Het gaat lekker met Dennis Vanderbroeck: zijn sets duiken op in binnen- en buitenland, in bejubelde theatervoorstellingen en grote modeshows. De Volkskrant volgt hem in de maanden voor een show op de New Yorkse modeweek – die anders uitpakt dan verwacht.
schrijft voor de Volkskrant over theater en populaire cultuur
‘We weten dat het in New York is, en we weten dat het groots wordt’, zegt Dennis Vanderbroeck eind januari tijdens een eerste telefoongesprek. Onderwerp: de modeshow van het Italiaanse kledingmerk Diesel, dat in september zijn lente- en zomercollectie zal tonen als opening van de New York Fashion Week.
Diesel heeft Vanderbroeck gevraagd als ruimtelijk vormgever de volledige show te ontwerpen – dat wil zeggen alles behalve de kleding. ‘Het moet een combinatie worden tussen een rave en een modeshow, en dat dan voor tienduizenden mensen’, zegt Vanderbroeck enthousiast. ‘Hoe we het gaan doen, geen idee, maar dat we het gaan doen is zeker.’
Het wordt de derde modeshow die de 35-jarige Rotterdammer voor Diesel zal verzorgen. Dat er zeven maanden voor de grote opening nog geen concreet plan ligt, leidt allerminst tot paniek. ‘Dat is hoe het werkt in de mode’, zegt hij nuchter.
De Dieselshow in New York moet een van de hoogtepunten van het jaar worden voor Vanderbroeck, maar zeker niet het enige. Naast zijn werk in de mode is hij namelijk ook een veelgevraagd en succesvol theaterscenograaf. Zijn herkenbare minimalistische en dynamische decors duiken op in grote binnen- en buitenlandse theaterproducties.
Zo imponeerde hij afgelopen jaar met een bloederig schouwspel voor de voorstelling Battlefield of Dreams van regisseur Floor Houwink ten Cate (die vijf sterren kreeg in de Volkskrant), een gigantisch beweegbare lichtbalk voor het bejubelde Hamlet van Erik Whien, en een rijdend wit huis voor het eveneens goed ontvangen Antigone van Nina Spijkers.
Vanderbroeck gaat, kort gezegd, hartstikke lekker. Onder de naam Studio Dennis Vanderbroeck werkt hij inmiddels met een team van zes creatives, die hij liefkozend ‘de boys’ noemt. Hij is creatief directeur van een dancefestival, droomt van het ontwerpen van shows van grote popartiesten, wil winkelinterieurs ontwerpen en ambieert een carrière op Broadway.
De Volkskrant volgde Vanderbroeck zeven maanden lang. We surften mee op de successen en uitdagingen van de ambitieuze ontwerper en kregen een inkijkje in het ontstaansproces van zijn ontwerpen, zowel in de mode als in het theater. Want hoe kom je op het idee van een beweegbare lichtbalk voor een Shakespeare-klassieker uit 1600? En wat komt er allemaal kijken bij het op touw zetten van een Dieselmodeshow? (Die uiteindelijk – spoiler alert – niet in New York maar in Milaan zal plaatsvinden.)
Eind februari in zijn kantoortje (‘tweede woonkamer’) in Rotterdam prikt Vanderbroeck meteen een mogelijke aanname over zijn werk door: ‘Ik doe bijna alles achter de laptop. Het is niet alsof ik een grote loods heb waar ik sta te schilderen of al mijn creaties staan opgeslagen.’ Hij zit op een zwarte designstoel, neemt zo nu en dan een trekje van zijn vape en praat enthousiast, waarbij hij het Nederlands mengt met Engels.
‘In de kern ontwerp ik fysieke ruimtes waarin mensen samenkomen’, zegt Vanderbroeck, die dan ook liever de omschrijving ‘ruimtelijk vormgever’ hanteert, in plaats van ‘decorontwerper’. ‘Ik denk dat ik die term moeilijk vind omdat ik ons werk niet beschouw als decoratief, maar als essentieel onderdeel in de verhalen die we vertellen.’
Of die verhalen nou komen in de vorm van een theatervoorstelling of een modeshow, maakt voor Vanderbroeck niet uit. ‘Het is voor mij allebei performancekunst. Tijdens mijn performance-opleiding aan de Toneelacademie was ik al bezig met hoe je via kleding een identiteit kunt creëren. Ik keek toen ook naar modeshows alsof het theater was. Ontwerpers als Alexander McQueen en John Galliano waren voor mij performatieve goden, zo theatraal en uitgesproken.’
In zijn tweede jaar, tijdens lessen van kunstenaarsduo Quirine Racké en Helena Muskens werd de basis gelegd voor zijn huidige multidisciplinaire werkpraktijk. ‘Zij moedigden me aan stage te lopen in de modewereld, ondanks mijn theaterachtergrond. Ze lieten me zien dat de overlap en verbinding tussen mijn verschillende fascinaties de kern van mijn kunstenaarschap konden vormen.’
Vanderbroeck benadert al zijn projecten vrijwel hetzelfde, waarbij niet de vorm, maar de inhoud op nummer één staat. Elk ontwerp begint bij een inhoudelijk gesprek met een opdrachtgever. In het geval van Hamlet was dat met regisseur Erik Whien, met wie hij al vaker voorstellingen maakte. In dat gesprek bespraken ze hun interpretaties en visies op het stuk. ‘Erik noemde zijn versie van Hamlet een uitdrijving van het verdriet van een jonge jongen om de dood van zijn vader.’
Na dit eerste gesprek en het lezen van de toneeltekst volgt een ‘sudderperiode’, een intuïtief trechterproces waarin Vanderbroeck naar eigen zeggen ‘down the rabbit hole’ moet. Hij legt een zogeheten ‘creative deck’ aan, een verzameldocument met inspiratiebeelden. Het ‘creative deck’ voor Hamlet begon met foto’s van het oude Shakespeariaanse Globe Theatre in Londen, en voerde via Deense tapijten naar beelden van hokken, kleuren en vlakken.
‘Het is niet lineair, het is meer een soort kookpot aan beelden. Een week voor de deadline van het ontwerp vindt mijn man me op m’n minst leuk. Ik denk altijd: hét ontwerpt komt niet. En dan komt het uiteindelijk toch altijd. Het is weirde hekserij hoe dat werkt.’
Als ‘de muze’ dan ‘op hem neer is gedaald’, zoals Vanderbroeck het met gevoel voor theater noemt, gaat het rap met de uitwerking. Vervolgens toveren de ‘boys’ Vanderbroecks schetsen om tot renders: een soort digitale maquettes. Die stuurt Vanderbroeck ter beoordeling naar de opdrachtgever. Het bouwen van de scenografie doet het team van Vanderbroeck nooit zelf. Daar hebben theatergezelschappen hun eigen technici en bouwers voor.
Uiteindelijk creëerde Vanderbroeck voor het Shakespeareaanse wraakdrama een diepzwarte ruimte met een tapijtvloer en een viltige achterwand, met op het toneel een grote horizontale balk die van voor naar achter beweegt, en in de grid een gigantische lichtbalk die dezelfde beweging maakt.
Waarom het een beweegbare lichtbalk moest worden? ‘Hamlet zit in deze bewerking vast in een soort familieopstelling met een verlangen naar zijn dode vader, die boven hem zweeft. Maar zijn vader is ook als geest aanwezig op het toneel. Ik voelde zodoende dat ik iets wilde met licht en donker, twee bewegende massieve vormen, en rook.’
‘Ik zeg altijd tegen mensen die met me willen werken dat ik geen realistische huiskamer kan maken. Zo denkt mijn hoofd niet. Ik denk altijd vanuit verandering; hoe het beeld kan meebewegen, of zelfs sturend kan zijn in het verhaal. Ik zie mijn ontwerpen als een startpunt voor verdere samenwerking. Ik probeer altijd een speeltuin te creëren voor de acteurs, en de regisseur met een probleem op te zadelen.
‘Om samen theater te kunnen maken is het cruciaal om constant in dialoog te zijn met het hele artistieke team – licht, kostuum, regie – en zo scherp mogelijk op elkaar te reageren’, zo geeft Vanderbroeck aan. ‘Het is, net als het medium zelf, een oefening om in het nu te zijn. In het leven vind ik dat moeilijk, daarom hou ik zo van theater.’
Dat collectieve zoeken naar het perfecte kunstwerk ligt in de mode net even anders, zegt Vanderbroeck. ‘Er is minder ruimte voor trial en error. De belangen zijn groter, vooral ook financieel.’
Daar staat tegenover dat mode een groter, jonger en diverser publiek bereikt, waardoor de impact van zijn ontwerpen groter kan zijn. ‘Mode heeft meteen invloed op onze beeldcultuur en vangt ook veel directer de tijdgeest. Een onderzoek naar Hamlet is misschien diepgravender, maar je verplaatsen in de esthetiek van Gen Z is net zo waardevol.’
Het is begin maart. Vanderbroeck is net terug uit Milaan. De lenteshow van Diesel, waarin Vanderbroeck de modellen door vier gigantische met graffiti bespoten opblaaspoppen liet lopen, was een groot succes. Zijn ontwerp werd lovend besproken in The New York Times en The Guardian.
‘Nu gaat de blik op de zomershow in New York. We gaan binnenkort locaties scouten voor de rave.’ Hij is er op dit moment nog rotsvast van overtuigd dat hij een rave in New York gaat organiseren.
Een kleine week later zit Vanderbroeck, tijdens de laatste repetitieweek van Hamlet op de tribune van de kleine zaal van Theater Rotterdam, laptop op schoot. Probleem: de gigantische lichtbalk in de grid doet het niet. De enige technicus die het probleem kan oplossen is pas morgen beschikbaar.
‘Frustrerend’, zegt Vanderbroeck, vape in de mond. Door de jaren heen heeft hij geleerd rustig te blijven en zich niet overal tegenaan te bemoeien. ‘Ik ben geen schreeuwer, maar ik vind het wel rot dat de acteurs straks komen en dat de scenografie dan nog niet helemaal werkt.’ Toch is hij tevreden, nu hij zijn ontwerp op ware grootte in de theaterzaal ziet hangen: ‘Het is bombastisch en minimalistisch, en het ziet eruit zoals op de tekeningen.
‘O ja, de Dieselshow in New York gaat misschien niet door’, zegt hij even later tussen neus en lippen door. ‘Ze kunnen New York niet betalen, dus gaan ze waarschijnlijk opnieuw een show in Milaan doen.’
Door dit nieuws, dat hij gisteren te horen kreeg, moet hij in anderhalve dag iets nieuws bedenken. De volgende dag heeft hij een afspraak met Glenn Martens, creative director van Diesel. Paniek krijgt Vanderbroeck er niet van. Corentin Still, een van Vanderbroecks compagnons, heeft al een ‘geniaal’ idee: ‘Domino Day Diesel’, een modeshow in de setting van het dominosteentjesspektakel.
Terwijl de rest van het artistieke team van Hamlet zit te lunchen, zoomt Vanderbroeck tien minuutjes met Still om het idee door te spreken. Zijn stem galmt door de foyer: ‘It’s genius, it’s daring, I love it. Maak een creative deck van twee pagina’s en dan gaan we er morgen met Diesel verder over brainstormen.’
De meeting met Diesel duurde welgeteld 22 minuten, vertelt Vanderbroeck een dag later. Martens vond het Domino Day-idee te kinderlijk en banaal. ‘Hij is niet iemand bij wie je kan beginnen met ‘ja maar’, nee, dan is zijn keuze gemaakt.’
Dus gooide Vanderbroeck het snel over een andere boeg: ‘Diesel is de afgelopen tijd heel erg bezig met mode weer toegankelijk maken voor een groot publiek. Ons idee was om te kijken in welke straat in Milaan we de langste catwalk kunnen leggen, zodat we de modeshow letterlijk terug kunnen brengen naar de straat.’
Glenn Martens ging nog een stapje verder: eerst een catwalk ergens in de stad, om de modellen vervolgens naar zeventig verschillende locaties in Milaan te brengen als onderdeel van een egg hunt – zoals het eierzoeken met Pasen. Op elke locatie staat een model in een afgesloten cabine. Wie het eerst alle modellen op de foto heeft gezet, krijgt een op maat gemaakte look uit de collectie.
Een ambitieus plan, met nogal wat logistieke uitdagingen. Vanderbroeck maakt zich licht zorgen over de uitvoerbaarheid: ‘Hoe komen die modellen daar? Moeten ze dan uren in een afgesloten cabine staan? We hebben Diesel gevraagd of ze ons anderhalve week de tijd geven om dit idee te tweaken om te kijken of we het haalbaar kunnen krijgen.’
Na een werktripje naar Londen en montages van achtereenvolgens Hamlet en Battlefield of Dreams, zit Vanderbroeck halverwege april een week in Florence, waar hij werkt als gastdocent aan Polimoda, een vooraanstaande school voor mode. Vanderbroeck geniet van de diverse, stuk voor stuk inspirerende projecten die hij kan doen, maar na een wel heel intensieve paar weken heeft hij behoefte aan wat tijd thuis in zijn woonplaats Antwerpen.
Daar komt bij dat het Dieselproject enigszins stroef loopt. ‘We konden niet naar New York omdat er niet genoeg geld was, maar nu heeft Glenn zich vastgebeten in het egg hunt-idee en wil hij de modellen in gigantische eieren door de stad positioneren, wat alsnog budget-issues geeft.’
Als eerste ontwerp van de eieren bedacht Vanderbroeck grote vierkante glazen vitrines. Simpel en efficiënt, maar niet waar Martens aan zat te denken. Vanderbroeck: ‘Glenn zei in de meeting: het moet meer ‘kunst’ zijn. Het is typisch voor de modewereld dat vervolgens niemand van Diesel tegen hem zegt dat dat niet kan omdat daar geen geld voor is.’
Ook begint Vanderbroeck de tijdsdruk te voelen. ‘We lagen heel goed op schema, maar het is inmiddels al mei. Er moeten zeventig eieren in de stad komen, en zeventig op het hoofdkantoor van Diesel voor de modepers, die natuurlijk niet de hele stad gaan afstruinen. Honderdveertig fucking levensgrote eieren. We wachten op een go vanuit Diesel.’
Een paar weken eerder reisde Vanderbroeck op en neer naar Londen voor een afspraak met het management van artiest Jamie xx, waarbij hij een setdesign mocht pitchen voor een reeks festivalconcerten. Vanderbroeck sprak van ‘een heel grote vis’. Maar later kreeg hij een telefoontje dat Jamie xx zijn oude set gaat hergebruiken.
‘Ik voel me dan even heel onzeker en eenzaam. Ik kan slecht met afwijzing omgaan’, zegt Vanderbroeck. ‘Soms ben ik bang dat dit het is. Dat mijn werk stagneert, dat zou ik heel erg vinden. Voor mijn gevoel ben ik pas net begonnen. Het is normaal dat klanten inzetten op meerdere creatives en dan kiezen. Dat hoort bij het freelancebestaan, maar ik vind dat nog altijd moeilijk.’
Vanderbroeck omschrijft zichzelf als een adrenalinejunk, die van high naar high leeft: ‘Maar de afhankelijkheid van die highs is misschien niet goed. Al heel lang worstel ik met de vraag: is het goed genoeg? Ben ik goed genoeg? Daar ben ik ook voor in therapie geweest, maar bij een afwijzing speelt dat weer op.’
Een maand later staat Martens in een atelier in Milaan oog in oog met twee uitgewerkte prototypes: de glazen vitrine en het glazen ei. Vanderbroeck hoopt dat hij alsnog voor de vitrine kiest, aangezien het ei naar zijn mening ‘te letterlijk’ is.
Martens kiest voor het ei.
Nu de keuze voor het ontwerp is gemaakt, zit het werk voor Vanderbroeck en zijn team er goeddeels op. Pas een paar dagen voor de show zijn ze met het gehele team in Milaan om de show in drie dagen op te bouwen.
Het zijn uiteindelijk, om budgettaire redenen, 55 eieren geworden. Daarvan worden er 38 door de stad geplaatst, op twintig verschillende locaties. Aangezien er geen catwalk opgebouwd hoeft te worden, is het ‘misschien wel de rustigste opbouw die we ooit hebben gehad’, aldus Vanderbroeck.
Dat geldt niet voor het productiebureau van Diesel. ‘Voor hen was het logistiek heel zwaar’, zegt Vanderbroeck. ‘Ze moeten tijdens de show in drie uur alle modellen en eieren naar de verschillende locaties in Milaan brengen.’
Deze onorthodoxe vorm, zonder catwalk, heeft nog een ander voordeel, zegt de ontwerper na de show. ‘Je bent altijd zenuwachtig omdat een show toch de apotheose van een lang proces is. Maar normaal duurt een modeshow dertien minuten. Nu duurde het de hele avond, waardoor er veel meer de gelegenheid was om te genieten.’
Zelf deed hij samen met zijn team, Glenn en vrienden van Glenn een deel van de egg hunt. ‘We zagen deelnemers heel fanatiek op scooters, fietsen en zelfs rennend door de stad. Dat was bijzonder, op een gekke manier zelfs ontroerend.’
‘Groot succes voor Diesel én Glenn Martens’, schrijft vooraanstaand modetijdschrift Vogue een dag na de show. Vanderbroeck is, ondanks het ingewikkelde proces, ook zeer tevreden met het eindresultaat. ‘Ik had onderschat hoeveel mensen mee zouden doen met die egg hunt. Er waren 8,5 duizend mensen op de been. Glenn had in deze echt gelijk.’
Vanderbroeck kijkt dan ook trots en opgelucht terug. ‘Het proces ging niet vanzelf, maar met Glenn heb ik het fijn afgesloten. En het is wel gewoon weer gelukt. On to the next.’
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant