 jeugdteams en, samen met buurvereniging V.V. Hattem, 5 meidenteams. Alle teams trainen twee keer per week. Liefers: „Niet alleen de selectieteams, ook de breedtesport. Dat maakt de planning ingewikkeld, maar we staan erop.”
„Mensen denken vaak dat er in kleinere steden geen ruimtegebrek is, maar dat is onzin. We blijven maar groeien, en we lopen tegen de grenzen aan”, zegt Bultman. Hatto-Heim heeft één kunstgrasveld – op de andere velden kun je met slecht weer niet trainen, want dan wordt het gras kapot getrapt en moeten wedstrijden worden afgelast. Liefers: „We spelen op wedstrijddagen van half negen ’s ochtends tot kwart voor vijf in de middag.” Bultman: „Een drukte van jewelste, parkeren is een chaos. Soms zitten drie teams in dezelfde kleedruimte.”
Kinderen trainen bij Hatto-Heim in een parcours, zodat er meer voetballers op één veld kunnen.
Toch zou je niet zeggen dat hier te weinig ruimte is om te voetballen. Niet alleen zijn de grasvelden van Hatto-Heim ongebruikt, ook bij buurvereniging V.V. Hattem – met dezelfde ingang – ligt veel gras er verlaten bij. Het kunstgras is daar wel de hele avond bezet, maar niet door zoveel spelers tegelijk als bij Hatto-Heim. De clubs spelen allebei in geel-blauw en hebben evenveel velden, maar V.V. Hattem heeft een stuk minder leden: vijfhonderd, iets meer dan de helft van het aantal bij de buren, en veertien jeugdteams.
Als er iets gedaan moet worden aan het gebrek aan sportvelden, dan zullen clubs ook beter moeten samenwerken, stellen deskundigen. De gemeente Hattem heeft daar ook op aangedrongen. Er is een verenigingsconsulent langsgekomen van sportkoepel NOC-NSF om mee te denken over een fusie. Er waren informatieavonden, discussierondes, er was een enquête, een peiling, een stemming. En hoewel eigenlijk iedereen snapt dat de velden beter kunnen worden verdeeld, was de uitslag duidelijk: meer dan 80 procent van de aanwezige Hatto-Heimers was tegen. De leden moesten er niet aan dénken om samen te gaan.
Links: het kunstgrasveld van V.V. Hattem, rechts de training bij Hatto-Heim
„Dit was van oorsprong een christelijke vereniging, en V.V. Hattem niet”, zegt Bultman. „Dat is nu niet meer zo, maar er zijn leden die het verschil nog altijd scherp voelen.” Liefers: „Veel mensen hebben toch het gevoel dat we een heel andere cultuur hebben. Die willen ze bewaken.” Bultman: „En je hebt bij V.V. Hattem een fanatieke groep die nog steeds moeite heeft met onze christelijke achtergrond.”
Johannes Stalenburg, voorzitter van V.V. Hattem, vertelt later ook dat de cultuur bij beide verenigingen verschillend is, maar volgens hem heeft „niemand moeite” met welke geloofsovertuiging dan ook. Bij zijn club is het niet tot een stemming over een fusie gekomen, maar bedenkingen waren er wel. Als Hatto-Heim soms een veld gebruikt van V.V. Hattem, dan moet Stalenburg alle moeite doen om zijn achterban mee te krijgen. „Onze mensen onderhouden die velden, ze sproeien en vegen, en dan vinden ze het lastig als niet wijzelf erop spelen, maar Hatto-Heim”, zegt hij.
Bij V.V. Hattem hebben ze lang, „misschien te lang”, gedacht dat er een fusie aan kwam. Maar nu die optie is weggevallen, richt de club zich weer op de eigen groei. „Wij zijn een autonome vereniging met meer dan honderd jaar geschiedenis, de oudste van Hattem.” Stalenburg heeft er vertrouwen in dat zijn vereniging weer meer leden zal krijgen. Hoe Hatto-Heim omgaat met het ruimtegebrek, vindt hij niet per se zijn probleem.
De gemeente dringt nog steeds aan op samenwerking. En die ís er ook wel, zeggen beide clubs. De meidenteams zijn gedeeld, die spelen soms bij Hatto-Heim en soms bij V.V. Hattem. De twee clubs kijken naar de gezamenlijke inkoop, bijvoorbeeld voor duurzaamheidsmaatregelen. Beide besturen doen echt hun best. Maar makkelijk is het niet. Stalenburg: „Om echt tot oplossingen te komen moet de emotie bij de leden er eigenlijk uit. Maar ja… emotie hoort ook bij sport.”
Op sportpark De Melkweg in Amsterdam-Noord veranderden de velden van voetbalclub TOB in moestuinen en een varkenswei.
Varkens – dat is het eerste wat je ziet als je het terrein van De Melkweg in Amsterdam-Noord oploopt. Stevige varkens die tot aan hun knieën in de modder staan en tevreden op een homp brood kauwen. Alleen een half vergane tribune verderop wijst er nog op dat hier, in de oksel van de ring A10 Noord, ooit een sportpark lag.
Twaalf jaar geleden moest voetbalclub TOB (Trouw Ons Beginsel) vertrekken. De voetbalvelden kregen van de gemeente Amsterdam een andere, tijdelijke bestemming: stadslandbouw. Naast de varkenspoel kwamen moestuintjes, een kippenren, wijnranken en een speelbos. Drie kleinere sportverenigingen (handbal, korfbal en tennis) mochten wel blijven – ze liggen nu een beetje verloren tussen de moestuintjes en de A10.
Nick Romeijn maakt een praatje met een stadslandbouwer die brood voert aan de varkens. De situatie hier, zegt de secretaris van de Sportraad Amsterdam, is illustratief voor hoe de gemeente omgaat met sportvoorzieningen in de ruimtelijke ordening: met „een gebrek aan langetermijnplanning”.
Deze zomer heeft de gemeente aangekondigd dat De Melkweg z’n oude bestemming terug krijgt. Amsterdam-Noord is onstuimig gegroeid (van 86.000 naar 110.000 inwoners in vijftien jaar) en de ruimte voor sport is niet meegegroeid – dus hebben veel verenigingen wachtlijsten of soms zelfs een volledige ledenstop. Met nog veel meer bevolkingsaanwas op komst (dertigduizend mensen in de komende vijftien jaar) én de voorziene aanleg van een complete stadswijk, Haven-Stad, is er flink wat extra ruimte nodig om te voldoen aan de sportnormen die Amsterdam, net als Den Haag, hanteert. En dus moeten de varkens en moestuintjes op de Melkweg straks weer plaatsmaken voor grasvelden en dug-outs.
Amsterdam, 2008 en 2025. De voetbalvelden op sportpark De Melkweg werden moestuinen.
Begrijp Romeijn niet verkeerd: hij zou dolgraag willen dat er hier straks weer gevoetbald wordt. Sterker nog, toen de Sportraad vorig jaar op zoek ging naar potentiële locaties om het tekort in Amsterdam-Noord te ondervangen, was dit één van de plekken waar ze uitkwamen. Dus waarom, vraagt hij retorisch, moest de sport hier in de eerste plaats verdwijnen? „De gemeente wist toen ook dat Amsterdam-Noord stevig zou gaan groeien, en de plannen voor Haven-Stad bestonden al.”
De voorgangers van Romeijn zagen het huidige tekort, dat zich in de hele stad voordoet, al vijftien jaar geleden aankomen. Zo ging het mis bij de aanleg van de nieuwe wijk IJburg, waar de gemeentelijke planologen simpelweg vergaten sport in te tekenen – een misser die tot op de dag van vandaag doorwerkt. Sindsdien heeft de Sportraad herhaaldelijk gewaarschuwd: let op, er dreigt ruimtetekort in de stad voor sport en bewegen. „Toch is de situatie hetzelfde gebleven”, zegt Romeijn. „En we zijn nu op het punt beland dat het voelbaar en zichtbaar begint te worden.”
Dataonderzoek van NRC bevestigt zijn observaties: in Amsterdam verdween tussen 2010 en 2020 bijna 200.000 vierkante meter aan sportruimte – een afname van bijna 2 procent per hoofd van de bevolking. Die bevindingen „zijn in lijn met wat wij constateren”, zegt de gemeente in een reactie. Wel benadrukt een woordvoerder dat „alleen kijken naar vierkante meters geen volledig beeld geeft”. De gemeente probeert „de beschikbare ruimte op onze sportparken effectief en efficiënt te gebruiken”.
Nick Romeijn, secretaris van de Amsterdamse Sportraad, op het voormalige sportpark De Melkweg (links) en een varkenswei op het park.
Romeijn wandelt verder over het terrein. Aan zijn linkerhand liggen de velden van de achtergebleven sportverenigingen. Ook zij zijn ongelukkig met de huidige situatie, blijkt uit een rondgang van NRC: door de stadstuinen is het sportpark niet meer als zodanig te herkennen, de openbare ruimte wordt minder goed onderhouden, er is overlast van jochies op fatbikes en de verlichting op de toegangswegen laat te wensen over. Al met al, zegt voorzitter Frans Houtkamp van tennisclub TOB, zullen de verenigingen niet rouwig zijn als de varkens en moestuintjes straks weer verdwenen zijn. „Ik heb ook best duurzaamheidsidealen, maar of dit zoden aan de dijk zet?”
De stadslandbouwers verzetten zich tegen hun vertrek – en hebben ook al de lokale media opgezocht. Ja, ze wisten dat hun contract tijdelijk was, zegt Marc Groen, de vrijwilliger bij de varkens, „maar het doet toch pijn dat alles wat we hebben opgebouwd straks moet verdwijnen.” De voormalige voetbalvelden blijken vruchtbare grond te zijn, zegt hij, en bovendien onvervuild – uniek in Amsterdam. „Een sportpark kun je met een paar bouwvakkers overal aanleggen, maar dit kan niet zomaar verplaatst worden.”
Romeijn van de Sportraad zegt tegen Groen dat hij begrip heeft voor diens positie. Sport en groen, zegt hij, worden door de gemeente „in feite tegen elkaar uitgespeeld”. „Je krijgt een soort schijndiscussie, want niemand is tegen voldoende sport én voldoende groen. We halen nu alleen voor allebei de gemeentelijke normen niet. Er dan wordt er gezegd: er is ruimtegebrek, dus we moeten kiezen. Maar dat ruimtegebrek is het gevolg van de politieke keuzes.”
Eigenlijk, zegt Romeijn even later tussen de tomatenstruiken en slakroppen op het voormalige hoofdveld van TOB, zou de gemeente bij stadsplanning de volgorde moeten omgooien. „Nu wordt er gezegd: we gaan dertigduizend nieuwe woningen bouwen, en pas daarna tekenen ze de maatschappelijke voorzieningen in – en dan is er vaak geen ruimte meer. Ze zouden moeten zeggen: eerst kijken naar sport en groen en kunst en cultuur. Naar leefbaarheid. Als dat vijfduizend huizen minder betekent, dan is dat maar zo.”
Reacties? onderzoek@nrc.nl
Training bij Hatto-Heim.
NIEUW: Geef dit artikel cadeauAls NRC-abonnee kun je elke maand 10 artikelen cadeau geven aan iemand zonder NRC-abonnement. De ontvanger kan het artikel direct lezen, zonder betaalmuur.
Source: NRC