‘De kok is weggelopen’, zei de receptionist, ‘daarom kunnen we geen ontbijt serveren.’ Het klonk alsof ik in Otje van Annie M.G. Schmidt was beland, maar ik stond aan de receptie van Posthotel Weggis. Weggis is een dorpje aan het Vierwaldstättersee waar in november weinig loos is en de rest van het jaar vermoedelijk ook niet. Ik heb altijd verkondigd dat ik in Zwitserland aan een meer wens te sterven, maar voor sterven was het te vroeg, hoewel je daar natuurlijk weinig over te zeggen hebt.
‘Er is hiernaast een goede bakkerij’, zei de receptionist vriendelijk. Ze kon niet weten dat ik aan de dood dacht. Zelf zag ze eruit alsof ze van het eigen ongeluk een discrete aangelegenheid had gemaakt.
De kamerprijs was schappelijk en al snel bleek dat niet alleen te maken te hebben met een weggelopen kok, maar ook met ander verval. Een deurknop brak af, het tapijt was twee decennia niet meer schoongemaakt, al met al echter was de prijs-kwaliteitverhouding meer dan uitstekend.
We waren met zijn vieren, onder wie mijn vierjarige zoon. Hoewel het bad er ook niet schoon uitzag, zette ik mijn jongen erin, want er is geen betere plek om weerstand te kweken dan een Zwitsers dorp in november.
Hij zong een lied over een suikerspin terwijl ik met mijn laptop naast het bad ging zitten. Ik kan werken met muziek, ook als die uit de mond van de jongen komt.
De dag erop namen wij een boot naar de overkant van het meer, veel bejaarden, een enkele forens of iemand die zich uit schaamte als forens voordeed. We stonden op het voordek, de zon scheen en de jongen vroeg: ‘Waarom verdrinken mensen?’
‘Omdat ze niet kunnen zwemmen’, antwoordde ik.
Een paar meeuwen volgden ons, onze oude Griekse goden amuseerden zich ongetwijfeld kostelijk.
Geselecteerd door de redactie
Source: Volkskrant columns